Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

emmer - (vat met hengsel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

emmer zn. ‘vat met hengsel’
Mnl. emer ‘emmer’ [1240; Bern.], emmer- ‘emmer-’ [1434; MNHWS].
Oude Germaanse ontlening aan Latijn ampora, een variant van amphora ‘tweeorige kruik’ (zie → amfoor), vandaar de Oudhoogduitse en Oudengelse vormen met a-. Daarna volksetymologisch geherinterpreteerd als samenstelling van ein (Hoogduits) of → een (Nederduits, Nederlands) en een ablautvorm van het werkwoord bēran- ‘dragen’ (zie → baren, → baar 1), vanwege het ene handvat aan de emmer.
Os. émbar (mnd. emmer); ohd. eimbarī(n), eimbar (nhd. Eimer). Daarnaast staan oudere vormen ohd. ambar (nog Oostenrijks-Duits amper), mnd. amber, ammer; oe. amber, ombor.
emmeren ww. ‘zeuren’ [1914; Dale]. Vergelijkbaar met de ontwikkeling bij woorden mierenneuken zou de moderne betekenis berusten op een oudere betekenis ‘geslachtsgemeenschap hebben’ [1972; Endt], en specifieker ‘sexuele omgang met paarden of koeien’ [1972; Endt]. Deze laatste betekenis berust volgens Endt op de gewoonte dat de bedrijver bij deze actie op een emmer gaat staan. EDale wijst hierbij specifiek op de huzaren. Deze verklaring is echter weinig overtuigend en berust niet op schriftelijke bronnen. Beter is het om emmeren te zien als een afleiding van het al in 1906 [Boeventaal] gesignaleerde scheldwoord emmer ‘hoer’.
Lit.: L. van de Kerckhove (1944) ‘De namen van de emmer in de Zuidnederlandse dialecten’, in: LB 36, 28-42

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

emmer [vat] {emere, emmer 1201-1250} oudsaksisch ēmbar, oudhoogduits eimbar < latijn amphora (vgl. amfoor). In het barg. is emmer een scheldwoord en dan is het een afkorting van bv. beeremmer [drekton].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

emmer dial. ook emer, mnl. emmer, emer, mnd. emmer, os. embar, ohd. eimbar. Daarnaast staan mnd. amber, ammer, ohd. ambar (oostenr. amper), oe. amber, ombor < romaanse vorm *ambora < lat. amphora < gr. am(phi)phoreús ‘vat met twee hengsels’.

Men heeft ook gemeend, dat de germ. en de slavische woorden osl. oborŭ, oruss. uborŭk, die men gewoonlijk uit het germ. afleidt, rechtstreeks op idg. *ambhi-bŏrŏ zouden teruggaan (Mladenov KZ 44, 1911, 370 vlgg.), onwaarschijnlijk (zie Preobrazjenskij, Etym. slowar russkowo jazyka 1949 blz. 37). — Zie nog L. v. d. Kerkhove, LBijdr. 36, 1944-6, 28-42, die wijst op de oude bet. van ‘tweeorige kruik’, die daarna overging tot houten emmer met hengsel (wat kon leiden tot valse verklaring van *aina + *beran).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

emmer znw., dial. ook êmer, mnl. emmer, êmer m. “emmer”. = ohd. eimbar m. o. (nhd. eimer m.), os. êmbar m. o., mnd. emmer m. “id.” Hiernaast ohd. ambar (nog oostenr. amper), mnd. amber, ammer m. o., ags. amber, ombor m. o. De tweede vorm is waarschijnlijk de oudste en gaat op lat. amphora (ampora) terug, vermoedelijk via een rom. vorm met b. Het geslacht wijst ook op indirecte ontleening. Doordat het woord “emmer met één hengsel” beteekende, konden zich onder invloed van *aina- “een” de eerstgenoemde vormen ontwikkelen. Po. wębor, węborek, oruss. uborûk komen uit het Germ. (Ohd.?) en opr. wumbaris weer uit het Slav.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

emmer. St. Mladenov KZ. 44, 370 vlgg. houdt èn de germ. èn de slav. vormen voor rechtstreekse voortzettingen van een idg. *ambhi-bhoro- (vgl. om en baren), dus oerverwant met gr. amphoreús ‘kruik’ ( > lat. amphora) uit amphiphoreús (Hom.). Onaannemelijk.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

emmer 2 m. (vaartuig), hetz. als ’t vorige, wegens gelijkheid in vorm; reeds Mnl.

emmer 1 m. (vat), Mnl. id. en emer, Os. êmbar, gelijk Ohd. ambar, einbar (Mhd. en Nhd. eimer), Ags. amber, Zw. ämbar, De. ember, uit Lat. amphora van Gr. amphoreús (van ámphi: z. om en phérō: z. beren). Door volksetymologie in verband gebracht met een en beren als vat met één draaghengsel. Uit Germ. Osl. ąborŭ, Po. węborek, waaruit verder Opru. wambaris.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

ummer (zn.) emmer; Vreugmiddelnederlands emer <1240> < Latien ampora.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

emer, zn. m.: emmer, oorspr. houten emmer. Mnl. emer, eemer ‘emmer’; 1461 dewelke de vornoumde heemers gheteekent heeft, Oudenaarde (Hoebeke 1968, 288); Vnnl. 1562 eemer ‘seau ou seille’ (Lambrecht), eemer (Kiliaan). 1781 eemer, Meierij (Heeroma). Mnd. emmer, amber, Ndd. emmer, ammer, D. Eimer, Os. embar, Ohd. eimbar, ambar, Mhd. einber, Oe. amber, ombor < Rom. ambora < Lat. amphora < Gr. am(phi)phoreus ‘vat, kruik met twee handvatten’ (Gr. amphi ‘aan beide kanten’). Vgl. amfoor, Mnl. en ook Vl. emer (met scherplange e) beantwoorden volkomen aan D. Eimer, Mhd. einber. Het woord werd daardoor opgevat als een ‘vat met één hengsel’ en ber werd begrepen < beran ‘dragen’.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

emer, immer, ummer, nemmer zn. m.: emmer, oorspr. houten emmer. Mnl. emer, eemer ‘emmer’; 1461 dewelke de vornoumde heemers gheteekent heeft, Oudenaarde (Hoebeke 1968, 288); Vnnl. 1562 eemer ‘seau ou seille’ (Lambrecht), eemer (Kiliaan). Mnd. emmer, amber, Ndd. emmer, ammer, D. Eimer, Os. embar, Ohd. eimbar, ambar, Mhd. einber, Oe. amber, ombor < Rom. ambora < Lat. amphora < Gr. am(phi)phoreus ‘vat, kruik met twee handvatten’ (Gr. amphi ‘aan beide kanten’). Vgl. amfoor, Mnl. en Vl. emer (met scherplange e) beantwoorden volkomen aan D. Eimer, Mhd. einber. Het woord werd daardoor opgevat als een ‘vat met één hengsel’ en ber werd begrepen < beran ‘dragen’. Ummer door klinkerronding i > u voor m; nemmer door metanalyse uit ’n emmer of in den emmer.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

emer, zn. m.: emmer, oorspr. houten emmer. Mnl. emer, eemer 'emmer'; 1461 dewelke de vornoumde heemers gheteekent heeft, Oudenaarde (Hoebeke 1968, 288); Vnnl. 1562 eemer 'seau ou seille' (Lambrecht), eemer (Kiliaan). Mnd. emmer, amber, Ndd. emmer, ammer, D. Eimer, Os. embar, Ohd. eimbar, ambar, Mhd. einber, Oe. amber, ombor < Rom. ambora < Lat. amphora < Gr. am(phi)phoreus 'vat, kruik met twee handvatten' (Gr. amphi 'aan beide kanten'). Vgl. amfoor, Mnl. en Vl. emer (met scherplange e) beantwoorden volkomen aan D. Eimer, Mhd. einber. Het woord werd daardoor opgevat als een 'vat met één hengsel' en ber werd begrepen < beran 'dragen'.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

emmer s.nw.
1. Silindervormige of vierkantige houer met 'n hingsel om 'n vloeistof of ander stof te skep of te dra. 2. Emmer (emmer 1) met sy inhoud, of die inhoud self. 3. Inhoudsmaat, o.a. van meel, van ongeveer 11 kg.
Uit Ndl. emmer (al Mnl.). Eerste optekening in Afr. by Pannevis (1880).
Ndl. emmer uit Mnl. emmer, emer, ymmer (vgl. Oudsaksies embar, Oudhoogduits eimbar) uit die Romeinse vorm *ambora uit Latyn amphora uit Grieks am(phi)phoreús 'houtvat met twee hingsels' uit 'twee-orige kruik'.
Vanuit vroeë Afr. in S.A.Eng. (1817 in bet. 3) en vanuit Afr. in S.A.Eng. (1866 in bet. 2, 1971 in bet. 1).
Vgl. aam.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

emer (B, K), zn. m., scherpl. e.: emmer, oorspr. houten emmer. 1392 gheghe-ven Jan den Cupre van ij cupen ende eemers daer de metsers haer moertre in deden, Kortrijk. Mnl. emer, eemer ‘emmer’; Vroegnnl. eemer ‘hydria, situla, modiolus, haustrum, urna’ (Kiliaan). Mnd. emmer, amber, Ndd. emmer, ammer, D. Eimer, Os. embar, Ohd. eimbar, ambar, Mhd. einher, Oe. amber, ombor < Rom. ambora < Lat. amphora < Gr. am(phi)phoreus ‘vat, kruik met twee handvatten’ (Gr. amphi ‘aan beide kanten’). Vgl. amfoor. Mnl. en Wvl. eemer beantwoordt volkomen aan D. Eimer, Mhd. einber. Het woord werd nl. opgevat als een ‘vat met één hengsel’ en ber werd begrepen < beran ‘dragen’.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

emmer: 1) (Amsterdam, Bargoens) minderwaardig of vies persoon, inzonderheid een hoer (omdat iedereen erop gaat. Om dezelfde reden gebruikt men ook het scheldwoord schijthuis* en Haagse* plee). Reeds bij Henke en Beem (1967). Emmeren is niet alleen informeel taalgebruik voor ‘zeuren’, in het Bargoens betekent het ook ‘geslachtsgemeenschap hebben’ (oorspronkelijk: sodomie plegen met merries).

2) zeurpiet. Wellicht was er eerst het informele werkwoord emmeren (zeuren, zaniken), dat reeds in De Groene Amsterdammer van 06/10/1862 werd opgetekend. Hier werd dan een zelfstandig naamwoord van afgeleid. In deze betekenis vermeld door o.a. Laps.

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

emmer (Latijn amphora)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

emmer. De vloek steek de emmer!, die ik tegenkwam in Polletje Piekhaar van Willem van Iependaal [1935: 199], drukt minachting, afkeer, ergernis enz. uit. De betekenis van de verwensing is in het hedendaags Nederlands ‘donder op, ik wil niets meer met je te maken hebben’. Over de letterlijke betekenis wordt veel gespeculeerd. Ik zie er allesbehalve een eufemistische variant in van steek de moord! Ik zoek aansluiting bij de betekenis ‘breng een emmer onder een liggende patiënt om urine en ontlasting op te vangen’. In vroeger tijden was dit een zwaar en geminacht werk. → bobber, steken.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Emmer, in den oudsten Germ. vorm ambar, is een vervorming van ’t Lat. amphora (spr. ampora) = vaas, draagvat. Het volk zag in het laatste lid een afl. van den Idg. wt. ber = dragen (zie baar) en vatte het woord op als: vat met één draaghengsel; vandaar ’t Os. embar, Ohd. eimbar. Zie ook Tobbe.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

emmer ‘vat’ -> Deens emmer, emmert ‘scheepsemmer; bus voor ventiel in een pomp’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors ember, amber ‘vat’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds ämbar ‘vat’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins ämpäri ‘vat’ <via Zweeds>; Ests ämber ‘vat’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans dialect † emme ‘vloeistofmaat’; Zuid-Afrikaans-Engels emmer ‘vat; inhoudsmaat’; Shona hamiro ‘vat’ <via Afrikaans>; Indonesisch émber; (Bahasa Prokem) be'er ‘vat’; Ambons-Maleis èmber ‘vat’ (uit Nederlands of Engels); Balinees émbér ‘vat’; Gimán ember ‘vat’; Jakartaans-Maleis èmbèr ‘vat’; Javaans èmber ‘vat’; Kupang-Maleis ember ‘vat’; Madoerees ember ‘vat’ (uit Nederlands of Engels); Makassaars êmberé ‘teil (meestal van zink)’; Menadonees èmbèr ‘vat’ (uit Nederlands of Engels); Minangkabaus embe ‘vat’; Muna embere ‘vat’; Sahu ember ‘vat’; Soendanees ember ‘vat’; Petjoh ember ‘vat’ <via Indonesisch/Maleis>; Creools-Portugees (Batavia) emmer ‘vat’; Papiaments èmber, hèmber, èmer ‘vat’; Sranantongo em(b)re ‘vat’; Surinaams-Javaans èmbèr ‘vat’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

Twee emmertjes water halen [kinderliedje] (1941). Tonny Röling brengt in 1941 kinderrijmpjes bijeen in de bundel Iene miene mutte. Een van de rijmpjes is ‘Twee emmertjes water halen’, tegenwoordig zeer bekend als kinderliedje. Andere rijmpjes uit de bundel zijn bijvoorbeeld ‘Olke, bolke rube solke, / olke, bolke, knol’, ‘Zeg, ken jij de mosselman?’, ‘Alles in de wind, alles in de wind, / ’t is maar een schipperskind’ en ‘Groene zwanen, witte zwanen, / wie wil er mee naar Engeland varen?’ In de bundel staat ook de vroegst bekende publicatie van ‘Ie, wie, waai, weg’, dat in 1894 (Nederlandsche baker- en kinderrijmen, vierde druk) al was gesignaleerd in vormen als ‘Wee, wie, wa, weg’ en ‘Eh, weh, wah, wei, weg!’

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

emmer vat 1240 [Bern.] <Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

552. Emmer

wordt te Amsterdam gebezigd als scheldwoord, ook vuilemmer of schijtemmer (o.a. Diamst. 208), waaronder dan moet worden verstaan de beeremmer, drekton, de bruidemmer, zooals men nog te Enkhuizen zegt. Zoo spreekt men ook van een emmer van een kerel voor een knul van een vent, een strontzak (vgl. fri. strontsek, sukkel); ook wordt emmer gebezigd in den zin van hoer (zie Köster Henke, 16) en is dan synoniem van schijthuis, eveneens een zeer gewoon scheldwoord; vgl. Prol. 38: Ik was 'n lamstraal, 'n schijthuis; Nachtkr. 48; Diamst. 140; syn. van sekreet (als scheldwoord in Diamst. 139; 293; Persl. 182: Sekreet! scheurde-ie walgend uit z'n keel, je zal 'm afsterreve vóór je trouwdag!; A. Jodenh. III, 29); Sjof. 68; 104: Hoer, stinkende hoer, schijthuis... schijthuis, want een hoer is een schijthuis of een pisbak, omdat iedereen d'r opgaat; Köster Henke, 60: schijthuis, hoer (vgl. 17de eeuw kakhuis, als scheldwoord tot een hoer). Te vergelijken is het scheldwoord vuilvlek, flapdrol (o.a. Kmz. 366) en darm o.a. in Sjof. 168: Ze had dien darm wel an kenne vliege; 76: Wat een darm, wat een bevuiling! Zie ook nog Ndl. Wdb. III, 2298: darm, sul, goedzakBij Opprel, 51: 'n minnen derrem van en vent, waarnaast en minne zjenderrem = fr. gendarme., en vgl. het reeds mnl. tripe, trijp, pens (fr. tripe), naast trijpsac, als scheldnaam voor eene ontuchtige vrouw;Mnl. Wdb. VIII, 695-696. ook kwal en fluim, die beide als scheldwoord worden gebezigd voor een onuitstaanbaren kerel.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

bher-1 ‘tragen, bringen’ usw. (auch Leibesfrucht tragen; med. ‘ferri’), auch ‘aufheben, erheben’, Die Wz. bher-, die ausnahmsweise sowohl ein themat. wie ein athemat. Präsens bildet, kennt, weil durativ, im Idg. weder Aor. noch Perf., Neben bher-, mit them. Vokal bhere-, sieht eine schwere Basis bherǝ : bhrē-., Nominalbildungen: bhóro-s, bhoró-s, bhorā́, bhor-mo-s, bher-isto-s, bher-ontī, bher(ǝ)-men-, bherǝ-tro-, bher-tō̆r, bhr̥-ti-s, bhr̥-ti̯ā́.

Ai. bhárati ‘trägt’, av. baraiti ds. (und ‘reiten’), apers. barantiy 3. Pl. ds. (= arm. berem, phryg. αβ-βερετ, gr. φέρω, lat. ferō, air. biru, alb. bie, got. baira, aksl. berǫ); ai. bhárti (ebenso wie gr. φέρτε, lat. fert alte unthem. Form), bibhárti, bíbharti, bibhr̥máḥ, bibhrati (vgl. das wohl von πίφραμεν = bibhr̥me ausgegangene ἐσ-πιφράναι ‘hineinbringen’), them. abibhran, bibhramāṇa-ḥ und av. -bībarāmi;
Perf. babhāra und jabhāra (Kreuzung von babhāra mit jahāra von hárti);
Partiz. ai. bhr̥tá-ḥ, av. bǝrǝte-; Supin. ai. bhártum; Kaus. ai. bhāráyati = Iter. av. bāraya-;
Sup. av. bairišta- ‘der am besten pflegt, hegt’ (= gr. φέριστος ‘vorzüglichster, bester’, wohl ‘ertragreichster, fruchtbarster’);
ai. bhr̥tí-ḥ ‘das Tragen, Unterhalt, Kost, Lohn’ = av. bǝrǝtis ‘das Tragen’ (= lat. fors, got. gabaúrþs, arm. bard); ai. bhr̥tyā́ ‘Kost, Pflege’ (vgl. got. baúrþei);
ai. bhárman- n. ‘Erhaltung, Pflege; Last’ (= gr. φέρμα, aksl. brěmę), schwere Basis in bharīman- n. ds.; bharítra-m ‘Arm’ (‘*womit man trägt’);
ai. bhára-ḥ ‘das Erlangen, Erbeuten, Gewinn, Beute; Bürde’, npers. bar ‘Frucht’ (= gr. φόρος, aksl. sъ-borъ); ai. -bhará-ḥ ‘tragend, bringend usw.’, av. -barō ds. (= arm. -vor, gr. -φορος, z. B. δύσφορος = ai. durbhara-ḥ);
ai. bháraṇa-m ‘das Tragen, Bringen, Verschaffen, Unterhalten’ (= Inf. got. baíran); ai. bhártar-, bhartár- ‘Träger’, prábhartar- ‘Darbringer’, av. fra-bǝrǝtar- ‘ein Unterpriester’ (vgl. lat. fertōr-ius, umbr. arsfertur), fem. ai. bhartrī́, av. barǝθrī ‘Trägerin, Erhalterin, Mutter’; dehnstufig ai. bhārá-ḥ ‘Bündel, Arbeit, Last’, bhārin- ‘tragend’, bhā́rman- (n.) ‘das Bringen, Aufwartung’, bhārya-ḥ ‘zu tragen, zu ernahren’ (= ahd. bāri oder = *bhōrio- in gr. φωριαμός); ba-bhrí-ḥ ‘tragend, getragen’.
Arm. berem ‘trage, bringe’ (Aor. eber = ἔφερε, ábharat), beṙn, Gen. beṙin ‘Bürde, Last’ (vgl. gr. φερνή ‘Mitgift’), ber ‘Ertrag, Frucht, Fruchtbarkeit’ und ‘Bewegung, Lauf’, -ber ‘bringend, tragend’, z. B. in lusaber ‘lichtbringend, Morgenstern’, sekundär statt -vor, z. B. lusa-vor ‘lichtbringend’ (vgl. lat. Lūci-fer, gr. λευκο-φόρος); bari ‘gut’, barv-ok’ ‘gut, bester’; bard ‘Haufe; Kompositum’, dehnstuf. *bhōr- in buṙn ‘Hand, Faust; Gewalt’;
phryg. (κακουν) αββερετ (auch αββερεται) ‘(malum) attulit’;
gr φέρω ‘trage’ (nur Präsenssystem, einmal Partiz. φερτός; Ipv. φέρτε), med. φέρομαι ‘bewege mich schnell’ (ebenso ai. bharatē, lat. ferrī, vgl. oben arm. ber und unten das Alb.), Iter. φορέω ‘trage usw.’ (= alb. mbaj); über φέριστος ‘der Beste’, Kompar. φέρτερος s. oben S. 128 und Schwyzer Gr. Gr. I 3002, 535, 538; über ὄφρα s. Boisacq s. v. und S. 132;
φέρτρον, mit them. Vok. φέρετρον ‘Bahre’ (lat. feretrum aus dem Gr.); φέρμα ‘Frucht, Feldfrucht, Leibesfrucht’; φερνή ‘Mitgift’, äol. mit them. Vokal φέρενα f. ds.;
φόρος ‘Ertrag, Steuer’, -φόρος ‘tragend’, φορά: ‘das Tragen, reichlicher Ertrag, Fülle’; ἀμφ[ιφ]ορεύς ‘Gefäß mit zwei Traghenkeln’;
φόρτος ‘Bürde, Ladung, Last’;
φαρέτρᾱ ‘Köcher’; δί-φρος ‘der den Wagenlenker und den Kämpfer fassende Teil des Streitwagens’; φώρ ‘Dieb’ (= lat. fūr), ἴσφωρες· λησταί, κλέπται. Λάκωνες Hes.; von φώρ abgeleitet φωράω ‘spüre dem Diebe nach’, dann allgemein ‘spüre nach’, φωpά: ‘Hausdurchsuchung’; φωριαμός ‘Kiste zur Aufbewahrung von Kleidern’ auf Grund eines *bhōrios ‘tragbar’.
Von der schweren Basis bh(e)rē- (?): Fut. -φρήσω, Aor. -έφρησα, -φρῆναι (mit δια- ‘durchlassen’, mit εἰσ- ‘hineinlassen, hineinstecken’, mit ἐκ- ‘herausbringen, herauslassen, entlassen’); paradigmatisch mit (ἐσ)-πι-φράναι (s. oben zu ai. bibhr̥máḥ) zusammengeschlossen.
Ligur. FlN Porco-bera ‘fischführend’, Gando-bera ‘geröllführend’.
Mess. ma-beran, beram usw., tabara ‘Priesterin’ (*to-bherā), dor.-ill. βερνώμεθα· κληρωσώμεθα. Λάκωνες, Hes. (zu gr. φέρνη ‘Mitgift’), unsicher ἀβήρ· οἴκημα στοὰς ἔχον, Hes.
Alb. bie (*bherō), 2. Pl. biṙni ‘bringe, trage, führe’, auch ‘falle, fliege, schieße’, ber, beronje ‘Pfeil’; kompon. *dz-bier, vdjer usw. ‘verliere, vernichte’, ndzjer ‘bringe heraus’, zbjer ‘verliere’; auch bie in der Bed. ‘falle’ (vgl. φέρομαι usw.), wozu dzborë, vdorë usw. ‘Schnee’ (Präf. dz- und *bhērā eig. ‘Niederfallendes, Abfall’); Iterativ *bhoréi̯ō in tosk. mbanj, mbaj, älter mba, geg. mba, mbaj ‘halte an, pflege, beobachte, trage’, nordostgeg. auch vom Tragen trächtiger Tiere gebraucht, mit wiederhergestelltem r auch mbar, bar ‘trage, schleppe’; Kaus. *bhōrei̯ō in griech-alb. bonj, pass. bonem von der Begattung der Stuten und Kühe, eig. ‘mache tragen, mache trächtig’, und dzbonj (usw.) ‘jage fort, verjage, vertreibe’ (*’mache wegstürzen, wegfliegen’); mbarë ‘gut, glücklich’, barrë ‘Last’ (*bhornā, vgl. got barn n. ‘Kind’); mberat ‘schwanger’, bark ‘Bauch’ usw., bar ‘Gras, Kraut’ (*bhoro- ‘Ertrag’);
bir ‘Sohn’ (*bher-, vgl. got. baur ‘Sohn’), bijë, griech. cal. bilë ‘Tochter’ (mit Deminutivsuffix -ëlë, -ëjë);
burrë ‘Mann’ (vgl. zur Bed. ahd. baro ‘Mann’; alb. Gdf. *bhornos, Red.-St. neben got. barn); vermutlich auch mburr ‘lobe’, mbur̄em ‘prahle, bin stolz’.
Lat. ferō, ferre ‘tragen’ (wie gr. φέρω nur Präsenssystem), umbr. fertu ‘fertō’ usw., volsk. ferom ‘ferre’, marruc. ferenter ‘feruntur’ (vgl. von Kompos. ad-, afferō: got. atbaíra; efferō: ἐκφέρω, air. as-biur); ferāx ‘fruchtbar’;
ferculum ‘Trage, Bahre’, praefericulum ‘weites Opfergefäß’; *fertor ‘der Träger’, vorausgesetzt von fertōrius ‘ad ferendum aptus’ und = umbr. ař-fertur, arsfertur ‘flamen’;
fertilis ‘fruchtbar’, päl. fertlid Abl. Sg.;
-fer in Kompos. sekundär statt -for ‘tragend, bringend’; forda f. ‘trächtig’ (do- Erw. des Adj. *bhoró-s ‘tragend’, s. WH. I 527);
fūr ‘Dieb’ (= gr. φώρ, s.o.; zum lat. ū s. WH. I 569);
fors Nom. (= idg. *bhr̥tis), forte Abl. ‘Zufall’ = päl. forte ‘fortūnae’;
fortūna ‘Zufall, Glücksfall, Glück’ (von einem tu-St. *bhr̥-tu-s).
Air. 1. Sg. biru, -biur, 3. Sg. berid ‘tragen’, as-biur ‘sage’, do-biur ‘gebe’, cymr. cymeraf ‘nehme’ usw.; mir. bert m. ‘Bündel, Last’, f. ‘Tat, Plan, Geburt’ usw., birit ‘Sau’ = ai. bháranti ‘tragend’;
air. mir. breth und (eig. Dat. Akk.) brith, breith (Gen. brithe ‘das Tragen, Gebären (Verbaln. zu biru); Geburt; Urteil’ (*bhr̥tā); cymr. bryd ‘Gedanke’ (eher *bhr̥tu- als *bhr̥ti-, s. Lewis-Pedersen 345), corn. brys ‘Gedanke’, brys ‘Mutterleib’; gall. uergo-bretus Amtstitel, falls für *-britos;
ir. barn ‘Richter’, cymr. bret. barn ‘Urteil’ (wohl *bhornos, vgl. oben alb. burre; Pedersen KG. I 51 nimmt -r̥̄-, d. i. erǝ, an);
air. brāth, gen. -o ‘Gericht’, cymr. brawd ‘Urteil’, corn. bres ds., bret. breut ‘plaidoyer’, Pl. breujou ‘les assises de la justice’, gall. Brātu-spantium ON, βρατουδε ‘ex judicio’ (*bherǝ-tu-); gall. *com-boros ‘Zusammengetragenes’, daraus mhd. kumber ‘Schutt, Trümmerhaufen’, nhd. Kummer.
Got. baíran ‘tragen, bringen, hervorbringen, gebären’ (bērusjōs ‘Eltern’);
aisl. bera ‘tragen, ertragen, bringen, gebären’, ags. ahd. beran ‘tragen, hervorbringen, gebären’, nhd. gebären;
got. aisl. ahd. as. barn, ags. bearn ‘Kind’; got. barms ‘Brust’, schwed. dan. barm ‘Brust, Schoß’, aisl. baðmr ‘Busen’, ahd. as. barm ‘Schoß’, ags. bearm ds. (= gr. φορμός? s. S. 137); ahd. baro ‘Mann’;
schwed. mdartl. bjäre (*ƀeron-), bare (*ƀaron-) ‘(zutragendes, d. i.) glückbringendes Zauberwesen’; aisl. Pl. barar, barir, bǫrur ‘Bahre’, ags. bearwe, engl. barrow, ostfries. barwe, ndl. berrie ‘Bahre’;
dehnstufig ahd. -bāri, nhd. -bar (z. B. fruchtbar = Frucht bringend, tragend), ags. bǣre (wæstmǣre ‘fruchtbar’), aisl. bǣrr ‘fähig zum Tragen, tragbar’; ahd. as. bāra, ags. bǣr f. ‘Bahre’ (auch aisl. bāra, mengl. mnd. bāre ‘Woge’? vielleicht hierher als ‘die sich hebende’, vgl. unten die Gruppe von ahd. burian ‘sich erheben’);
schwachstufig got. baúr ‘der Geborene’, aisl. burr, ags. byre ‘Sohn’; got. gabaúr n. ‘Kollekte, φόρος ‘Steuer’, gabaúr m. ‘Festgelage, Schmaus’ (zu gabaíran ‘zusammentragen’), mhd. urbor, urbar f. n. ‘Zins von einem Grundstück’, m. ‘Zinspflichtiger’; ahd. bor f. ‘oberer Raum, Höhe’, ahd. in bor(e) ‘in der Höhe, in die Höhe’, mhd. enbor(e), nhd. empor, ahd. burian, mhd. bürn ‘erheben’; hierher obd. borzen ‘hervorstehen’ = ags. borettan ‘schwingen’ (germ.*-ati̯an), dazu nhd. Bürzel u. purzeln; ahd. giburian, mhd. gebürn ‘sich ereignen, geschehen, rechtlich zufallen, gebühren’, as. giburian, ags. gebyrian, aisl. byrja ‘sich gehören, ziemen, zukommen’, aisl. byrja auch ‘anfangen’, eig. * ‘anheben’, ags. byre, gebyre m. ‘günstige Gelegenheit, Gelegenheit’, got. gabaúrjaba adv. ‘gern’, gabaúrjōþus ‘Wollust’; aus dem Begriff des ‘hochgehobenen, hohen’ entsprang der verstärkende Sinn von ahd. bora-, z. B. in bora-lang ‘sehr lang’, woneben o-stufig as. bar- in barwirdig ‘sehr würdig’; vermutlich auch aisl. byrr m., ags. byre ‘günstiger Wind’, mnd. bore-los ‘ohne Wind’ als ‘(das Schiff) tragend’.
Got. gabaúrþs f. ‘Geburt, Abstammung, Geschlecht’, aisl. burðr m. ‘Tragen, Gebären, Geburt’, byrð f. ‘Geburt’, ags. gebyrd f., ahd. giburt, as. giburd ‘Geburt’, auch ‘Schicksal’ (=ai. bhr̥tí-ḥ, lat. fors); got. baurþei ‘Bürde, Last’, ahd. burdī f. ‘Bürde’, *bhr̥ti̯ōn-: -tīn; aisl. byrdr, ags. byrþen, byrden ds.
Aksl. berǫ, bьrati (bъrati) ‘sammeln, nehmen’, skr. bȅrēm brȁti ds., russ. berú bratь ds. usw. (slav. *bъrati trat an Stelle von alterem *bъrti nach dem Präteritalstamm bsl. *birā-), aksl. brěmę ‘Last, Bürde’, skr. brȅme, russ. mdartl. berémja, ač. břiemě (*bherǝ-men-), aksl.sъ-borъ ‘Versammlung’; ksl. brěždа ‘trächtig, schwanger’, russ. berëžaja ‘trächtig (von der Stute)’, skr. brȅda ds. von Kühen (*bherǝ-di̯ā), im Formans ähnlich lat. forda; aksl. brašьno ‘Speise, Nahrung’ s. unter bhares- ‘Gerste’.
Lit. bérnas ‘Jüngling; Knecht’, alit. ‘Kind’, lett. bę̄̀rns ‘Kind’; wahrscheinlich lett. bars ‘Haufe, Menge’.
Hierher mit Spezialisierung auf das Austragen des Samenkorns: transitiv lit. beriù, bėriaũ, ber̃ti ‘streuen’ (vom Getreide, dann auch von Mehl, Asche usw.), lett. beṙu, bèrt ds., im Ablautintransitiv lit. byrù, biraũ, bìrti ‘streuen, ausfallen’, lett. bir̃stu, biru, bir̃t ‘ausfallen, abfallen’, usw.
Toch. А В pär- ‘tragen, bringen, holen’, vielleicht auch in A kos-preṃ ‘wieviel?’ ku-pre ‘wenn’, täpreṃ ‘wenn’, tāpär(k) ‘jetzt’, falls zu gr. ὄ-φρα ... τό-φρα ‘solange als’ (S.129). Über hitt. bar-aḫ-zi ‘jagt’ s. Pedersen Hitt. 185.
Specht will auch (Dekl. 148), mit i- und u-Formans, ags. bri-d, bird ‘junger Vogel’, germ. brū-tis ‘Frau, Braut’, ai. bhrūṇá- ‘Embryo’, lett. braũna, čеch. brnka (*bhru-nka) ‘Nachgeburt’ hierherstellen. S. aber unter bh(e)reu- ‘quellen’.

WP. II 153 f., WH. I 483 f., 527, 569, 865, 866, Trautmann 31, E. Hermann Stud. Bait. 3, 65 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal