Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

embouchure - (mondstuk van blaasinstrument)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

embouchure [monding, mondstuk] {1824} < frans embouchure, van emboucher [de mond zetten aan, in de mond doen, een riviermond binnenvaren], van en [in] + bouche [mond] < latijn bucca [volgestopte wang, kaak], van een stam met de betekenis ‘zwellen’, waarvan ook is afgeleid pok.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

ambesjuur, ammez(j)uur, zn.: mondstuk (van blaasinstrument), de juiste mondzetting bij het blazen. Fr. embouchure ‘mondstuk’, afl. van bouche ‘mond’ < Lat. bucca ‘opgeblazen wang’. Ammezjuur door assimilatie mb > mm.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

ammezuur, ammesuur, ammesier, zn.: mondstuk (van blaasinstrument), de juiste mondzetting, het goede gevoel, voldoende adem en kracht bij het blazen; inspiratie. Door assimilatie mb > mm uit Fr. embouchure ‘mondstuk’, afl. van bouche ‘mond’.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

ammezuur zn. v.: mondstuk (van blaasinstrument); kracht, fut, vaart, leven. Door assimilatie mb > mm uit Fr. embouchure, afl. van bouche ‘mond’. De tweede betekenis is ontstaan in de taalkring van muzikanten. Wie een goede embouchure heeft, kan krachtig spelen.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

ammezuur (B), zn. v.: mondstuk (van blaasinstrument). Door assimilatie mb > mm uit Fr. embouchure, afl. van bouche 'mond'.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

ammezuur embouchure (Achel-Hamont). « fra. embouchure ‘mondstuk v.e. muziekinstrument, vaardigheid om daarop te blazen’. Afl. van fra. emboucher ‘de mond zetten aan’, gevormd uit en ‘in’ en bouche ‘mond’ (‹ lat. bucca ‘opgeblazen wang’).
Bernaerts 17.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

embouchure mondstuk van blaasinstrument 1824 [WEI] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal