Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

duikelaar - (volksnaam of oude naam voor lisdodde)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

duikelaar zn. ‘buitelpoppetje, acrobaat; watervogel; soort lisdodde’
Vnnl. duyckeler, duycker ‘(onder water) duiker’ [1599; Kil.], duyckelaars ‘(oester)duikers’ [1642; WNT], duyckelaer ‘watervogel’ [1655; WNT], nnl. duikelaar ‘iemand die duikelt, ook zekere vogel’ [1801; Weiland], duikelaartjes ‘buitelpoppetjes, acrobaten’ [ca. 1860; WNT], duikelaars ‘soort lisdodden’ [1871; WNT zot II].
Nomen agentis met → -aar van het werkwoord → duikelen.
Fri. dûkelpopke.
In de verbinding slome duikelaar ‘sul’ [1899; WNT sloome duikelaar] is het eerste woord → sloom volksetymologisch ontwikkeld uit Salomo, de naam van een held uit Joodse anekdotes.

EWN: duikelaar zn. 'buitelpoppetje, acrobaat; watervogel; soort lisdodde' (1599)
ANTEDATERING: duyckelaers 'duikers' [1528; Vorsterman, R4v]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

duikelaar m., in alle bet. van duikelen. freq. van duiken; in die van spijker echter, behoort het met duiker tot dook.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

dukelaar zn. m.: vreemde kerel, onbetrouwbaar iemand. Ook uitdr. ’t is een dukelaar ‘het gaat mis’. Syn. voor dompelaar, tjompeleer. Duikelen is ook ‘dompelen’.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

dui’kelaar (de, -s), 1. Amerikaanse slangehalsvogel (Anhinga anhinga). Zie Haverschmidt 9. - 2. bigua, een soort aalscholver (Phalacrocorax olivaceus). Zie Haverschmidt 8. Behalve een duikelaar, die voor de boot uit vloog en nu en dan met een sierlijke duik onder de waterspiegel verdween, liet geen dier zich zien (Butner1960: 56). Dit cit. kan ook betrekking hebben op bet. 1.- 3. vinpootfuutkoet, een zwemvogel met een bruinachtige bovenkant, een witte onderkant en geel-met-zwarte, gelobde tenen (Heliornis fulica). - Etym.: Al deze vogels duiken onder water om hun voedsel te bemachtigen. Veroud. AN d. = naam voor alle duikende vogels. P&P (1908: 69, 73) noemen 1 en 2 resp. gewone en zwarte duikelaar. - Syn. (van 1 en 2) fis’man* (b). Opm.: In bet. 2 bij Hartsinck (1770: 113) duivelsvogel.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

duikelaar: 1) saai iemand; slome; sufferd. Verkorting van slome* duikelaar.

Hij: Duvekatersche duikelaar! (vuistslag op tafel).
Ik: vervierendeelde flikflooier! (idem).
Hij: doorgedraaide droogdrukker ! (slok bier).
Ik: verfomfaaide fruitvreter! (idem).
Na deze harde inleiding nam de conversatie onverwacht een hoffelijke wending. (De Groene Amsterdammer, 21/04/1923)
Grootmeester, die pa van jou, maar niettemin een patser, een duikelaar als meheer Okkeleen. (Willem van Iependaal, Lord Zeepsop, 1937)

2) (tijdens de Tweede Wereldoorlog) een onderduiker.

Joost begint te snappen wat duikelaars zijn. Onderduikers werden ze genoemd in het Londense Vrij Nederland: studenten en hoogleraren die zich niet willen laten ringeloren door de Duitsers en daarom uit de academiestraten zijn verdwenen; arbeiders die zich onttrekken aan dwangarbeid. (K. Norel, Vliegers in het vuur, 1963)

J. van de Kamp en J. van der Wijk (2006), Koosjer Nederlands: Joodse woorden in de Nederlandse taal, Amsterdam; inclusief ongepubliceerde aanvullingen door de auteurs

duikelaar: persoon die zich schuilhoudt op een andere plaats dan de eigen woning; duiken: zich schuilhouden, onderduiken; duikbasis: schuilplaats; zie slome duikelaar | < Ned. (iets/iemand dat/die duikelt, buitelt), met verbijzondering van betekenis.
Het is erg aantrekkelijk de beeldspraak van ‘duiken’ en ‘onderduik’ als typisch te zien voor ons natte land. Toch komt de term ‘untertauchen’ eind jaren dertig al voor in het Duitse spraakgebruik. Het is heel goed denkbaar dat joodse of andere Duitse vluchtelingen het woord meebrachten mèt het besef van de ernst van het nazi-gevaar.

— HERBERGT DUIKELAARS
nu meer dan ooit
er is geen verontschuldiging, zonder
duikelaar bent U geen Nederlander.-
[clandestien drukwerk, afgebeeld in:] (EVERT WERKMAN, 1980)
— Boven bij de andere duikelaars ga ik overleggen. Hans, de student, kan in de “engelenbak” slapen. Dat is onze verborgen kast achter een blinde muur. Er is daar een rooster voor luchtverversing en het luik kunnen we open laten. Mevrouw kan dan in Hans’ kamertje en mijnheer kan bij de jongens.
Maar negen duikelaars is te veel voor ons kleine huis. (CORRIE TEN BOOM, 1946)
— Terwijl wij dit alles meemaken, zitten in de geheime kamer zes duikelaars veilig verborgen. De Gestapo weet dat ze er zijn, maar kan nergens de kamer vinden. (CORRIE TEN BOOM, 1946)
— Ik ben goed geoefend in verhoren. Met mijn duikelaars heb ik menige avond doorgebracht, terwijl ze mij een proefverhoor afnamen. Het waren pientere jongens, die hun tante niet spaarden. Ik wist, dat ook ’s nachts de mensen dikwijls vóór moesten komen. Daarom had ik op zekere dag een jonge onderwijzer, die meestal laat naar bed ging, als ik allang sliep, gevraagd mij eens wakker te maken en te verhoren. Wanhopig dom waren toen de eerste keer mijn antwoorden. Maar hij hield vol en het werd een sport op zichzelf om “raak” te antwoorden. Na een keer of tien oefenen zei hij: “Nu gaat het best, u bent door uw eindexamen.” (CORRIE TEN BOOM, 1946)
— Van juni tot oktober 1944 kwam in kleine oplage De Duikbode uit. De redactie was onder anderen in handen van A.J.Sarlay, een gemengd gehuwde. Hij was ondergedoken na een oproep voor tewerkstelling op Schiphol. Sarlay staakte de uitgave nadat zijn mederedacteuren werden gearresteerd en gefusilleerd.
De Rotterdamse journalist I.J.Davids gaf vanaf november 1943 De Duikelaar uit ten behoeve van enkele honderden medeonderduikers in Nieuwlande in Zuidoost-Drenthe. L.Gans verzorgde de illustraties. (BEN BRABER, 1990)

Zie ook (duikjood), onderduiker

H. Kleijn (1970), Planten en hun naam: Een botanisch lexicon voor de Lage Landen, Amsterdam

Týpha | Týpha latifólia: Grote lisdodde
Týpha angustifólia: Kleine lisdodde
Omtrent de verklaring van de naam Typha bestaan meerdere uitleggingen.
1. Typha kan afgeleid zijn van het Griekse woord tiphos: moeras of plas, naar de natuurlijke groeiplaats.
2. Typha kan afkomstig zijn van typhe: kattestaart, naar de vorm van de bloeiwijze.
3. Typha is afkomstig van typhein: branden, naar de fakkelvormige bloeikolven of bloeiaren.
4. Typha van het Griekse woord tuphè dat afkomstig is van tuphoo: rook maken, smeulen of verbranden, omdat men met de aangestoken vrouwelijke bloeiwijzen een smeulend vuur kon aanhouden.
5. De naam gaat waarschijnlijk terug op typhos dat in overdrachtelijke zin beduidt, zich verbeelden, verbeelding hebben, omdat zij door hoge, slanke bouw een trotse indruk maakt.
In ons land komen twee soorten van dit geslacht voor en wel de bovengenoemde Grote en Kleine lisdodde. Het verschil zit in hoofdzaak in de bredere (latifolia) of smallere (angustifolia) bladeren. De eerste heeft bladeren tot een breedte van twee cm, en de tweede tot hoogstens een cm. Verder is de afstand tussen de manlijke en vrouwelijke bloeiwijze bij de eerste zeer gering terwijl die bij de Kleine lisdodde minstens drie cm bedraagt.
Ook de grootte van de bloeiaren verschilt, hetgeen in de namen tot uiting komt. De bevolking maakt in de regel geen onderscheid tussen deze twee soorten en zij hebben dan ook, op een enkele uitzondering na, dezelfde benamingen.
De naam Lisdodde is ontstaan uit lis, vanwege de gelijkenis van de bladeren met die van de lis, en dodde in de betekenis van propachtige dikte, hetgeen slaat op de bloeiwijze. Deze laatste opvatting is van Prof. J. Vercoullie. Hij schrijft: ‘Dodde van de Hoogduitse deutte, dutte, dodde: propachtige dikte.’ Hieraan kunnen we toevoegen, dat we ook spreken van op een dot zitten, in de betekenis van een plukje of bundeltje. Volgens dr. J. de Vries in zijn Etymologisch Woordenboek: ‘Dodde, zie Dot. In de betekenis van "klein kind," is afgeleid van die van "kluwen, zuig dot". Eigenlijk een rond voorwerp (vergelijk nog noors "dott strowis", zwak mens). Ook het woord lis (dodde) zal hierbij behoren.’ Dodonaeus schrijft bij Lischdodde oft Donsen onder meer: De bloemen ‘afgevallen oft verwelkert zijnde, blijft daer een dicht in een ghedrongen vergaderinghe van wolachticheyt oft hayrkens, diemen een dodde noemt.’ De naam Donsen bij Dodonaeus slaat op de donzige vruchthaartjes of vruchtpluis. In 1423 kende men vruchtpluis reeds onder de benaming donst, zij het bij een andere plant: ‘Eens quaets hope is als die donst van de distelbloemen die van den winde wech ghedraghen wert.’ Voor de Veluwezoom staat genoteerd Donzebout, dus een staafvormige iets met dons. De naam Pluis in het graafschap Zutphen is ook duidelijk gericht op het vruchtpluis.
Voor het Zuidhollandse gebied staat opgegeven Biezegras. Deze benaming zal wel slaan, wat bieze betreft, op groeien op vochtige plaatsen, of in het water, want met bies duidde men eertijds allerlei planten aan die op dergelijke plaatsen voorkwamen. Het tweede deel - gras - attendeert op de smalle grasachtige bladeren. Het is zeer waarschijnlijk dat deze benaming duidt op de niet-bloeiende plant.
De namen Rietsigaar en Sigarenriet zullen wel door de kinderen gegeven zijn, die de vruchtaren aanstaken en er dan parmantig mee rondliepen alsof zij een sigaar rookten. Hier heeft de rolronde vorm en de bruine kleur van de vruchtaar tot deze naam geïnspireerd. Het groeien van de Lisdodde tussen het riet deed het toevoegsel riet ontstaan. Op Walcheren spreekt men van Plomper en Plompersigaren: hier moet men het plomp beschouwen in de betekenis van stomp - niet in een punt uitlopend - vanwege de stomp uitlopende bloeikolf. De rolronde vorm van de aar gaf op de Veluwezoom aanleiding tot de naam Pompstokken. Een pompstok is een buigzame stok waaraan een lap bevestigd is en die dient tot het inwendig schoonmaken van een geweerloop. Op de rolronde vorm duiden ook namen als Rietkolve, Veneknuppel, Waterknots en Waterkolf, maar deze namen duiden tevens op de groeiplaats: tussen het riet, in het water en in het veen. Benamingen die niet op de groeiplaats betrekking hebben, maar wel op de rolronde bloeiwijzen zijn: Bullepees in Groningen, Salland en het graafschap Zutphen, en de dialectische en gewestelijke vormen zoals: Bollepezen, Bollepiest, Bollepijst, Bolpeserik, Bulpezerikken en misschien ook de voor Voorne en Beierland genoteerde Butterbies. De vorm van de bloei- en vruchtaar heeft de bevolking nog tot andere benamingen geïnspireerd. Ze spreekt men in Waterland van Bouten. Dit bouten in de betekenis van stangen, staven of pijlen. Zo 286 sprak men vroeger van ‘Twee vogels schieten met één bout’ (pijl), of anders gezegd ‘Twee vliegen in een klap.’ Voor Voorne en Beierland staat opgegeven de volksnaam Piellepooi; hierin vinden we de gewestelijke vorm van pijl (piel) terug. Waarschijnlijk heeft het tweede deel van het woord, pooi, iets te maken met water of rivier. Dus een plant met een pijlvormige bloeiaar die in het water groeit. Nog andere namen zijn Duivelsstokken, Duivelsknuppels en Duivelsroede, die wel geen nadere toelichting behoeven. De volgende echter wel: Zotsknodde en Zotsknop; zij zullen wel niet meer onder het volk leven. Deze namen duiden op een oud gebruik, namelijk dat bij toneelstukken aan medespelenden die een zot of een nar moesten uitbeelden een lisdoddekolf als skepter, in de hand gegeven werd. Zelfs gaf men er de Latijnse naam van Sceptrum morionus: narrenstaf aan. De namen Pompels in Groningen, en Pommel in het graafschap Zutphen en het noordelijk deel van Groningen wijzen eveneens op de bloei- of vruchtaar, want in Groningen is een pommel een kort dik voorwerp. In ditzelfde gebied spreekt men ook van Pommelstokken. Het vruchtpluis werd in deze noordelijke provincies ook gebruikt als bed- en kussenvulling, want men spreekt of sprak(?) daar van ‘bedden van pommel’. In Zuid-Limburg komt men de naam Kattestaarten tegen, en in Groningen Kattestaart: namen die wel geen nadere toelichting behoeven.
De naam Naaldenkoker(s) in Twente duidt eveneens op de bloei- of vruchtkolf; naar onze opvatting geen onaardige naam. De kinderen voelden zich erg tot de vruchtkolven aangetrokken en verrichtten er allerlei spelletjes mee. Zo dompelden zij deze in petroleum en gebruikten ze als fakkels. Op de eilanden Walcheren, Tholen en Zuid-Beveland spreekt men van Stalkaarsen, hetgeen erop zou kunnen wijzen dat zij als verlichtingsmateriaal, gedrenkt in een of andere brandbare stof, in de stal gebruikt werden. Heukels geeft voor de Betuwe op Huil-en-duil, en tekent hierbij aan: ‘De kinderen werpen ze omhoog en roepen huil en duil, hoog in de lucht’. De namen Duikelaar en Duikers zijn volgens ons ook afkomstig van een kinderspelletje: zij gooiden de kolven boven het water in de lucht, deze doken dan onder en kwamen na een poosje met de steel weer boven water. Vandaar ook de naam Hoge gooier op Overflakkee, nemen we aan.
In Waterland en West-Friesland komt ook nog de naam Domp voor, afkomstig van dompen: voorover duiken of onder water duiken. Deze naam duidt op hetzelfde spelletje dat we hierboven bij Duikelaar vermeld hebben. Zou de naam Ruggeklopper iets te maken hebben met een spelletje, waarbij de kinderen elkaar achterna zaten en elkaar met de stevige stengel met bloeiaren te lijf gingen? Zou Ruggemeter in het Zuidhollandse ook ontstaan zijn uit een kinderspelletje? De namen Duil, Dul, en Dullen zijn volgens dr. J. de Vries uitsluitend Germaans, reden waarom er geen Indogermaanse wortel gevonden kan worden. De kinderen in Waterland noemden de plant Pluim. De rijpe vruchtaar werd door hen uitgeplozen en men liet dan de zaadjes met vruchtpluis als de pluim van een paardebloem rondstuiven.
In Groningen heet de plant onder meer Duthamer of Doethoamer. Deze naam zal, volgens ons, ontstaan zijn onder invloed van het nabije Duitse gebied. Het Oudduitse dut is afkomstig van duzeln: duizelig worden. Dus een voorwerp, hier een hamer, waarmee men iemand duizelig kon slaan. Dit is namelijk het geval: in de middeleeuwen hield men de Lisdodde voor het wapen waarmede de dood de mensen die een zonnesteek gekregen hadden, op het hoofd sloeg; andere verbasterde namen die hierop duiden zijn onder meer Doedhamels, Doezebolt, Doezebout, Doetebol, Toezebol(len), en Toessebolten. Vooral in het Groningse gebied komen deze namen voor, en slechts enkele in Friesland en oostelijk Drente. Voor Groningen geeft Heukels voor de Kleine lisdodde de naam Sneelings aan, en Sneeling zonder plaatsaanduiding voor de Grote. Zo schrijft Boekenoogen: ‘Waterplanten met lange, smalle bladeren worden in Groningen en Friesland Snêlings en Snielen genoemd.’ In het Groningse Westerkwartier komt de naam Snielings voor, waarmede men de Kaimoes (Acorus) bedoelde. Deze plant heeft evenals de Lisdodde lange, smalle bladeren, en groeit op dezelfde plaatsen als de laatstgenoemde. Daar de bloeiwijzen wel van elkaar verschillen slaan deze namen dan ook op de planten in niet-bloeiende toestand. Het verschil in bladvorm is namelijk niet groot.
De zachte viltige vruchtkolven werden algemeen gebruikt om lampeglazen schoon te maken, vandaar de namen Lampenpoetser en Lampenpuuster. Dat de plant voor de bevolking wel enige gebruikswaarde bezat kunnen we opmaken uit een keur uit Oostzaanden van 1644; daar heet het: ‘En sal daer niemant Duylen mogen halen uyt een anders Riet of Rietlant, sonder konsent van den Eygenaer, opte boeten van vijf stuyvers, de Ouders voor de kinderen.’
Men gebruikte de bladeren als stalstrooisel, om rietbossen samen te binden als dakbedekking - maar dat was minder duurzaam - en voor het bedvulsel gebruikte men het reeds vermelde pluis. Dat de kinderen zich niet onbetuigd lieten om zich spelmateriaal te verschaffen, blijkt hieruit dat de ouders aansprakelijk gesteld werden als de ‘lisdodderoof’ een te grote omvang aannam. Dat het vruchtpluis nog eeuwen werd gebruikt als vulsel, kunnen we opmaken uit de volgende advertentie van vier mei 1855 in de Haarlemsche courant: ‘3000 à 4000 ponden allerbest gewonnen en droge dullen of zeedons te koop.’ Vroeger werden de vruchtkolven veelvuldig verwerkt in de zogenaamde winterboeketten. Thans worden Typhasoorten, meestal de kleinere, gebruikt bij allerlei soorten van bloemschikking. Minder bekend is dat de plant vroeger gegeten werd; niet uit weelde nemen we aan. Zo deelt van Hall (1873) mede: ‘Het bleke deel van de stengel, ontdaan van de omgevende groene bladstelen, heeft de smaak van verse komkommers en wordt met siroop, azijn en zout in Friesland en elders wel gegeten.’ In de geneeskunde werd de plant zo goed als niet gebruikt, alleen in de volksgeneeskunde. Men wendde het vruchtpluis aan op brandwonden, maar ook als bloedstelpend middel.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

duikelaar ‘visetende vogel’ -> Papiaments dekla ‘visetende vogel’; Sranantongo doklari ‘visetende vogel’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

slome duikelaar [niet-actief, saai mens] (1819). De Nederlandse schrijver Abraham Joseph Swalff (1745-1819) schreef vaak over de ongelooflijke armoede van het Joodse proletariaat uit zijn tijd. Swalff stond bekend onder de naam Sjloume (= Salomo) Duikelaar. In de Joodse wereld was en is een groot aantal anekdotes over hem in omloop, waardoor zijn naam na zijn dood in 1819 in het algemene taalgebruik is blijven voortleven als slome duikelaar.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal