Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

eik - (loofboom (Quercus robur))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

eik zn. ‘loofboom (Quercus robur)’
Onl. in de plaatsnaam Eike ‘Aldeneik (Limburg B)’ [830, kopie 10e eeuw; Gysseling 1960]; mnl. eike ‘eik’ [1240; Bern.].
Os. ēk; ohd. eih(ha) (nhd. Eiche); ofri. ēk (nfri. iik, eek); oe. āc (ne. oak); < pgm. *aikō.
Mogelijk verwant met Latijn aesculus ‘bergeik’; Grieks aigílōps ‘soort eik’, bij de wortel pie. *h2eig- ‘eik’ [IEW 13]. Vanwege de mythologische en religieuze betekenis die deze boom bij de Germanen had, kan de naam ervan om taboeïserende redenen zijn gewijzigd; dat kan de eigenaardige Griekse en Latijnse vormen (ten opzichte van de Germaanse) verklaren. Maar het kan heel goed zijn dat het hier om een substraatwoord gaat, gezien het betekenisveld (flora) en de varianten met a- (in plaats van ai-), zoals → aak 2.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

eik* [boom] {in de plaatsnaam Eike, nu Maaseik (Belgisch-Limburg) <1139>, eike, eke 1201-1250} oudsaksisch, oudfries ēk, oudhoogduits eih, oudengels āc, oudnoors eik; buiten het germ. latijn aesculus [wintereik], grieks aigilōps [soort eik] (het tweede lid verwant met lepein [schillen]), aiganeè [werpspies], dat te vergelijken is met latijn fraxinus [es, (essenhouten) werpspies], een woord dat verwant is met nederlands berk (de betekenis van boomnamen wisselt nogal eens in de i.-e. talen).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

eik znw. m., met brabants-limb. ei voor normaal-nl. ee (vgl. eek ‘eikenschors’ ), mnl. eike, êke v. (met -e mogelijk uit andere boomnamen als linde), os. ēk, ohd. eih (nhd. eiche), ofri. ēk, oe. āc (ne. oak), on. eik. — lat. aesculus (indien < *aig-sklos) ‘bergeik’, gr. aigí-lōps ‘eikensoort’, wellicht ook krát-aigos ‘onzekere boomsoort’ (IEW 13). — Zie: eikel en eekhoorn.

H. Kuhn, KZ 71, 1954, 151 wil eik met aker 2 verbinden en neemt daarom ook een vocaalwisseling ai: a aan; in dit geval moet het germ. woord *akrana dus ‘eikel’ betekend hebben, wat alles behalve zeker is. Namen van bomen vertonen bovendien in de idg. talen vaak af wij kende betekenissen, zie daarvoor: beuk.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

eik znw., mnl. eike, êke v. “eik” (nnl. eek speciaal = “eikenschors”). De -e in het. Mnl. moet aan den invloed van linde of andere woorden worden toegeschreven. Het Oergerm. bezat wsch. alleen den cons.-stam *aik- v. “eik”: ohd. eih(hh) (nhd. eiche), os. ofri. êk, ags. âc (eng. oak), on. eík v. Buiten het Germ. vgl. lat. aesculus (aes- uit aiĝ-s-) “wintereik”, gr. aig-ílōps “een soort eik”, krát-aigos, krat-aigṓn “een soort boom”, aíg-eiros “zwarte populier”; ten onrechte is lat. îlex “steeneik” met îl- uit igsl- hierbij gebracht. Als lit. dial. anżůlas, lett. ůfůls “eik” verwant is, moet ai- oerbalt. (analogisch) in an- veranderd zijn. Alle verdere combinaties zijn onzeker. Een oudere bet. van dezen idg. boomnaam is niet op te sporen. Voor andere germ. boomnamen, die reeds in het Idg. bestonden, zie berk, beuk I, els I, es, esp, hazelaar, ijf, linde, wilg (ags. sealh, ohd. wîda): eenige andere zijn nog: hd. fichte, föhre (zie vuren I), felber, lehne.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

eik m., Mnl. eke, Os. êk + Ohd. eih (Mhd. en Nhd. eich), Ags. ác (Eng. oak), Ofri. ék, On. eik (Zw. ek, De. eg) + Gr. aigílōps = soort van eik, aígeiros = soort van populier, aiganéē = lans, aigís = schild (van eikenhout), Lat. aesculus (d.i. aig-s-) = wintereik (z. aker 2).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

eik s.nw.
Boom met 'n eiervormige vrug wat in 'n doppie vassit.
Uit Ndl. eik (al Mnl.), met Brabants-Limburgs ei i.p.v. die normale ee (vgl. eek- in eekhoring) 'boomsoort'. Eerste optekening in vroeë Afr. in 1746 in die aanhaling 'jong eijke en andere Boomen' (Resolusies van die Politieke Raad, C.124).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

eik: pln. (spp. Quercus, fam. Fagaceae); Ndl. eik (Mnl. eike/eke), Hd. eiche, Eng. oak, wsk. verb. m. Lat. aesculus, “bergeik”, Gr. aigilōps, “bep. soort eik”; uit eik met dim. suf. -el ben. v. die vrug, eikel (Mnl. eikel/ekel); v. verder akker II.

Thematische woordenboeken

W. Deconinck (2019), Plantennamen nader toegelicht, Kortrijk.

eik
Zomereik | Quercus robur L.
Wintereik | Quercus petraea Lieblein
Amerikaanse eik | Quercus rubra L.

Deze bomen heetten in het Middelnederlands onder meer eike en bij Cornelis Kiliaan in zijn Etymologicum Teutonicae Linguae (1599) staan de namen eecke en eycke. Het is dus een oude naam waarvan de verre oorsprong niet met zekerheid gekend is.

De Zomereik bloeit gewoonlijk 10 tot 14 dagen vroeger dan de Wintereik en dat zou zomer en winter in de namen van deze bomen verklaren.

De Amerikaanse eik werd als sierboom al van in de achttiende eeuw in Europa aangeplant en verwilderde. Hij is inheems in Noord-Amerika en werd van daaruit ingevoerd, vandaar zijn naam.

F. Kok (2007), Waarom brandnetel?, Nieuwegein

Eik (zomer), Quercus robur
Quercus: Latijnse naam voor de eik.
Robur: de plant straalt kracht uit.
Zomereik: de naam 'eik' is verwant aan het Oudindische 'igja' of 'godsdienstige verering', waarmee is aangegeven dat we met een bijzondere boom te maken hebben met zijn levenskracht van letterlijk eeuwen. Zomer in de Nederlandse vanwege zijn late ontluiken en zijn late bloei.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

eik ‘boomsoort’ -> Indonesisch ék ‘boomsoort’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

eik* boomsoort 1137 [Künzel]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

aig-2 ‘Eiche’

Gr. αἰγίλωψ ‘eine Eichenart’ (s. u.), vermutlich auch κράτ-αιγος, κρατ-αιγών ‘eine unbestimmte Baumart’ (etwa ‘Harteiche’).
Der Ausgang von αἰγίλωψ scheint λώψ· χλαμύς Hes., vgl. λωπίον, λώπη, λοπός ‘Schale, Rinde’ und Plin. n. h. 16, 6, 13 aegilops fert pannos arentes ...non in cortice modo, verum et e ramis dependentes, Kretschmer Gl. 3, 335.
Anord. eik (kons. St.) f. ‘Eiche’, as. ēk, ags. āc (engl. oak), ahd. eih, mhd. eich, eiche, nhd. Eiche;
Alle weitern Anreihungen sind zweifelhaft: gr. ἄιγῑρος (richtiger als αἴγειρος, s. Fick BB. 30, 273) etwa ‘Zitterpappel’ könte, als ‘Zitterbaum’ auch Ableitung von einem wie οἰκτί̄ρω gebildeten *αἰγί̄ρω ‘schwinge, zittere’sein (: *aig- ‘sich heftig bewegen’);
lat. aesculus ‘Bergeiche’ (*aig-sklos?) ist seiner Bildung nach noch unklar, vielleicht Mittelmeerwort.

WP. 110, WH. I 20, 844, Specht KZ. 68, 195 f. S. unten S. 18 Z. 1/2.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal