Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

els - (priem)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

els 2 zn. ‘gebogen priem’
Mnl. elsne ‘id.’ [1240; Bern.], elsene ‘id.’ [1350-1400; MNW]; vnnl. een elsen ‘id.’ [1552; Apherdianus]; vnnl. elssen (mv.) ‘elsen’ [1666; WNT], els ‘els’ [1714; WNT].
Ontstaan naast de oudere vorm elsen ‘id.’, doordat deze ten onrechte als een meervoudsvorm werd geherinterpreteerd.
Mnd. else(ne), alse; ohd. alansa (met nasaalmetathese); < pgm. *alasnō-/*alisnō- ‘priem’. Aan het Germaans zijn wrsch. zeer vroeg ontleend (via het vulgair Latijn) Oudfrans alesne (Nieuwfrans alêne), Italiaans lesina, Spaans alesna.
Afleiding met pgm. *al- ‘priem’, zie → aal 3.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

els2*, elst [priem] {elsene, els(n)e 1201-1250} gevormd met een achtervoegsel dat in het middelnl. nog bewaard bleef, maar later afviel, omdat vormen van het type elsen werden aangezien voor meervouden. Vgl. oudhoogduits alunsa, alansa, oudnoors alr, oudengels æl, oudhoogduits ala zonder het achtervoegsel.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

els 2 znw. v. ‘priem’, mnl. elsene, elsen (daaruit verkort, omdat men in -en een mv.-uitgang voelde, evenals in zeis) < germ. grondvorm *alisnō, naast *alusnō-, alasnō- in mnl. nnl. dial. alsene, ohd. alunsa, alansa. Een frankisch *alisna is overgegaan in de romaanse talen: fra. alène, prov. alesna, ital. lesina, sp. lesna. — Het woord is met een suffix -isnō, -asnō, -usnō gevormd van een grondwoord *ala-, dat optreedt in on. alr ‘priem’ en met lange klinker in aal 2.

De oude vorm elsene waarsch. > ne. dial. elsin (sedert ± 1440, vgl. Bense 90).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

els II (priem). Uit mnl. elsen(e) ontstaan, doordat men hier een verbogen casus of een mv. in voelde (vgl. zeis, droesem). Dial. bestaat elsen nog, ook elsem. Mnl. elsene veronderstelt germ. *alisnô- naast *alusnô-, *alasnô- > ohd. alunsa, alansa v., mnl. nnl. dial. (vla.) alsene “els, priem”. Spa. alesna, it. lesina, fr. alène “aal, priem” komen van dit germ. woord. Met hetzelfde suffix is mnl. seissen(e) gevormd, zie zeis. Een korteren stam vertoonen on. alr m. “els, priem” en met ablaut aal II.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

els II (priem). De verwijzing naar droesem moet vervallen: zie aldaar Suppl. — Vgl. aal II Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

els 2, elsen, elsem v., resp. m., resp. m. (priem), Mnl. elsen, elsene + Ohd. alunsa voor alusna: een afleid. van aal 4; Ndl. els ontstond uit elsen, als een verbogen naamval of een meerv. opgevat. Ging in ’t Rom. over: Fr. alène, Sp. alesna, It. lesina.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

als, zn.: els, priem. Uit Mnl. alsene ‘els’, Vnnl. alsene ‘els’ (Kiliaan). Ohd. alunsa, alansa. Daarnaast Mnl. elsene, Vnnl. elssene (Kilaan). Fr. alène, Prov. alesna, It. lesina, Sp. lesna < Frankisch *alisna, Germ. alisnô-. Elsen, alsen, resp. afl. met suffix -isnô, -asnô van *ala- in b.v. On. alr ‘priem’. In het Ndl. is het achtervoegsel -en weggevallen, omdat alsen, elsen als een meervoudsvorm aangevoeld werd.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

elsen, zn.: els, schoenmakersels. Mnl. elsen(e), alsene ‘els’, Vnnl. elssene, alsene ‘els’ (Kiliaan). Ohd. alunsa, alansa. Fr. alène, Prov. alesna, It. lesina, Sp. lesna < Frankisch *alisna, Germ. alisnô-. Afl. met suffix –isnô, -asnô van *ala- in b.v. On. alr ‘priem’. In het Ndl. is het achtervoegsel -en weggevallen, omdat elsen als een meervoudsvorm aangevoeld werd.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

elsen, zn.: els, schoenmakersels. Mnl. elsen(e), alsene ‘els’, Vnnl. elssene, alsene ‘els’ (Kiliaan). Ohd. alunsa, alanse. Fr. alène, Prov. alesna, It. lesina, Sp. lesna < Frankisch *alisna, Germ. alisnô-. Afl. met suffix –isnô, -asnô van *ala- in b.v. On. alr ‘priem’. In het Ndl. is het achtervoegsel -en weggevallen, omdat elsen als een meervoudsvorm aangevoeld werd.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

els s.nw.
Staalstiffie met skerp punt o.a. om gaatjies in leer te steek.
Uit Ndl. els, elst (Mnl. alsene, elsene, elsne, elsen, else) 'priem'. Die agterv. in Mnl., waarmee verskillende soorte else aangedui is, het later weggeval omdat dit as 'n meervoudsuitgang beskou is.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

als els, priem (Limburg). ≠ els ‘priem’, maar = mnl. alsene ‘id.’, ohgd. alunsa, alansa ‘id.’. Dit woord bevat dus een suffix zonder umlautfactor, in tegenstelling tot els. De ohgd. vormen zijn uit *alusna, respectievelijk *alasna ontstaan. Uit mnl. alsene moet eerst *alsen ontstaan zijn. Daarna is -en als meervoudsuitgang geïnterpreteerd.
WBD II 682, NEW 156.

elsie bep. prikwerktuig (West- en Midden-Noord-Brabant en omgeving). ‹ els ‘id.’ ‹ mnl. elsene. Het element -ie is analoog achtergevoegd of een gevolg van foneemversterking.
WBD II 683, Weijnen 1980, 9-15, Naaijkens, 47.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

elsen (DB, K), elzen (K), alsen (DB), alsem (B: olsem), zn. o./m.: els, schoenmakersels. Mnl. elsen(e), alsene ‘els’; Vroegnnl. elssene, alsene ‘subuia, gal. alesne, hisp. alesna’ (Kiliaan). Ohd. alunsa, alanse. Germ. *alisnô. Fr. alêne, Prov. alesna, It. lesina, Sp. lesna < Frankisch *alisna. Afl. met suffix -isnô, -asnô van *ala in b.v. On. air ‘priem’. Het Wvl. heeft dus het achtervoegsel -en bewaard, terwijl het in het Ndl. weggevallen is, omdat elsen als een meervoud aangevoeld werd. Vgl. Wvl. zeisen, Ndl. zeis.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

els I: “priem”: Ndl. els (Mnl. elsen(e), ook dial. elsen naas Nnl., Mnl. en dial. alsene), Hd. ahle, Eng. awl; uit Germ. vorme in Rom. tale o.a. Prov. alesna, Sp. (a)lesna, It. lesina, Fr. alène, blb. hoofs. Germ.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

els ‘priem’ -> Engels † elsin ‘priem’; Schots † elshin; elsing, elsone, alshin ‘priem’; Creools-Portugees (Ceylon) els ‘priem’; Papiaments èls ‘priem’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

els* priem 1240 [Bern.]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

ēlā ‘Ahle’

Ai. ā́rā ‘Ahle’, ahd. āla f., mhd. āle ds. (germ. *ēlō) ags. ǣl; ablaut. altnord. alr m. ‘Ahle, Pfriem’, > nengl. awl neben ahd. alansa, alunsa ‘Ahle’.
Aus got. *ēla stammt apr. ylo, woraus lit. ýla ‘Pfriem’, lett. ĩlęns ds.

WP. I 156, Vasmer bei Senn Germ. Lw.-Stud. 47.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal