Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

eg - (landbouwwerktuig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

eg zn. ‘landbouwwerktuig’
Mnl. egghe ‘hoek’ [1277; CG I, 352], die scarpe egghe ‘de scherpe punt’ [1287; CG II, Nat.Bl.D], egghe ‘de scherpe kant van een wapen’ [1350; MNW], eene egghe metter sledde ‘een eg met slede’ [1300-1450; MNW]. Daarnaast egede ‘eg’ [1240; Bern.], eeghden (mv.) ‘eggen’ [1330; MNW].
In het Middelnederlands bestonden naast elkaar de woorden egge ‘punt, hoek’, bij uitbreiding ook ‘snijdend werktuig’; en eegde ‘eg’. Vanwege de puntige pennen op de eg, en onder invloed van het werkwoord eggen, kon het woord egge gemakkelijk de betekenis van eegde overnemen. Eegde, dat daarop uit de standaardtaal verdween, bestaat nog wel in diverse Nederlandse dialecten.
Met mnl. egge zijn verwant: os. eggia ‘scherpe kant, zwaard’; ohd. ecka ‘scherpe punt, kant’ (nhd. Ecke ‘hoek’); ofri. eg(ge) ‘id.’; oe. ecg ‘scherpe punt; zwaard’ (me. egg; ne. edge ‘hoek, rand’); on. egg ‘hoek, snede’ (nzw. egg ‘snijzijde (van mes e.d.)’); uit pgm. *agjō- ‘scherpe punt’ (waarbij ook bijv.ekster). Met mnl. eegde ‘eg’ zijn verwant (in dezelfde betekenis): os. egitha (mnd. ēgede); ohd. egida (mhd. egede); ofri. eide (nfri. eide); oe. egðe; uit pgm. *agidō- ‘eg’. Het werkwoord eggen heeft verwanten in: os. eggian; ohd. eggen; oe. ecgan; < pgm. *ag-jan-. Het Hoogduits heeft een analoge ontwikkeling gekend als die in het Nederlands: eerst mhd. egede, later vnhd. Egge ‘eg’ onder invloed van het werkwoord eggen.
Met mnl. egge en pgm. *ag-jō- zijn onder meer verwant: Latijn ācer ‘scherp’ (Frans aigre ‘zuur, scherp’), ācies ‘scherpte’, acētum (zie → azijn en → edik); Grieks okrís ‘punt’, ákōn ‘werpspies’, akmḗ ‘punt’ (zie → acne); Middeliers och(a)ir ‘hoek, rand’; Sanskrit aśri- ‘hoek, scherpe kant’; Litouws aštrùs ‘scherp’; Oudkerkslavisch osla ‘wetsteen’; bij de wortel pie. *h2eḱ-, *h2oḱ- ‘scherp’ (IEW 19). Mnl. eegde en pgm. *ag-idō- ‘eg’ stammen van dezelfde pie. wortel, maar dan met achtervoegsel *-idō < *-iþō < pie. *-et(e)h2), dat werd gebruikt voor het vormen van namen voor gereedschappen. Verwante woorden met datzelfde achtervoegsel zijn: Latijn occa ‘eg’ (uit *otikā door metathese uit *okitā); Welsh oged ‘eg’; Litouws akėčos ‘eg’ < *h2oḱ-et(e)h2 ‘eg’ (IEW 22).
eggen ww. ‘met een eg de bodem gelijkmaken’. Mnl. egghen [1330; MNW]. Afleiding van eg.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

eg1*, egge [landbouwwerktuig] {egede, egde, egge 1330} limburgs eegde, eegd, oudsaksisch egitha, oudhoogduits egida, oudfries eide, oudengels egeðe, van het ww. eggen, middelnederduits eggen, oudhoogduits ecken; buiten het germ. latijn occa, grieks oxinè, welsh oged, litouws aketės [eg], akėti [eggen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

eegde znw. v., gewestelijk en verouderd woord voor de ‘eg’; zie: eg 1.

eg, egge 1 znw. v., mnl. egghe, laat-mhd. egge is afgeleid uit het ww. eggen. Dit jonge en weinig verspreide woord verving het oudgerm. woord *agiþō, vgl. mnl. eghede (nnl. eegde), mnd. egede, eide, os. egitha, ohd. egida (mhd. egede), ofri. eide, oe. egeðe (het suffix -iþō < idg. -etā werd voor het vormen van gereedschapsnamen gebruikt evenals oe. sigðe ‘zeis’ naast lat. secare en in de vorm -iþōn: ohd. erida ‘ploeg’). De germ. stam beantwoordt aan een idg. *oketā, vgl. lat. occa (< *otikā door metathesis uit *okitā, vgl. Hirt, IF 37, 1917, 230), okymr. corn. ocet ‘eg’, lit. akė́čios, ekė́čios ‘eg’ en met andere formatie gr. oksínē ‘eg’ (IEW 22).

Gewoonlijk gaat men uit van het woord eegde, een formatie, die tot de italisch-keltisch-germaanse taalgroep behoort en dus binnen het idg. als jong te beschouwen is. Uit dit znw. zou dan het ww. eggen zijn gereconstrueerd, en ten slotte zou daaruit weer het woord egge zijn ontstaan. Dit lijkt wel zeer gecompliceerd. Evenals oe. sigðe en ohd. erida naast zich een ww. vooronderstellen, dat de handeling aanduidt (het gereedschap is immers benoemd naar het werk waartoe het dient), zo vooronderstelt ook germ *agiþō een ww. *agjan, waarvan eggen de regelmatige voortzetting kan zijn. — Daar het vaak voorkomt, dat landbouwwerktuigen, nadat zij technisch verbeterd zijn, een nieuwe naam krijgen (vgl. os. erida naast het latere ploeg) zo werd ook het oude *agiþō vervangen in het ngerm. door harfr en in het oe. door harwe (ne. harrow). Er is dus geen bezwaar voor het oudgerm. reeds een ww. *agjan aan te nemen, waarnaast als werktuignaam *agiþō stond. — Het idg. *oketā is een afleiding van een idg. wt. *ok, ak, waartoe het woord eg 2 behoort; daar zijn de verwante woorden aangegeven.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

eg, egge I (occa), mnl. egghe v. “eg” naast gewoner ēghede v., dat nog in de meeste nnl. diall. (eegd, eid enz.) de gebruikelijke benaming is. Dit ēghede = ohd. egida, os. egitha, ofri. eide, ags. egeðe v. “eg”, germ. *aʒiþô-. Ndl. eg(ge), nhd. egge v. zijn gevormd bij het ww. mnl. nnl. eggen, mnd. (waaruit nhd.) eggen = ohd. ecken > germ. *aʒjanan. Germ. aʒ- < idg. oq-, vgl. kymr. oged, lat. occa, gr. oxínē, lit. akėczos, akétės “eg”, akėti “eggen”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

egge 1 v. (werktuig), Mnl. egghe, uit eggen, dat ook in ’t Hgd. overging en er het regelmatige ecken verving; daarnevens dial. eegde, Mnl. eghede, Os. egitha + Ohd. egida, Ags. egeđa (Eng. edge), Ofri. eide + Gr. oxínē, Lat. occa, We.. oged, Lit. akėczos, van den Idg. wrt. oq, bijvorm en synon. van wrt. (z. aar 2).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

eegt, eegde, eid eg (Westhoek, Vlaanderen, Brabant, Limburg). = os. egitha ‘id.’ = ofri. eide ‘id.’. Nl. eg is echter gevormd van het bijbehorend ww. eggen. ~ lat. occa ‘id.’ ~ lit. akčios (mv.) ‘id.’.
WLD I afl II 127, FWH 150, IEW 22.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

eg I: bep. landbouwerktuig; Ndl. eg/egge (Mnl. egghe/ēghede, dial. Ndl. eegd/eid), Hd. egge, hou verb. m. Lat. occa, “eg”; hiernaas Afr. ww. eg/egge/êe (q.v.).

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Egge, landbouwwerktuig om de groote kluiten van bouwgrond te breken, of zaad met aarde te bedekken; afgel. van het ww. eggen, mnl. eggen, mnd. eggen, ohd. ecken, hgd. eggen, verwant met lat. occare (eggen) en grie. oxinès (zuur). In dialecten komt nog voor een verwant eegde, mnl. eghede, ohd. egida, os. egilha, ofri. eide.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Egge van den Idg. wt. ak = scherp zijn; ook de scherpe kant van een mes heet wel egge; vgl. ’t Mnl.: „So scarp waren der swaerde egghen”

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

eg ‘landbouwwerktuig’ -> Noord-Sotho ege ‘landbouwwerktuig’ <via Afrikaans>; Tswana êgê ‘landbouwwerktuig’ <via Afrikaans>; Zuid-Sotho ege ‘landbouwwerktuig’ <via Afrikaans>.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

eg* landbouwwerktuig 1240 [Bern.]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

ak̑-, ok̑- ‘scharf, spitz, kantig’ und ‘Stein’

1. e/o- und ā-St:
Npers. ās (dehnstufig) ‘Mühlstein’; gr. ἀκή ‘Spitze’, dehnstufig ion. ἠκή· ἀκωκή, ἐπιδορατίς, ἠκμή Hes., redupl. ἀκωκή ‘Spitze, Schneide’ (wie ἀγωγή : ἄγω); nach Kretschmer KZ. 33, 567 und Schwyzer Gr. Gr. I 348 gehört ἀκούω ‘höre’ als *ἀκ-ους- ‘das Ohr scharf habend’ hierher, s. aber 1. keu-; alb. athëtë ‘herb, sauer’; lat. acēre ‘sauer sein’, acidus ‘sauer’, acētum ‘Essig’;
mit o: mbr. convoc ar vilin ‘den Mülhlstein schärfen’, cymr. hogi ‘schärfen’, acymr. ocoluin, ncymr. hogalen, mbret. hygo(u)len, nbret. higolenn ‘Wetzstein’ (mit unklarem zweitem Bestandteil; der bret. Vokalismus des Anlauts durch den Vorton zu erklären); mc. cyfogi ‘sich erbrechen, kampfen’, mit sekundärem i̯o-Suffix acymr. cemecid, ncymr. cyfegydd (*k̑om-ok̑íi̯o-) ‘Spitzhacke’;
mit Dehnstufe: acymr. diauc, ncymr. diog, mbr. dieuc (*dē-āk̑o-) ‘faul’, mcymr. ym-am-ogawr (*-āk̑ā-r) ‘man regt sich, ist tätig’ (Loth RC. 45, 191) und mbr. eaug, nbret. eok ‘reif, aufgeweicht’ (*eks-āk̑o-), zu gall. exācum ‘centaurion lepton’ (Ernault Gloss. MBret. 201); vgl. auch oben S. 5;
schwed. ag m. ‘Sumpfgras, Cladium mariscus, Schneide’ (*ak̑ó-), mhd. ag ‘Barsch’, egle, eglinc ds., nhd. schweiz. egel, Demin. egli, aschwed. agh-borre ds., vielleicht auch schwed. agg ‘Groll, Haß’, agga ‘stechen, plagen’, norw. dial. agge ‘Zahn, Spitze’ (*ak̑o-kó- oder expressive Gemination?), sowie (mit sekundärem germ. Ablaut a : u oder aus *ak̑uko- mit Assimilation des a an u?) norw. dial. ugg ‘Stachel, Ängstigung’, schwed. dial. ugg ‘Zacke, Zahn’, anord. uggr ‘Furcht’, norw. dial. ugge ‘Flosse’; lit. akúotas* ‘Granne’, ãšaka (*ak̑o-kā) ‘Fischgräte, Kleie’ = wruss. osoka ‘cаrех’, аpr. ackons (*ak̑ōno-) ds.
----------------------
*Die baltoslav. Formen mit k beweisen keine idg. Nebenform ak-, sondern sind teilweise Lehnworte aus dem Veneto-Illyrischen, dessen Gebiet von den Balten und Slaven überschichtet worden war (Kretschmer Gl. 21, 115). Ebenso erklärt sich das g in ksl. igla oben S. 15.
----------------------
2. i- und j-Stämme:
Arm. asełn ‘Nadel’ (aus *asiłn, Meillet Esquisse 43); gr. ἀκίς, -ίδος ‘Spitze, Stachel’; lat. aciēs ‘Schärfe, Schneide, Schlachtreihe’; as. eggja f., ahd. usw. ekka ‘Spitze, Schwertschneide’, nhd. Ecke (urgerm. *aʒi̯ō, anord. egg ‘Schneide, Felsrücken’, eggja ‘schärfen, anspornen’, ags. ecg ‘Kante, Schneide, Schwert’ (daraus entlehnt mir. ecg ‘Schneide’, nbret. ek ‘Spitze’), egle Pl. ‘Grannen’, engl. ails; aksl. osla (*osъla), russ. osëłok m. ‘Wetzstein’, čech. osina f. ‘Granne’.
Über ags. eher ‘Ähre’ s. unter s-Formantien.
3. u-St.:
Gr. ἄχυρον ‘Spreu’ s. unter s-Formantien; lat. acus, -ūs f. ‘Nadel; Fischname’, acuere ‘schärfen’, acūmen ‘Spitze’, acia (*acu-i̯ā) ‘Faden zum Nähen’, aquifolium (neben ācrifolium) ‘Stechpalme’, aculeus ‘Stachel’, accipiter ‘Habicht, Falke’ (*acu-peter ‘schnellfliegend’); gall. acaunum (*akounon) ‘Felsen’; ill. ONAcumincum heute Szlankamen ‘Salzstein’ (Banat); nhd. Achel f. ‘Ährenspitze’ aus ndd. aggel (mit spirant. g) aus idg. *ak̑u-lā; ags. āwel m. ‘Gabel’, anord. soð-āll ‘Fleischgabel’ (germ. *ahwala-, idg. *ák̑u̯-olo-); falls hierher gallo-lat. opulus ‘Feldahorn’ (Marstrander, Corr. germ.-celt. 18), würde idg. *ok̑u̯-olo- anzusetzen sein; über anord. uggr usw. s. e/o-St., über ags. éar s. s-Formantien; cymr. ebill ‘Bohrer’, mbr. ebil ‘Pflock, Nagel’ (*ak̑u̯-īli̯o-); balt. *ašus in lett. ass ‘scharf, spitzig’, lit. ašutaĩ m. Pl. ‘grobe Pferdehaare’ = slav. *ošuta m. ‘Distel’ in ksl. оsъtъ, russ. osót. Ob hierher toch. A āçāwe ‘rauh’ (Van Windekens Lexique 15)?
S. auch unter *ōk̑u-s ‘schnell (scharf in der Bewegung)’.
4. Mit m-Formantien:
ak̑mo-/-ā
Gr. ἀκμή ‘Spitze, Schneide, Schärfe; höchster Punkt, Höhepunkt, Entscheidungspunkt’ (ἀκμήν Adv., ἀκμαῖος, ἀκμάζω); schwed. dial. åm ‘Sumpfgras, Cladium mariscus’ (germ. *ahma-, vgl. finn. Lw. ahma ‘equisetum’).
ak̑-men-/-mer-
Ai. aśman- n. ‘Stein, Himmel’ (als Steingewölbe, Reichelt IF. 32, 23 ff.), aśmará- ‘steinern’, av. asman- ‘Stein, Himmel’ (ai. Gen. áśnaḥ, Instr. áśnā, av. Gen. ašnō, Abl. ašnāat̰ mit -n- aus -mn-; Instr. Pl. ai. aśnāiḥ nach den o-St.); phryg. ON ᾽Ακμονία; gr. ἄκμων ‘Amboß’, ἄκμων ὁ οὐρανός; lit. ãšmens m. Pl. ‘Schneide’, akmuõ, -eñs m. ‘Stein’.
5. Mit n-Forrnantien:
ak̑en-
Ai. aśáni-ḥ ‘Pfeilspitze, Geschoß’; av. аsǝŋgа-, apers. aθanga- ‘Stein’ (*ak-en-go, Benveniste Orig. 28); gr. ἄκαινα ‘Spitze, Stachel; Längenmaß’ (aber über lat. acuna s. WH. I 9), ἀκόνη ‘Wetzstein’, ἄκων, -οντος ‘Wurfspieß’ (für älteres ἄκων, *-ονος nach den Partizipien), ἀκοντίζω ‘schleudre den Wurfspieß’, ἄκανος ‘Distelart, dorniger Pflanzenkopf’, ἀκανίζειν ‘dornige Fruchtköpfe tragen’, ἄκανθος ‘Distel’ (aus *ἀκαν-ανθος ‘Stachelblume’), ἄκανθα ‘Distel, Stachel, Dorn, Rückgrat, bes. der Fische’, ἀκαλανθίς ‘Distelfink’ (aus *ἀκανθαλίς), ἄκαθος ‘Nachen’, ἀκάτη, ἀκάτιον ‘Frauenschuh’ (*ak̑n̥to-, wohl von der spitzigen Form); lat. agna ‘Ähre’ (aus *ak̑nā); got. ahana f. ‘Spreu’, anord. ǫgn, ags. egenu f. und äegnan Pl., ahd. agana ds., nhd. Ahne, dial. Agen ‘Stengelsplitter vom Flachs oder Hanf’ (germ. *ag-, *ahanō, idg. *ak̑ǝ); lit. žem. ašnìs ‘Schneide, aufkeimende Saat’, lett. asns m. ‘hervorbrechender Keim’.
6. Mit r-Formantien:
ak̑er-, ok̑er-
Air. a(i)cher ‘scharf (vom Winde), wegen des Gen. Sg. Akeras (PN im Ogham) kein lat. Lw.; abret. acer-uission ‘mit spitzen Fingern’ (biss), ocerou Pl. ‘gespitzt’, acymr. ar-ocrion gl. atrocia; lit. ašerỹs, ešerỹs ‘Fluß-barsch’; pol. dial. jesiora (aus *aserā); anord. ǫgr ds. (aus urgerm. *agura-, idg. *ok̑r̥-o-), westnorw. augur (aus *ǫ̣gurr, jüngere Entwicklung aus ǫgr), von auga ‘Auge’ beeinflußt.
Hierher auch vielleicht der Name des Ahorns (wegen der spitzen Blattabschnitte):
lat. acer, -eris n. ‘Ahorn’ (aus acer arbor wurde vlat. acerabulus, Meyer-Lübke REW. 93), dän. ær ds. (germ. *ahira-); nhd. dial. Acher ds. (germ. *ahura-);
gr. ἄκαστος· ἡ σφένδαμνος Hes. (*ἄκαρστος, Bildung wie πλατάνιστος neben πλάτανος; zum St. vgl. auch ἄκαρνα· δάφνη Hes.); gallo-rom. *akaros, *akarnos ‘Ahorn’ (Hubschmied RC. 50, 263 f.); ahd. ahorn ‘Ahorn’ (aus schweiz. und anderen Mundarten wird allerdings ā- erschlossen, doch wird das ā- ebenso einer volksetymologischen Entstellung entsprungen sein, wie mnd. ānhorn, ālhorn, da -horn als 2. Kompositionsglied aufgefaßt auch die 1. Silbe Deuteleien aussetzte); ahorn (idg. *ak̑rno-) ist bis auf die Deklinationsklasse = ἄκαρνα, während lat. acernus ‘von Ahorn’ aus *acer-inos synkopiert ist; doch ist auch das n ersterer wohl aus dem Stoffadjektive bildenden Formans -no- und nicht aus einem r/n-St. durch Haufung beider Elemente erwachsen.
Eher gilt das für gr. ἄκορνα (*-ι̯α) ‘gelbe Distelart’ neben ἄκανος ds., vielleicht hierher auch ἄκορος ‘Kalmus’, ἄκορον ‘dessen würzige Wurzel’, vgl. mit anderem Formans noch ἄκινος f. ‘wohlriechende Blume’, ὤκιμον ‘Basilienkraut’ (wenn hierher gehörig, nach dem scharfen Geruch benannt?).
ak̑ri-, ak̑ro-
Ai. áśriḥ ‘Ecke, Kante, Schneide’, catur-aśra-ḥ ‘viereckig’; gr. ἄκρος ‘spitz’, ἄκρον, ἄκρα, ἄκρις ‘Spitze, Berggipfel’ (auch in ἀκροάομαι als ‘scharfes Gehör haben, das Ohr spitzen’, und ἀκρίς, -ίδος ‘Heuschrecke’, Kurzform für ἀκροβατοῦσα ‘auf den Fußspitzen gehend’, ἀκρίζουσα; ἀκρεμών ‘Spitze des Astes’, s. zur Bildung Brugmann Grdr. II2 1, 241); lat. (zum ā s. Frisk IF. 56, 113 f.) ācer, ācris, -e (alat. ācra, -um) ‘scharf’, osk. akrid ‘acriter’, umbr. peracri- ‘opimus’ (= lat. perācer, vgl. zur Bed. gr. ἄκρος, auch ‘oberst, vortrefflich’, und ἀκμαῖoς), lat. acerbus ‘herb, sauer, traurig’ (aus *ăcri-bho-s); vgl. gall. AXPOTALVS ‘mit hoher Stirn’, air. ēr ‘hoch’ (aus *akros); lit. ašrùs, aštrùs, alit. aštras, aksl. ostrъ ‘scharf’ (t Einschublaut).
ok̑ri-, ok̑ro-
Mit Abtonung o-: gr. ὄκρις f. ‘Spitze’ Bergspitze, Ecke, Kante’, alat. ocris m. ‘mons confragosus’, lat. mediocris ‘mittelmäßig’, eigentlich ‘auf halber Höhe befindlich’ (hier könnte Ablaut im Kompositum wie in extorris : terra, meditullium : tellūs vorliegen), Ocriculum, Interocrea, ocrea ‘Beinschiene’, umbr. ocar, ukar, Gen. ocrer ‘mons, Burgberg’, marr. ocres ‘montis’, mir. och(a)ir ‘Ecke, Rand’, daraus entlehnt cymr. ochr ‘Rand’.
Zum heteroklitischen Paradigma *ak̑-r-(g), *ak̑-n-es (auch der i-St. *ak̑i- kann sich damit verbunden haben) vgl. oben ak̑men/mer-, Pedersen KZ. 32, 247, Johansson Beitr. 9, Petersson IF. 24, 269 ff.; als beachtenswert erscheint mir davon die Anreihung von gr. Κράγος ‘Name verschiedener Berge’, ᾽Ακράγ-ας ‘Agrigentum’, die ursprüngl. ‘Fels’ bedeutet haben mögen.
7. Mit s-Formantien:
ak̑es- : ak̑s-
Gr. ἄχνη ‘Spreu’ aus *ak̑-s-nā, danach umgebildet ἄχυρον ds. statt *ἄκυρον; gr. ἀκοσ-τή ‘Gerste’ (‘die grannige’, Bildung wie lat. onus-tus, venus-tus); gr. ἠκές· ὀξύ, Hes. πυρι-ήκης ‘mit feuriger Spitze’, ἀμφήκης ‘zweischneidig’, τανύηκης ‘mit langer Spitze’ (vielleicht nur mit Dehnung im Kompositum, wonach die Länge auch im einfachen ἠκές; doch liegt dehnstufiges *āk- auch vor in ion. ἠκή· ἀκωκή, ἐπιδορατίς, ἀκμή Hes., ἠκάδα· ἠνδρωμένην γυναῖκα Hes., vgl. zur Bed. ἀκμή ‘Höhepunkt des Lebens’).
Weitergebildet in gr. ὀξύς ‘scharf’, vgl. zur Bildung lit. tamsùs zu ai. tāmas-, lit. tamsà (dazu ὀξίνη ‘Egge’ Hes.), ὄξος ‘Weinessig’. - Auch *ἀκαχμένος ‘gespitzt’ scheint *ἀκ-ακσ-μένος zu sein, Hirt IF. 12, 225.
Lat. acus, -eris ‘Spreu’, acervus (*aces-vo-s) ‘Haufe’; got. ahs Gen. *ahsis n., aisl. ax n., ahd. ahir, ehir n. (germ. *ahiz), aus dem Pl. nhd. ‘Ähre’ f., aber ags. ear (*ahuz), Dat. Sg. nordhumbr. æhher, eher ds. (Über das Nebeneinander von i-, u- und s-Stämmen, z. T. schon idg., aber besonders im Germanischen, vgl. Brugmann Vgl. Gr. II 1, 522, u. Specht Idg. Dekl. 152. Ob ein ursprüngl. idg. -es- oder -is-, bzw. -us-St.vorliegt, ist im Einzelfalle schwer zu entscheiden. Vgl. auch Sievers-Brunner Aengl. Gr. §§ 128, 2 u. 288 f.)
ak̑-sti-
Cymr. eithin m. Pl. ‘Stechginster’ (*akstīno-), daraus entlehnt mir. aittenn ds. (mit unklaren Lautverhaltnissen); lit. akstìs f. ‘Räucherspieß’ (= russ. ostъ ‘Spitze, Granne’), ãkstinas m. ‘Stachel, Ansporn’ = aksl. ostъnъ m. ‘Stachel’, čech. osten ds.
8. Mit t-Formantien:
Ai. apāṣ̌ṭhá- m. (aus *apa-aś-tha) ‘Widerhaken am Pfeil’; gr. ἀκτή ‘schroffe Küste mit Brandung; Landspitze, Erhöhung’; toch. В āç-, āççe- ‘Kopf, Beginn’ (aus *ak̑-t-).
ok̑etā ‘Egge, Gerät mit Spitzen’:
Lat. occa ‘Egge’ aus *otika durch Umstellung aus *okitā (Hirt IF. 37, 230)? Vgl. das anders gebildete gr. ὀξίνη ‘Egge’; acymr. ocet, corn. ocet, bret. oguet: ahd.egida, mhd. eg(e)de, ags. eg(e)de f. (nhd. Egge geneuert mit dem Verbum eggen aus ahd. egen, ecken, urgerm. *agjan, das seinerseits erst aus dem Subst. *agiđō rückgebildetist); lit. akė́čios, ekė́čios ‘Egge’, apr. aketes ‘Eggen’, das ē statt e stammt von dem Verbum *akēi̯ō in lit. akė́ju, akė́ti, daneben akė́ju, ekė́ti; das anlautende a- ist in unbetonter Stellung vor palatalem Vokal oft zu e geworden (Endzelin Lett. Gr. 36).

WP. I 28 ff., WH. I 6 ff., Specht Dekl. 24, 69, 125, 271, 331. Specht KZ. 62, 210 ff. (unglaubhaft).S. unter *ok̑-tōu ‘acht’, eigentlich ‘die beiden Spitzen der Hände (ohne Daumen)’.
Schwundstufiges k̑- steckt wahrscheinlich in den Stämmen k̑emen-, k̑emel-, k̑ōmen- ‘Stein, Himmel’, k̑omor- ‘Steinhammer’, k̑ēi-, k̑ōi-, ǝi- ‘schärfen, wetzen’, k̑ū̆- ‘spitz, Spieß’.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal