Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

emelt - (muggenlarve)

Etymologische (standaard)werken

Diverse auteurs (2014-), etymologische artikelen, gepubliceerd op Neerlandistiek.nl

Addenda EWN: emelt

emelt zn. ‘muggenlarve’
Nnl. hemelt (1694, van Leeuwenhoek), emelt (1784, Verhandelingen van de Maatschappy ter bevordering van den landbouw), dialectvarianten emel, hemel, melt ‘larve van de langpootmug’.
Verwante vormen: Middelnederduits amelt, emelte, Oudengels emel, æmil, ymel v. ‘rups’; Noors åme, Elfdaals oma ‘larve, rups’ v. Ook Midfries æmel, MoWFri. eamel ‘mier’?
De Noordgermaanse vormen wijzen op Proto-Germaans *ǣmōn- ‘larve’. Voor de Westgermaanse vormen twijfelt Kroonen 2013: 117 tussen *ǣmilō- en *amilō-. Het eerste zou de verbinding met *ǣmōn- ‘larve’ het duidelijkst tot uiting brengen, maar het Brabants en Limburgs hebben overwegend emelt(e), met een klinker die eerder wijst op *amilō- – tenzij het woord in de twintigste eeuw al sterk door de standaardtaal beïnvloed was. Het grote aantal concurrerende woorden voor ‘emelt’, binnen eenzelfde dialect, kan daarop duiden.
De vervanging van emel door vrouwelijk emelte in het Nederlands en Nederduits verklaart Kroonen uit de invloed van WGm. *hurnutō- ‘horzel’, het vrouwelijk pendant van *hurnuta- ‘horzel’ (vgl. Oudsaksisch m. hornut, v. horneta, MNl. v. hornete, Nhd. v. Hornisse). Het Proto-Germaans kent verschillende andere diernamen met het suffix *-ut-, *-it-, zoals *albut- ‘zwaan’ (Ned. elft), *ganuta- ‘ganzerik’, *heruta- ‘hert’ en *krabita- ‘kreeft’.
[Michiel de Vaan, gepubliceerd op 27-08-2015]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

emelt* [muggenlarve] {1809} middelnederduits amelte, emelte [larve], oudengels emel, ymel [rups] verwant met aamt.

hamel1* [insect] {1872} nevenvorm van emelt.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

emelt znw. v. ‘larve van de langpootmug’, mnd. amelte, emelte ‘mijt, larve’. — Zie de onder aamt genoemde verwanten.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

aamt. Zie v.Wijk Aanv. en voeg bij: ndl. emelt(e) ‘larve (van langpootmug en meikever)’, ags. emel, ymel ‘rups’, mnd. ēmel ( = āmelte) ‘larve”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

emelt v., + Ndd. emelte, emel, Oostfr. amel, Ags. æmil (Eng. emil), wellicht een afleid. van denz. wortel als Ohd. ameiʒa (Nhd. ameise), Ags. æmette (Eng. emmet en ant), dat ook van onbek. oorspr. is.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal