Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dupe - (slachtoffer)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

dupe zn. ‘slachtoffer’
Vnnl. dupes ‘slachtoffers’ (mv.) [1697-98; WNT], er de dupe van weezen [1783; WNT].
Ontleend aan Frans dupe ‘iemand die door domheid bedrogen wordt’, ouder duppe [1426; Rey]. De verdere herkomst is niet zeker. FEW en TLF vermoeden herkomst uit Latijn upupa ‘hop (vogel)’ met “expressieve d”. Wrsch. is duppe echter te verklaren door het conjecturale werkwoord d(e)hupper ‘van zijn kuif ontdoen’, afgeleid van het Franse huppe, dat twee betekenissen had: ‘hop, stronthaan (vogel)’ en ‘kuif op de kop van sommige vogels’. Die tweede betekenis is ofwel een metonymie van de eerste ofwel een vervorming van Frans houppe ‘kuif’ (< pgm. *huppo) onder invloed van huppe ‘hop’. Een derde mogelijkheid is dat het Franse woord teruggaat op mnl. dupe, duype ‘sul, sukkel’, vgl. (Zy) cryghen oeck somtijts daer zy na jaghen, eenen loeris oft eenen anderen duypen ‘ze krijgen soms waarop zij jagen: een lomperd of een sul’ [1405; MNW]. Het zou dan kunnen behoren bij vnnl. duypen ‘bukken, buigen, sluipen’ [1599; Kil.] dat misschien met → diep en → dopen 1 verwant is.
In het Frans bleef dupe lange tijd beperkt tot het jargon van de (vals)spelers en soldeniers. Pas sinds de 17e eeuw wordt het algemener gebruikt. Dat geldt ook voor de Franse uitdrukking être dupe, die model heeft gestaan voor Nederlands de dupe zijn.
duperen ww. ‘benadelen’. Nnl. duperen ‘id.’ [1747-87; WNT]. Ontleend aan Frans duper ‘bedriegen, erin laten lopen’ [voor 1489].

EWN: ♦ duperen ww. 'benadelen' (1747-87)
ANTEDATERING: vnnl. om eerlyke lieden te duperen [1687; Muys van Holy, 3]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

dupe [bedrogene] {1697, vgl. dupe [sul, sukkel, bedrogene] 1376-1400} < frans dupe, samengetrokken uit d'huppe, d' [van], huppe [hop (vogel)] < latijn upupa [idem], een klanknabootsend woord. De betekenis van dupe is verklaarbaar uit het feit, dat de vogels een weerzinwekkend vocht kunnen afscheiden om belagers op een afstand te houden en dat daardoor ook de eieren afstotelijk zijn.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

dupe znw. m. < fra. dupe (sedert de 15de eeuw als duppe), eig. ‘hop’ (vogelnaam) dat een vervorming van lat. upupa is (Gamillscheg 329).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

† dupe znw., nnl., uit fr. dupe, dat men wel — ten onrechte — heeft afgeleid uit mnl. oudnnl. duypen ‘sukkel, lummel’ (bij Kil. duypen ‘het hoofd laten hangen’? Vgl. diep).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

dupe bedrogene 1697 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal