Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ei - (vrouwelijke geslachtscel, kiem)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

ei zn. ‘kiem’
Mnl. in achte eyere ‘8 eieren’ [1230-31; CG I, 18].
Os. ei; ohd. ei; oe. æg /-j/ (ne. egg < on.); on. egg; Krimgotisch ada < got. *addi; < pgm. *aiia(n) en *ajjaz, *ajjiz ‘ei’. Het woord is in een deel van het Germaans een -iz/-az-stam, getuige het meervoud met -er-, en behoort daarmee tot de zogenaamde boerderijwoorden zoals kalf, hoen, lam, alle met een nieuwe meervoudsuitgang -en bovenop de oude.
Verder verwant met Grieks ōión ‘ei’; Oudkerkslavisch ajĭce ‘id.’ (Bulgaars jajcé ‘ei’); bij pie. *ōuio- (IEW 783); en Latijn ōvum; Oudiers og ‘ei’; bij pie. *ōuo- (IEW 783). Vermoedelijk verwant met een woord voor vogel: Latijn avis < pie. *h2eui-, misschien een bn. met de betekenis ‘bij de vogel behorend’. De juiste relaties zijn echter niet duidelijk. Daarom wil Schindler het woord verklaren uit een prepositionele verbinding pie. *h1o-h2(e)u-om ‘wat zich bij de vogel bevindt’ met pie. h1o- ‘dichtbij’.
eierstok zn. ‘voortplantingsorgaan van de vrouw’. Nnl. eyerstokken (mv.) [1724; WNT]. Ontleend aan Duits Eierstock [1579; Kluge21]. Het tweede lid betekent in het Duits ook ‘voorraad’, zie → stok 2.
Lit.: M. Philippa (1992) ‘Het ei in de taal’, in: Het boek van het ei, Amsterdam, 33-41; Anders en Schindler (1969) ‘Die idg. Wörter für Vogel und Ei’, in: Die Sprache 15, 144-167; X. Dekeyser (1993) ‘It was more lyke to Dutche than Englysshe: Some reflections on William Caxton's Prologue to his Eneydos (1490)’, in: LB 82, 329-332; M. Philippa (1989) ‘Het meervoud op -ar in het Oudfries’, in: ABäG 28, 5-20

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ei1* [vrouwelijke geslachtscel, kiem] {1230-1231} oudsaksisch, oudhoogduits ei, oudnoors egg, waaruit oudengels æg; buiten het germ. grieks ōion, latijn ovum, welsh wy, bretons vi; het woord is verwant met latijn avis, oudindisch vi- [vogel], en betekent dus ‘het product van de vogel’. De uitdrukking eieren voor zijn geld kiezen [zich noodgedwongen tevreden stellen met een geringe vergoeding] herinnert aan tijden waarin schaarste heerste aan pasmunt, zoals onder Karel V in Friesland. Toen werd overeengekomen dat een stuiver gelijk was aan 32 eieren. Voor de uitdrukking de boel van eiers maken [iets vuil maken] vgl. het vroegere het maken als eieren die uitlopen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

ei znw. o., mnl. ei, os. ohd. ei, oe. æg, on. egg (> ne. egg), krimgot. ada < *addja. Blijkens de mv. vormen op r is het een oude -es: -os-stam, germ. grondvorm dus *ajjaz, *ajjiz. — Verwante woorden zijn osl. ajice, ajîce, gr. ṓion, ṓeon (< ()iom) ‘ei’ en verder lat. ovum (< *ōu̯-o-), oiers og ‘ei’, op te vatten als een adjectieve vorming bij lat. avis, oi. víḥ, véḥ ‘vogel’, gr. áetos (< *avietos) ‘roofvogel’ (vgl. Specht, Idg. Dekl. 29 en IEW 783).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

ei znw. o., mnl. ei o. Een alg. germ. o. znw.: ohd. os. ei (nhd. ei), ags. æ̂g, on. egg (eng. egg is uit het Noorsch ontleend), krimgot. ada (d = got. ddj) “ei”. De meervoudsvormen met r in het Ohd. Os. Ags. Mndl. wijzen op een stam *ajjaz-, *ajjiz-. Het naast verwant is obg. *(j)aje, waarvan ajĭce “ei”. De grondvorm hiervan is echter moeilijk vast te stellen. Vgl. ook nperz. χāya “ei”. In welke betrekking deze woorden staan tot lat. ôvum. gr. ōión, ṓbea, ōá Argeĩoi (Hes.) (gew. bij idg. *(a)wi- ”vogel” gebracht) “ei”, is moeilijk uit te maken. Onzeker is de verwantschap van germ. *ajjaz-, obg. *jaje met arm. ju, jvoy “ei”. Ier. og, kymr. wy “ei” veronderstellen een niet verwant kelt. *ugos-, -es-.

[Aanvullingen en Verbeteringen] ei. Nperz. xâya kan op oeriraansch *âvya- (= gr. ōón) teruggaan.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

ei. Nperz. xâya zou op een ar. *âva-ya- ‘ei’ kunnen wijzen (vgl. gr. ōión, v. Wijk Aanv.), dat men wel wil zien in av. apâvaya- (‘gecastreerd’?). De aan het slot genoemde kelt. woorden worden verschillend beoordeeld (WP. I, 22); wellicht zijn ze ontl. aan het Germ.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

ei 1 o. (œuf), Mnl. ei, Os. id. + Ohd. id. (Mhd. en Nhd. id.), Ags. ǽg, On. egg (Zw. ägg, De. eg), Krimg. ada (d.i. *addj-): onz. s-stam, Ug. * ājjaz- uit Idg. *oi̯os + Perz. khaya, Ru. jajcë; verder Gr. ōion, Lat. ovum (Idg. *o() -) en met onverklaarde verhouding Oier. og. Uit Skand. Eng. egg.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

ei (zn.) ei; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) eij, Vreugmiddelnederlands ei <1230-1231>.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

aar 3, zn.: ei. Dit vreemde Leuvense enkelvoud is een terugvorming van de dialectische meervoudsvorm are ‘eieren’.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

ei s.nw.
Eier.
Uit Ndl. ei (al Mnl.) 'vroulike geslagsel, kiem', 'eier'. In Afr. verouderd, en kom slegs nog voor in die uitdr. iets vir 'n appel en 'n ei (ver)koop 'spotgoedkoop (ver)koop', asook in enkele, meestal natuurwetenskaplike samestellings en afleidings, o.a. eiwit.
Die Indo-Germaanse grondvorm waarop Ndl. ei teruggaan, beteken 'produk van die voël'.

eier s.nw.
1. Kiemsel met sy omhulsels. 2. Voorwerp wat soos 'n eier (eier 1) lyk.
Uit verouderde Ndl. eier (Nieunederlands eieren), die meervoudsvorm van ei. Eerste optekening in Afr. by Changuion (1844) in die vorm eijer.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

eier: vorm ei in Afr. nog in idiom. uitdr. soos: vir ’n appel en ’n – , en in ss. soos eiwit, origens eier as ekv. (soos hoender) uit mv. v. ouer Ndl. eier (Nnl. eieren), Hd. ei, Eng. egg (Skand. vorm, vgl. egter cockney), verb. m. Lat. ovum, “eier”, onseker.

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Hen snw. Segsw.: Die hennetjie wat eerste gekekkel het, het die eier gelê, die persoon wat eerste daarvan praat, het die wind gelaat. – Dijkstra I, 19: Dy ’t earste seit // It aike (peditum) leit.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

zacht ei, zachtgekookt ei: week, al te welwillend persoon; doetje*.

De nieuwe lijkt mij een zacht ei, luit. (Bouke B. Jagt, De muskietenoorlog en andere verhalen, 1978)
Gedraag je als de capabele vrouw die je bent, in plaats van als een serviele onderkruipster of een zacht ei. (Renate Rubinstein, Korte Metten, 1988)

ei(tje): (vnl. jeugdtaal) sloom en dom persoon; maar ook: doetje*, slappeling, halfzacht iemand. Zelden van toepassing op personen van het vrouwelijk geslacht. Verkorting van zachtgekookt ei. Sedert begin jaren tachtig.

Die was een tijdje geleden zelfs verliefd op haar, maar mijn nichtje vond hem maar een ‘ei’ en bovendien had ze al een vriend. (Popfoto, december 1988)
… deze ‘kleine slome studiebolletjes’, ook wel aangeduid als ‘eitjes’, ‘guppies’, ‘Harries’ of ‘veterboys’. (Mieke de Waal, Meisjes: Een wereld apart, 1989)
God, wat een eitje is dat zeg, die Boogerd. Niks presteren en maar blij doen. (Vrij Nederland, 22/07/2000)

J. van de Kamp en J. van der Wijk (2006), Koosjer Nederlands: Joodse woorden in de Nederlandse taal, Amsterdam; inclusief ongepubliceerde aanvullingen door de auteurs

ei
■ Men zou er eieren met brood over eten, men zou er een rouwmaal om houden (zo triest is het). Een hardgekookt ei, het eerste wat men pleegt te eten na een begrafenis, symboliseert het (eeuwige) leven. Vgl. ook het ei op de seiderschotel.

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

ei van Columbus (vert. van Spaans el huevo de Colón)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

ei. In Vlaanderen trof ik de verwensing ga een ei koken! aan. Zij drukt lichte ergernis uit en betekent zo veel als ‘ga weg, maak dat je wegkomt’. → grootje.

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

ei Wat bewoog de Gentenaren in ’s hemelsnaam om aan het begin van deze eeuw een ‘borreltje’ een ei te noemen? Dachten ze daarbij aan een eivol glas? Aan de uitdrukking hij is zo vol als een ei voor ‘hij is dronken’? Had het glaasje de vorm van een ei of is het een toespeling op de veronderstelde voedingswaarde van jenever? Er zou ook nog een verband kunnen bestaan met een populair Vlaams raadseltje, dat het ei zo omschrijft:

’t En eet niet, ’t en drinkt niet,
’t En schijt of ’t en stinkt niet,
Maar daar zal ’nen tijd komen
Dat het zal eten en drinken,
Schijten en stinken.

Maar nee, de oplossing blijkt te vinden bij een verwante borrelnaam, namelijk hard ei. Omstreeks 1950 kon de Gentenaar met een hard ei drie dingen bedoelen: een hardgekookt ei, een kaakslag, of een borrel. De overgang van ‘kaakslag’ naar borrel komt bij vele borrelnamen voor, zie voor een opsomming bij opsodemieter. De borrelnaam ei zal dus wel een verkorting zijn van hard ei, een borrel die, zeker bij het ontbijt, aankomt als een kaakslag.

[Liev.-Coopm. 335, 364; Nav. 49:131]

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

ei ‘vrouwelijke geslachtscel, kiem’ -> Negerhollands ee, eiu, eyu, eju ‘vrouwelijke geslachtscel, kiem’; Berbice-Nederlands airi ‘vrouwelijke geslachtscel, kiem’; Skepi-Nederlands airə ‘vrouwelijke geslachtscel, kiem’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ei* vrouwelijke geslachtscel, kiem 1230-1231 [CG I1, 18]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

97. Voor een appel en een ei,

d.w.z. voor een kleinen prijs, voor een onbeduidende kleinigheid. Een appel is, evenals een ei, een ding van weinig waarde; vandaar bij Servilius, 76: Onze questie en is nyet om eenen appel oft om een eye, lat. non certatur de oleastro. Vgl. ook Con.-Somme, 483: Hi (God) en wil di niet betalen mit een appel, als men die kinder doet, mer hij wil dattu hem grote dinghen eyscheste; 227: Si laten hem hoors vaders erve ofcopen om een appel of om een ey. In de middeleeuwen werd niet een ei als versterkte ontkenning gebruikt, b.v. in Z. ende Lichaem, vs. 325:

 Want u gheroep ende ghecrey
 Mach u helpen niet een ey.

Reynaert I, 3163: In waers een ei niet te bat. Zie Mnl. Wdb. II, 587; De Jager, Lat. Versch. 121 en vgl. het mlat. acquiri pomo non est constantis amici; pomo ac ovo perdi solet inconstantia dici (Werner, 1). Bij Coster, 64, 1605: Om een appel, om een luer (d.i. om een kleinigheid), en bij Van Moerk. 241: Jou crediteurs die stelje wel met een ei of een appel te vrede. Eerst bij Van Effen, Spectator II, 124 vindt men: Waarom zou ik zulks voor een ey en voor een appel verkopen? vgl. Bergsma, Dr. W. 106: Veur 'n ei en 'n appel van de hand dôn. Op Goeree en Overflakkee: Voor 'n trot en 'n ot iets opruimen. In Zuid-Nederland zegt men volgens De Bo, 55; Waasch Idiot. 78 en Antw. Idiot. 162: Voor eenen appel en een ei, voor ‘entwat van niet’, en in Brabant volgens Schuermans, 115: iets verkoopen voor een pan eieren, d.i. goedkoop verkoopen; iet veur een stik brood verkoopen, voor een kleinigheid (Teirl. 219). Ook in verwante Nederduitsche dialecten is de zegsw. bekend: he verköpt öm for 'n Appel on'n Ei of 'n Ei un'n Appel, of in eenigszins anderen vorm: vor 'n Ei un Botterbrood kopen (vgl. hd. etwas für ein Butterbrot bekommen); zie Taalgids IV, 282; Eckart, 93; Wander V, 783-785; en vgl. fri.: for in apel en in aei. In het Fransch zegt men avoir quelque chose pour un morceau de pain of pour des nèfles (dus voor mispels), waarmede te vergelijken is de bij Marnix Byenc. 93 voorkomende uitdr.: Ons en is niet een platte mispel daer aen ghelegen (vgl. dial. dat is geen rotte mispel waard; zie o.a. Claes, 149).

534. Beter een half ei dan een leêge dop,

d.w.z. beter iets, al is het ook niet alles, dan niets; ‘als men het geheel (b.v. zijner wenschen) niet verkrijgen kan, moet men zich vergenoegen met wat men kan erlangen, laat staan, dat hooghartig versmaden’ (Ndl. Wdb. V, 1592; III, 3136). De uitdr. staat opgeteekend bij Campen, 11: tIs beter een half ey dan een ydel doppe, waarvoor men leest in de Prov. Comm. 128: beter eenen halven doyer dan een heel schale; bij Smetius, 157: het is beter een halve oester, dan een ijdele schelp; zie Bank. II, 400; Huygens, Korenbl. II, 185:

Klaes vond sijn wijf half maeghd, en 't stack hem in de kropp.
Wat meer! sy was met kindd.i. zwanger.: dat kost hy niet versetten:
Maer 't wijf sei, Liestentje, wat wilt ghy u ontsetten?
't Is beter een half Ey, als eenen legen dop.

Harrebomée III, 164 a en vgl. Wander I, 751: ein halbes Brot ist besser als keins; besser ein halbes Ei, als gar keins en besser halb Ey, denn eytel Dopff; het fri.: in heal aei is better as in lege dop; in het eng. better half an egg than an empty shell or half a loaf is better than no bread; zie Taalgids IV, 249; Ten Doornk. Koolman I, 382 a: bäter 'n half ei, as 'n läge dop; syn. van beter 'n blind përd as 'n lös helter (Dirksen I, 56); Eckart, 93; Woeste, 3 a; Joos, 144; Waasch Idiot. 204 b.

535. Het ei wil wijzer zijn dan de hen,

d.w.z. het kind wil wijzer zijn dan de ouders; vgl. Campen, 23: Dat ey is cloecker dan die henne; De Brune, 482: het ei dat wilt den hane leeren; Tuinman I, 356: 't ei wil 't hoen leeren; zie Wander I, 752; das ey ist (will) klüger denn die henne (sein), waar gewezen wordt op het lat.: ante barbam doces senes; Schrader, 197: sus Minervam (docere vult); fr.: c'est Gros-Jean qui remontre à son curé; het eng. Jack Sprat would teach his grandam, enz. Vgl. ook het fri.: it aei wol wizer wêze as de hin, en verder Taalgids IV, 272; Eckart, 93; Joos, 176: het ei wil wijzer zijn als het kieken; Bresemann, 265: aeaget vil laere hönen; Harreb. I, 177 a.

536. Het ei van Columbus.

Hieronder verstaat men eene zaak, die men wonderlijk acht zoolang men ze niet weet, maar onbeduidend, als een ander haar verklaard heeft. Benzoni verhaalt het eerst in zijne Historia del mondo nuovo I, 5 (Venetië 1565), dat volgens hooren zeggen Columbus in 1493 op een gastmaal bij den kardinaal Mendoza een ei op de bekende wijze zou hebben neergezet. In Calderon's La dama duende (1629), bij ons uit het Fransch vertaald als Het spookend weeuwtje en als De nachtspookende JufferTijdschrift 1, 110. komt hetzelfde verhaal met een ei voor, doch aldaar heet dit huevo de Iuanelo, het ei van den kleinen Johannes, terwijl Vasari Vite de' piu eccellenti architetti, pittori e scultori italiani, anno 1550, hetzelfde feit mededeelt als verricht door den bouwmeester Brunelleschi; zie Büchmann, bl. 450-451 en Noord en Zuid XVII, bl. 381; fr. l'oeuf de Colomb; hd. das Ei des Columbus.

537. Eieren (of appelen) kiezen voor zijn geld,

d.w.z.: ‘in plaats van het geld, dat men vordert of te vorderen heeft, eieren of appels, d.i. naar het vroeger taalgebruik, dingen van weinig waarde kiezen; bij uitbreiding: zich met minder tevredenstellen dan men aanvankelijk eischte: t.w. om althans iets te krijgen’; ook: zich uit vrees in den hoek laten jagen (Ndl. Wdb. IV, 1062). Vgl. Nav. 1898, 447, waar gewezen wordt op de Kleyne Cronycke van Jan Adr. Leeg-Water (anno 1575), die vertelt, dat in den tijd van zijne grootmoeder ‘het Mael-loon van een sack zaedt was een oortjen: ende die Luyden en konden dicwils geen oortjen by malkander versamelen, moesten daerom noch Eyeren uyt het nest nemen om het Mael-loon daer mede te betalen.’ De schaarschte van geld was in Friesland onder Karel V zoo groot, dat men hierin voorzag door met eieren te betalen; 32 eieren golden éen stuiver. Het wasschen van de hoofddoeken der rijke boerinnen kostte éen eiTijdschrift v.h. Nederl. Genootschap voor Munt- en Penningkunde, 1897, 57 en 170-172.. In de 17de eeuw komt de uitdr. voor bij Smetius, 234: Hij sal wel eijer voor het gelt nehmen, mitius aget quam prae se fert; in de Prov. Comm. 770: Voer oude scout nemt men haver; Bebel 77: pro veteri debito accipimus stramen avenae; dit ook bij De Brune, 99 en Tuinman I, 137: Voor oude en onwisse schulden, neemt men haverstroo; fr. d'un mauvais débiteur et payeur prends paille et foin pour ton labeur; Wander IV, 365: für alte Schuld nimmt man auch Bohnen (Hafer)stroh; Tuinman I, 53: hy zal wel appelen voor 't geld kiezen; Het Volk, 6 Oct. 1913, p. 2, k. 3: De meisjes wilden met de nieuwe regeling geen genoegen nemen en zegden gezamenlijk het werk op. Na zoo'n krachtig verzet koos de firma eieren voor haar geld en blijft de oude loonregeling gehandhaafd; De Arbeid, 5 Nov. 1913, p. 2: Het personeel bleef op zijn stuk staan; met dit gevolg dat de vertegenwoordiger der directie eieren voor zijn geld koos, en zegde onderhandeling toe; Nkr. VII, 4 Jan. p. 2: Gelukkig is Heemskerk geen heethoofd en koos hij eieren voor zijn geld. In het eng. to take eggs for (one's)money, een slechten ruil doen.

538. Het (of den boel) van eieren maken,

d.w.z. den boel bederven, het bont maken: vroeger ook het maken als eieren die uitloopen; vgl. Snorp. I, 38: Alle dagh, alle dagh maeck jy 't as Eyeren die uyt-loopen; maer ick vrees van jouwent wegen, datjet eens so louter selt bekoopen, dattet jou heuge sel; Doedyns, Merc. I, 420: Dat sommige dichters.... in haare verssen vreemde woorden gebruiken, die zy niet al te wel verstaan; en dat zy hier door het altemets zoo van eyeren maaken, dat zy, enz,; Tuinman I, 113: Hy heeft het van eyeren gemaakt. De zin is: hy heeft het slecht laten liggen. Het van eyeren maken noemt men ook bestruiven; II, 190; Harreb. I, 177; fri. de jonges meitsje 't fen aeijen, voeren erg kattekwaad uit; Twee W.B. 89: Die kerels make me heele plaassie nat. Eerst heb je je boel geredderd en zoodra komme ze niet uit d'r nest of ze make de boel weer van eieren.

1044. Alles op één kaart zetten.

Een zegswijze ontleend aan het hazardspel, die beteekent: al zijn geld zetten op ééne kaart; alles wagen, alles laten afhangen van ééne kaart, zijn geheele vertrouwen stellen in het geluk, dat ééne bepaalde kaart moet aanbrengen; fig. zijn geluk van ééne bepaalde handeling afhankelijk stellen, al zijn geld in één onderneming steken. Volgens Schrader, 452 ontleend aan zulk een hazardspel ‘wo die auf die Karte gesetzte Geldsumme verloren geht oder den gleichen Betrag gewinnt’. De Engelschen zeggen hiervoor to have all one's eggs in the same basket; fr. mettre tous ses oeufs dans un même panier ou mettre tout son rôt à une même broche: de Duitschers evenals wij alles auf eine Karte (ook auf einen Wurf) setzen; man musz nicht alles auf ein Schiff packen; man soll nicht alle kleider an einen Nagel hängen; zie Harreb. I, 221 b; Ndl. Wdb. VII, 701 en vgl. De Brune, 335: Men moet niet te veel eieren onder ééne hen leggen; zie ook Antw. Idiot. 400: Leg er maar niet te veul eieren onder, betrouw er maar niet te veel op.

1154. De kip met de gouden eieren slachten,

d.w.z. door winzucht en te groote begeerlijkheid oorzaak zijn, dat de bron der inkomsten niet meer kan vloeien en men alles verliest. Zie Vondel's Warande der Dieren, no. CVIII en vgl. Haagsche Post, 2 Oct. 1920, p. 1571 k. 3: Men moet het kapitaal intact houden en de rijksmiddelen zoeken uit belastingen op het inkomen. Men mag gerust een deel van de gouden eieren nemen, doch men moet nooit de kip slachten die deze eieren legt; Handelsblad, 24 Oct. 1920 (O) p. 9 k. 6: Met de hersenen der natie schikt het nog al. Niemand is zoo dom, de kip, die de gouden eieren legt, te slachten; vgl. fr. tuer la poule aux oeufs d'or.

1212. Koek en ei zijn,

d.w.z. dikke vrienden zijn, het geheel met elkander eens zijn; pot en God zijn (De Bo, 888 b); ééne gort in éénen pot zijn (Halma II, 661 cZie ook Tijdschrift XXI, 158; 202; Eckart, 166.). De oorspronkelijke zin zal wezen: twee lekkere dingen zijn, twee zaken van ongeveer dezelfde waarde, die weinig van elkander verschillen; op personen toegepast twee menschen met ongeveer dezelfde neigingen, die goed bij elkander passen, met elkander overeenkomen. Men zou dat opmaken uit een citaat uit de 15de eeuwTijdschrift XX, 246. ‘Wi en moghen neit hebben koeke ende ey, wij en moghen neit hebben onsen wille op erterike ende die eweghe blijtschap in hemelrike’, waar koek en ei beteekent twee verschillende aangename dingen. Ook eene plaats uit Smetius, 215: het is koeck en eyeren, ejusdem furfuris et farinae, dus twee koekjes van hetzelfde deeg, zooals wij zouden zeggen (fr. des choses de même farine), versterkt deze meening. De uitdrukking komt in de 17de eeuw o.a. voor bij L. Zasy, Borgerl. huyshoudingh, 1628:

Want ick hebt wel so veer met schoon praten ghebrocht,
Dat wy als Ey en Koeck d'een d'ander soet aensaghen.

Zie verder Historie der Queesters, 330: We hebben altijd een Ey en een Koek geweest, en een lijn getrocken; C. Wildsch. III, 268: Bethje is bij Oom schering en inslag, koek en ei; evenzoo bl. 342; IV, 43: Wij waren vóór ons trouwen koek en ei, scheering en inslag; Harreb. I, 177; Camera Obsc.7, bl. 166; O.K. 131; Nkr. IV, 26 Juni p. 3; VI, 21 Dec. p. 6; Handelsblad, 15 Aug. 1913, p. 6 k. 4 (avondbl.); Het Volk, 17 Jan. 1914, p. 5 k. 2; Het Volk, 12 Aug. 1915, p. 2 k. 3: In hare officieele telegrammen laat de Russische regeering het voorkomen alsof het in haar land alles koek en ei is (geen ontevredenheid is); eveneens in dien zin in Het Volk, 3 April 1915, p. 21 k. 1: Onze krant bevat heel wat militaire klachten betreffende de landmacht. Dat wil niet zeggen, dat het bij de zeemacht alles koek en ei is; Tijdschrift X, 202; 304 en vgl. het gron. t'is ijn boksem en wams (Molema, 48 a); zy zijn kaaren als de duim en voorste vinger (Tuinman II, 76; nd. se sünd ên Kopp un ên Noars; in het eng. they are like finger and thumb; hand and glove); Wander II, 7; I, 759; IV, 678; Grimm V, 2499: ain Kuch und Aier; ein Kuch und ein Mus; et is ein Arsch un ein KaukenKorrespondbl. XXVII, 63 (Brunswijk).; enen Kuk on en Ei (Eckart, 299); se sünt en Ei un ên Dop (93) of se sind ên Eierkôken (94); in het fri. hja binne broek en wammes. In Zuid-Nederland: 't is zoetemelk tusschen die twee (zie Loquela, 603).

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

ē̆i 2 Ausrufpartikel

Ai. ē ‘Ausruf der Anrede, des Sichbesinnens’ usw.; ai ds., ayi vor dem Vokativ;
av. āi vor dem Vokativ; können auch zu ai, oben S. 10, gehören;
gr. εἶα (*ei! + a) ‘wohlan!’ (daneben εἶεν);
lat. ei, hei ‘ach!’ davon, ēiulō ‘schreie auf’, oi-ei ‘oh weh!’;
air. (h)ē ‘Ausruf der Freude und des Schmerzes’;
ahd. ī; mhd. nhd. ei sind daraus nicht lautlich entwickelt;
lit. eĩ ‘Ausruf der Warnung’, lett. ei ‘hei!’;
skr. ȇj, poln. russ. ej ‘ei!’.

WH. I 396 f., Trautmann 67.

ō(u̯)i̯-om ‘Ei’, d. h. ‘das zum Vogel gehörige’, schwache Form ǝióm

Av. ap-āvaya- ‘entmannt’ (?), falls aus apa-āvaya- ‘ohne Hode’, vgl. apers. xāya ‘Ei’;
gr. att. ὠιόν (*ōu̯i̯-om), äol. ὤιον (*ōu̯ii̯-om), dor. ὤεον (*ōu̯ei-om) ‘Ei’;
cymr. wy, acorn. uy ‘Ei’ (*āu̯i̯on aus *ōu̯i̯om);
ohne , das wohl im langdiphthong. *ōu̯i̯om geschwunden war:
arm. ju, Gen. jvoj ‘Ei’ (*i̯ōi̯o-, durch Assimilation aus *ōi̯o-); lat. ōvum ‘Ei’ nach Szemerényi KZ. 70, 64 f. aus lat. *oom, idg. *ōi̯om;
aksl. ajьce, slov. jájce, ačech. vajce, čech. vejce (*ōi̯a- n.) ‘Ei’;
schwierig sind krimgot. ada (got. *addja), aisl. egg, ahd. ei, ags. ǣg ‘Ei’ (germ. *ajjaz-; ahd. Pl. eigir, ags. ǣgru erweisen -es-Stamm); vielleicht nach Specht aus *ǝi̯óm, nicht verkürzt aus urgerm. *āii̯am, idg. *ōi̯om.

WP. I 21 f., WH. II 230, Trautmann 202, Specht Idg. Dekl. 29; Specht erklärt lat. avis ‘Vogel’ aus dem endbetonten idg. Nom. Sg. ǝu̯eís; vgl. oben S. 86, wo ich noch gr. οἰωνός ‘Raubvogel’ (aus *αἰωνός, W. Schulze Kl. Schr. 662) hätte erwähnen sollen.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal