Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

duidelijk - (helder, goed waar te nemen, goed te begrijpen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

duidelijk bn. ‘helder, goed waar te nemen, goed te begrijpen’
Vnnl. duydelick ‘helder, begrijpelijk’ [1557; WNT], duydelick “expresse, significanter” (‘duidelijk, met nadruk’) [1599; Kil.].
Afleiding van het werkwoord → duiden met het achtervoegsel → -lijk.
Mnd. dûdelîk, dütlik, mhd. diutlîche, nhd. deutlich.

EWN: duidelijk bn. 'helder, goed waar te nemen, goed te begrijpen' (1557)
ANTEDATERING: een duydelicke rede 'duidelijke taal' [1556; Utenhove-bijbel, 299v]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

duidelijk* [gemakkelijk te begrijpen] {1557} vgl. middelhoogduits diutliche, van duiden.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

duidelijk bnw., eerst sedert Kiliaen, ook eerst mhd. diutlīche, dat in de plaats komt van oudere uitdrukkingen als mnd. tō dūde, ohd. in githiudi, mhd. ze diute, ofri. tō thiōthe ‘in de landstaal’ en dan ook ‘duidelijk’. — Zie: duiden en duits.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

duidelijk bnw., komt eerst sedert Kil. voor, die ’t alleen nog als bijwoord kent; evenzoo mhd. diutlîche bijw.: nhd. deutlich bnw. bijw. Een oudere uitdrukking voor “in de landstaal”, later ook “duidelijk” is ohd. in githiudi, mhd. ze diute, mnd. tô dûde, ofri. tô thiôthe. Zie verder duits. NB. Ags. geðîedan, on. þýða refl. “zich aansluiten bij”, mnl. dieden, dûden “baten” behoort niet hierbij, maar = got. þiuþjan “zegenen”; bij got. þiuþ o. “het goede”, on. þŷdr “vriendelijk”, ags. geðîede “goed”. Verwant met ier. tuath “links, noordelijk”, misschien ook ier. cumtûth “beschermen”, lat tûtus “veilig”, tueor “ik beschouw, geef acht op, bescherm”; ten onrechte is ook duiden hierbij gebracht.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

duidelijk ‘gemakkelijk te begrijpen of te zien’ -> Fries dúdlik ‘gemakkelijk te begrijpen of te zien’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

duidelijk* gemakkelijk te begrijpen of te zien 1557 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal