Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

duur - (prijzig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

duur 2 bn. ‘hoog van prijs, kostbaar’
Onl. diure [ca. 1100; Will.] en in de afleiding durlikin (accusatief ev.) ‘kostbaar’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. diere ‘kostbaar, prachtig’ [1240; Bern.], als bw. in hu diere dat lant es vercoft ‘hoe duur het land is verkocht’ [1254; CG I, 59]; nnl. in den dueren schat ‘kostbaar’ [1548; WNT], ‘hoog van prijs’ [1657; WNT].
De herkomst van het woord is onzeker.
Os. diuri ‘duur, dierbaar’; ohd. tiuri ‘waardevol, kostbaar’ (nhd. teuer ‘duur’); ofri. diore, diure ‘kostbaar’ (nfri. djoer); oe. dēore ‘geliefd, kostbaar’ (ne. dear); on. dýrr ‘kostbaar’ (nzw. dyr); < pgm. *diuri- ‘kostbaar’; als leenwoord uit het Germaans ook Fins tiuris ‘duur’.
EWgP denkt aan een secundaire afleiding pie. *dheur-io- bij een nominale basis *dheuro-, die voorkomt in de Slavische talen, bijv. Russisch durét ‘verdwazen’, Russisch durák ‘dwaas’ (zie → doerak), Oekraïens, Witrussisch durnij ‘dwaas, gek’. Het verband tussen de betekenissen is echter hoogst onduidelijk.
De vormen met -ie- zijn westelijk, evenals in → diets, → bestieren. De -ie- heeft in het Middelnederlands de overhand en is nu nog terug te vinden in het bn.dierbaar.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

duur2* [prijzig] {dier(e), du(e)re [kostbaar, dierbaar] 1285} oudsaksisch diuri, oudhoogduits tiuri, oudfries diure, oudengels diere, oudnoors dýrr; verwanten buiten het germ. zijn niet gevonden en de etymologie is onzeker.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

duur 2 bnw. ‘kostbaar’, mnl. diere, dûre ‘kostbaar, duur, dierbaar, uitstekend, schaars’, os. diuri, ohd. tiuri ‘dierbaar, kostbaar’, ofri. diōre, diūre ‘duur’, oe. diere (ne. dear) ‘dierbaar, kostbaar’, on. dȳrr ‘kostbaar, duur’. Daarnaast staat abl. mhd. mich turet ein ding of eines dinges ‘mij dunkt iets te duur’; nhd. dauern ‘medelijden inboezemen’ (met d uit oostmiddenduitse uitspraak). In het gotisch ontbreekt het woord (fins tiuris, tyyris kan ook uit het Noordgerm. stammen). Toch moet het woord blijkens de optredende ablaut oud zijn; aanknopingen in andere idg. talen ontbreken evenwel geheel.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

duur II bnw., mnl. diere, dûre “kostbaar, duur, dierbaar, voortreffelijk, schaarsch” (vgl. dierbaar). = ohd. tiuri “dierbaar, kostbaar” (nhd. teuer), os. diuri “id.”, ofri. diôre, diûre “duur”, ags. dîere “dierbaar, kostbaar” (eng. dear), on. dŷrr “kostbaar, duur”. Naast germ. *ðiuria- met ablaut mhd. mich tûret ein(es) ding(es) “ik vind iets te duur” (nhd. dauern, bedauern); û < iu is echter aan te nemen voor onfr. dûrlik “kostbaar”, os. (eenmaal Cott.) dûrliko bijw. “plechtig”. Oorsprong onbekend. Mogelijk, maar onzeker is de combinatie met gr. thaũma “wonder”: germ. *ðiuria- oorspr. “verwonderlijk, bewonderenswaardig”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

duur II bnw. Uit het Germ. fins tiuris: was het ospr. een i-stam?

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

dier 3 1bijv. (duur), Vla. vorm van duur (cf. dietsch).

duur, dier bijv., Mnl. dure, diere, Os. diuri + Ohd. tiuri (Mhd. tiur, Nhd. teuer), Ags. dýre en díere (Eng. dear), Ofri. diúre, On. dýrr (Zw. en De. dyr): niet buiten het Germ, (z. diets).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

deur (bn.) duur; Aajdnederlands diure <1100>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

duur bn., bw., (ook:) zich weinig vertonend (vaak met de bijgedachte bij anderen: uit hoogmoed). Ik heb je lang niet gezien, Lena. Je bent duur hoor, mijn schat*. Hoe gaat het dan (Helman 1954a: 10). - Etym.: In veroud. AN d. - kostbaar; dierbaar. E (veroud.) dear = eerbaar, waardig; (nu nog) geliefd.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

duur ‘kostbaar’ -> Zoeloe -dul- ‘duur zijn’ <via Afrikaans>; Javindo dier ‘kostbaar’; Negerhollands duur, dyer ‘veel kostend, hoog van prijs’; Berbice-Nederlands diru ‘kostbaar’; Sranantongo diri ‘kostbaar; kostbaar maken’ (uit Nederlands of Engels); Saramakkaans díi ‘kostbaar’ <via Sranantongo>.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

duur* kostbaar 1100 [Willeram]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1802. Peperduur,

d.w.z. zeer duur.; fr. cher comme poivre. Eene uitdrukking die herinnert aan den tijd, toen de peper zóó duur was, dat de korrels als betaalmiddel werden gebruikt,Gids, Oct. 1902, bl. 104; W. Heyd-Raynaud, Histoire du commerce du Levant, Leipzig, 1885-1886, II, bl. 658. In het Grieksch wordt thans een rijk weeuwtje een peperweeuwtje genoemd. Vandaar het wkw. peperen, duur maken. Vgl. Wildsch. I, 308: Mijn man wint zo veel geld niet als uw man, en alles is peper duur; Halma, 502: Men heeft hem dat wel gepeperd of heel duur verkogt, on lui a vendu cela bien cher, waarmede te vergelijken is Joos, 80: dat is gepeperd, dat was uit den pekel te langen; Antw. Idiot. 210 en Schuermans, 43 a: bepeperen, duur betalen; 470 a: iemand de peper d'once doen betalen, iemand doen bepeperen; weten hoeveel de peper d'once gekost heeft, gepeperd zijn, iets duur betaald hebben; Schuermans, Bijv. 238 a: iemand peperen, duur doen betalen, pakken, nijpen; fr. poivrer; hd. pfeffern; ein gepfefferter Preis; fri. piperich, peperduur.

1987. Oude (of dure) schepen blijven aan land,

d.w.z. oude of al te veel eischende meisjes blijven thuis, ongetrouwd. Zie Winschooten, 233: Duure schepen blijven aan land: het welk oneigendlijk beteekend, dat juffertjes, die haar waar al te seer op geld houden, daarom somtijds ongetrouwd blijven’. Zie Campen, 32: die duyrste schepen liggen langest an lande; De Brune, 493; Cats I, 470: ‘Dan nogh soo gebeurt het veel, dat duyre schippers veeltijts aen lant blijven’, dat op gelijke lijn staat met ‘trotsende schoonheden en trecken geen herten’; Halma, 569: De oude schepen blijven aan land, al te spijtige vrijsters blijven zonder man zitten; Harreb. II, 5 b; III, 273 b; Van Eijk I, 120; Eckart, 457: dür schäp stähn an 't Land; hd. teure Schiffe bleiben am Rande; in het Schotsch: a dear ship stands lang i' the haven (Prick).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal