Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ellende - (narigheid, misère)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

ellende zn. ‘narigheid, misère’
Onl. elelendis (genitief) ‘verbanning’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. ellende ‘buitenland; verbanning’ [1240; Bern.], ‘narigheid’ in dellende ende dat tumult van derre werelt [1265-70; CG II, Lut.K].
Het tweede lid van deze samenstelling is → land. Het eerste lid, uit pgm. *alja- ‘(een) ander’, komt terug in Nederlands → elders (zie aldaar voor de Indo-Europese verwanten), Engels else ‘anders’ en bijv. ook in het toponiem Elzas, naar Oudhoogduits Eli-sazzo ‘bewoner van de andere zijde (van de Rijn)’, maar als zelfstandig woord is het vervangen door → ander.
Os. elilendi ‘vreemd land’; ohd. elilenti ‘vreemd land, verbanning’ (mhd. ellende, nhd. Elend ‘ellende’); ofri. ililend, el(l)end ‘vreemd land’, ellendichēd ‘ellende’; oe. ellende ‘vreemd land’; < pgm. *alja-landja-.
De betekenis heeft zich ontwikkeld in een periode waarin verbanning een zware straf was: wie in een ander land (‘in el-lende’) was, viel buiten de bescherming van wet en familie.
ellendig bn. ‘in misère’. Onl. elelendig ‘in een vreemd land, in ballingschap’ [10e eeuw; W.Ps.].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ellende* [beroerdigheid] {oudnederlands elelendi 901-1000, middelnederlands ellende [een ander land, het verblijf daar, ballingschap, droevig lot]} oudsaksisch elilendi, oudhoogduits elilenti; van el- (vgl. elders) + land, opgekomen als vertaling van latijn captivitas, exilium.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

ellende

Er zijn van die woorden die men dagelijks gebruikt, zonder er over na te denken dat zij eigenlijk heel doorzichtig zijn. Zo’n woord is ellende. Het eerste deel kennen wij uit een woord als elders, het tweede hangt samen met het woord land. Het geheel betekent dus: ander land, vreemd land. Dan wordt het: verblijf in een vreemd land, ballingschap en daarna: de gevoelens die een balling koestert. Een ellendeling is dus eigenlijk iemand die buiten zijn vaderland leeft en door heimwee gekweld wordt. Nu is ellende ongeveer hetzelfde als rampspoed en een ellendeling is een schurk geworden. Merkwaardig is dat in de zogenaamde Statenbijbel, dat is de vertaling van de bijbel in het Nederlands die in 1637 verscheen, op voorstel van de meerderheid der vertalers niet ellende maar elende wordt geschreven. Men meende toen dat het woord samenhing met het Griekse woord eleëin: medelijden hebben.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

ellende znw. v., mnl. ellende ‘vreemd land, ballingschap’, onfrank. elelendi ‘ballingschap’, ohd. elilenti ‘vreemd land, verbanning’ (nhd. elend), ofri. ililend, ellend, elend ‘vreemd land’ (maar ellendichēd ‘ellende’ ), oe. ellende ‘vreemd land’. Het is gevormd uit *alja (zie: elders) en *lanða- (zie: land) evenals de naam Elzas (vroegmlat. Alisātia, ohd. Eli-saʒʒo) en de oernoorse term alja-markiR ‘buitenlander’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

ellende znw., mnl. ellende v. o. “vreemd land, verblijf aldaar, ballingschap, ellende”. = onfr. elelendi o. “peregrinatio”, ohd. elilenti o. “vreemd land, verbanning” (nhd. elend), os. elilendi o. “vreemd land” (het gelijkluidende bnw. ook “ongelukkig”), ofri. ililend, el(l)end o. “vreemd land” (ellendichêd “ellende”), ags. ellende o. “vreemd land”. Afleiding van germ. *alja- (zie elders) + lanða- (zie land).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

ellende v., Mnl. id. Onfra. elelendi, Os. elilendi + Ohd. elilenti (Mhd. ellente, Nhd. elend), Ags. eleland, Ofri. ililend, uit el (z. elders) en land, dus = anderlandigheid, ballingschap, ramp; vergel. Elzas, Ohd. Elisâʒʒo = ander zaat, ander woon.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

elend (zn.) ellende; Vreugmiddelnederlands ellende <1265-1270> < Duits Elend.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

ellende s.nw.
1. Beklaenswaardige toestand, nood, rampspoedigheid. 2. Gesukkel, moeilikheid.
Uit Ndl. ellende (1566 - 1600).
Ndl. ellende uit Mnl. ellende 'ander land, verblyf aldaar, ballingskap' (1599) uit 'rampspoedige toestand' (1590) uit 'nypende armoede, ontbering' (1566 - 1600). Vgl. Oudnederlands elelendi (901 - 1000), Oudsaksies elilendi, Oudhoogduits elilenti met el verkort uit elders (*alja-) en lende (*landa), lett. 'land elders', d.w.s. 'verblyf in vreemde land, ballingskap, en gevoel daardeur opgewek'. Vertaal uit Latyn captivitas en exilum, Christelike terme vir aardse ballingskap in teenstelling met hemelse vaderland.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

ellendenis: “ellende” (WAT), misk. soos benouenis en besorg(e)nis na d. vb. v. bekommernis (vgl. Kern WFA 433).

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Ellende, ellendig. Vroeger ook met één l. Uit de bet. van: in een ander land vertoevend (van al, ali, of el, go. alja, lat. alius, = anders, ook over in elders, en land, door umlaut lend), kwam die van verbannen, zeer ongelukkig, rampzalig, erg, De a in de eerste lettergreep vindt men in ouder Hollandsch nog meermalen: Houwaert, Vier Wierste 172: “Gheen allenden noch tyrannen”; v. Ghistale. Ovid. Sendtbr. 143 b: “Hij wert beroyt, dies hy nu met alinge Moet sitten roeyen.”

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Ellende (Os. eli-lendi) = in een ander land, en verder het zich daar bevinden, dus ballingschap, waaruit de bet. van armoede ontstond. Vgl. ’t Mnl.: „Het es niemen el” = ’t is niemand anders.

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

ellenden. - Naar fr. les misères; in het Nederlandsch volstaat het enkelvoud. In een andere beteekenis komt fr. misères overeen met verdrietelijkheden. || Zij (“de gemeentebesturen”) zagen dat het voortzetten des oorlogs het gezag des prinsen van Oranje dagelijks uitbreidde: zij betreurden de ellenden, waaraan de stedelingen, evenals de bewoners van het platteland, leden, SEGERS, Vondel1 51.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

ellende ‘beroerdigheid’ -> Zweeds elände ‘beroerdigheid’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands elend ‘beroerdigheid, ellendig’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ellende* beroerdigheid 1285 [CG Rijmb.]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

al-1, ol- Pron.-St. ‘darüber hinaus’, adjektivisch al-no-s, ol-no-s

Lat. uls ‘jenseits’, *ulter, -tra, -trum ‘jenseitig’ (ultrō, ultra), Komp. ulterior, Sup. ultimus = osk. últiumam ‘ultimam’; alat. ollus ‘ille’ (*ol-no-s, vgl. unten ir. ind-oll und slav. *olnī), jünger olle, ollī ‘tunc’, ollīc ‘illic’; dehnstufig ōlim ‘einst’ (wohl nach im, exim umgestaltetes und mit ai. par-āri ‘im drittletzten Jahr’ [vgl. πέρ-υσι] gleichzusetzendes *ōli, Lokativadverb, auf das auch die Glossen olitana ‘vetusta’, olitinata ‘veterata, antiqua’ - ō oder ? - zurückweisen können), umbr. ulo, ulu ‘illo, illuc’; durch Einfluß von is, iste usw. wurde ollus, olle zu ille umgefärbt.
Slav. *olnī (idg. *oln-ei) = aksl. lani, čech. loni, poln. loni ‘im vorigen Sommer, im vorigen Jahre’ (‘in jenem Jahr’, vgl. lat. ollī ‘tunc’).
Die Bed. von ir. alltar, allaid (s. unten) läßt auch Verwandtschaft von ai. áraṇa- ‘fern, fremd’ (= av. auruna- ‘wild’?), árād ‘aus der Ferne’, ārḗ ‘fern’ als möglich erscheinen. Hierzu auch vielleicht ai. arí ‘Fremder, Fremdling’, ar(i)yá- ‘zum Fremden gehörig’ (vgl. ahd. eli-lenti ‘fremdes Land’), dann Subst. ‘gastlich, Herr’, dazu ā́r(i)ya- ‘zu den ar(i)yá- gehörig, wirtlich’, daher VN ‘Arier’, āryaka- ‘ehrwürdiger Mann’, aryamáṇ- n. ‘Gastlichkeit’, m. ‘Gastfreund’; av. airyō (= ārya), apers. āriya (= ariya), arisch’, av. airyaman ‘Gast, Freund’, npers. ērmān ‘Gast’, dazu der sarmat. VN ᾽Αλανοί (osset. *alan), osset. ir ‘Ossete’, iron ‘ossetisch’ (P. Thieme1), Der Fremdling im Rigveda, Abb. f. d. Kunde d. Morgenl. XXIII 2, 1938; Specht KZ. 68, 42 ff.); air. aire (*arios) und airech ‘Adliger, Freier’ können zur Präp. air- ‘vor’, also ‘an erster Stelle stehend’, gehören (Thurneysen ZCP. 20, 354); der sagenhafte ir. Stammvater Е́remón ist eine gelehrte Neubildung zu Ériu ‘Irland’. S. auch unter ari̯o- ‘Неrr, Gebieter’.
Air. oll Adj. ‘amplus, groß, umfassend’, eigentlich ‘über (das Gewöhnliche) hinausgehend’ (formell = lat. ollus, idg. *olnos), Komp. (h)uilliu ‘amplius’, Adv. ind-oll ‘ultra’, woraus vielleicht auch innonn, innunn ‘hinüber’ (mit Assimilation unter Mitwirkung von inonn ‘derselbe’; Thurneysen KZ. 43, 55 f.; anders Pedersen KG. II 195), ol-chen(a)e ‘außerdem, sonst’, eigentlich ‘jenseits (und) diesseits davon’; ol-foirbthe ‘plusquamperfectum’, oldāu, oldaas ‘als ich, als er’, eigentlich ‘über (das) hinaus, was ich bin, was er ist’, inaill ‘sicher’, eigentlich ‘jenseits befindlich’ (davon inoillus ‘Sicherheit’; inuilligud ‘Sicherung’; mit ol(l) ‘ultra’ deckt sich vielleicht ol ‘inquit’ als ‘ultra, weiter’, ursprüngl. beim Bericht über eine fortgesetzte Rede). Die Konjunktion ol ‘weil’ hält Thurneysen Grammar 559 dagegen für verwandt mit cymr. ol ‘Fußspur’.
Daneben mit a: air. al (mit Akk.) jenseits, über - hinaus’ (Vereinfachung aus *all im Vorton), Adv. tall (*to-al-nā) ‘jenseits, dort’, anall ‘von jenseits, vondort, herüber’, mit suffigiertem Pron. der 3. Person alle, allae, jünger alla ‘jenseits’ (erweist ursprüngliche Zweisilbigkeit auch der nicht mit Pronominalsuffix versehenen Präpositionalform, s. Thurneysen KZ. 48, 55 f., also nicht aus endungslosem idg. *ol oder *al); Ableitungen: alltar ‘das Jenseits’, auch von ‘jenseits gelegenen wilden Gegenden’, alltarach ‘jenseitig’.
Gall. alla ‘aliud’, allos ‘zweiter’ (Thurneysen ZCP. 16, 299), VN Allo-broges = mcymr. all-fro ‘verbannt’ (zu bro ‘Land’), all-tud ‘Ausländer’, acymr. allann, ncymr. allan ‘draußen’; air. all-slige ‘zweites Aushauen’.
Got. alls, aisl. allr, ags. eall, ahd. all ‘all’, daneben im Kompositum germ. ala- (ohne -no-Suffix) in agerm. Matronennamen Ala-teivia, Ala-gabiae usw., got. ala-mans ‘alle Menschen, Menschheit’, ahd. ala-wāri ‘ganz wahr’ (nhd. albern); vgl. air. oll-athair (Beiname des ir. Göttervaters Dagdae ‘der gute Gott’) = anord. al-fǫðr (Beiname des Odin), ‘Allvater’.
Lat. alers, allers ‘doctus, sollers’ nach Landgraf ALL. 9, 362, Ernout Él. dial. lat. 104 aus *ad-ers, *allers (Gegensatz zu iners).
1) Wenn Thieme (aaO. 159 f.) richtig das verstarkende Präfix gr. ἐρι- (Red.-Stufe ἀρι-) hierherstellt, z. B. ἀρί-γνωτος ‘leicht (dem Fremdling) erkennbar’, müßten ai. arí- usw. allerdings auf idg. *er- zurückgehen. Thieme stellt ferner hierher ai. sūrí- ‘Herr’ als su-ri- ‘gastlich’ und ri-śā́das ‘Sorge für den Fremdling tragend’.

Von einern Adverb *ali ‘dort, jeweils’ (anders Debrunner REtIE. 3, 10 f.) sind abgeleitet:
ali̯os ‘anderer’:
arm. ail ‘anderer’;
gr. ἄλλος ‘anderer’ (kypr. αἴλος), n. ἄλλο, vgl. ἀλλοδ-απός ‘von anderswoher, fremd’ (= lat. aliud, Formans wie in lat. longinquus), dazu ἀλλήλων usw. ‘einander’, ἀλλάττω ‘mache anders, verändere’, ἀλλαγή ‘Veränderung, Wechsel, Tausch, Verkehr’: ἀλλότριος ‘einem andern gehörig, fremd’, aus einem dem ai. anyátra ‘anderswo’ entsprechenden Adverb;
lat. alius = osk. allo ‘alia’, n. aliud = gr. ἄλλο, dazu vom Adverb ali: aliēnus ‘fremd’ (aus *ali-i̯es-nos), ali-quis, ali-cubi usw.; Komparativ alter, -era, -erum ‘der eine von zweien’ = osk. alttram ‘alteram’ (aus *aliteros-), bei Plautus auch altro-; in altrinsecus, altrōvorsum ist die Synkope durch die Länge des Wortganzen bedingt; hierher auch alterāre, adulter, alternus, altercāri;
gall. alios (Loth RC. 41, 35), air. aile (*ali̯os), n. aill (aus adverbialem all aus *al-nā; das palat. l stammt von aile), cymr. ail, bret. eil (aus *eliüs, Komparativ *alii̯ōs), gedoppelt air. alaile, araile, n. alaill, araill, mcymr. usw. arall, Pl. ereill (das ll aus dem Adverb all);
got. aljis ‘anderer’, sonst nur in Zusammensetzungen, wie as. eli-lendi n. ‘fremdes Land’, ahd. eli-lenti ds. = nhd. ‘Elend’, got. alja-leikō ‘anders’, aisl. elligar, ellar, ags. ellicor, elcor ‘sonst’, ahd. elichōr ‘ferner’, und in Adverbien, wie ags. elles, engl. else ‘anders’, anord. alla ‘andernfalls’ usw.; eine Komparativbildung *alira ist ags. elra ‘der andere’;
toch. A ālya-kǝ, В alye-kǝ „ἄλλος τις” (*ali̯e-kǝ, Pedersen Groupement 26, Tocharisch 117); unklar ist das Fehlen der Palatalisierung in A ā̆lakǝ ‘anderer’, ālamǝ ‘einander’, В āläm ‘anderswo’, aletste ‘Fremder’;
ostiran. usw. hal-ci ‘quicumque’.

WP. I 84 ff., WH. I 30, 32 f., Feist 33 b, 39 a, Schwyzer Gr. Gr. I 614.
Über einen allfalligen idg. Lautwandel von *ani̯os zu *ali̯os s. Debrunner REtIE. 3, 1 ff., über angebl. pejorativen Charakter des a s. Specht KZ. 68, 52, Die alten Sprachen 5, 115.Über ani̯os s. unten S. 37 (an2).

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal