Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

duffel - (een wollen stof)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

duffel zn. ‘een wollen stof’
Vnnl. Kempesche, Limborghsche, Weselsche, Munstersche, Duffelsche, ende andere diegelijcke Laeckenen [1637; WNT duffelsch], 5 stucken duffels [1637; WNT]; nnl. duffel ‘duffelse overjas’ [1701-1711; WNT].
Genoemd naar de plaatsnaam Duffel (bij Antwerpen), zoals al expliciet wordt vermeld in de eerste Engelse attestatie: These Duffields, so called from a Town in Brabant, where the trade of them first began ‘deze duffels, zo genoemd naar een Brabants stadje waar men deze begon te verhandelen’ [1677; OED].
Mnd. düffel (nhd. Düffel); nfri. duffel, ne. duffel, duffle; nzw. duffel.
Vanaf de 15e eeuw maakte Duffel een ware bloeiperiode door dankzij de weefnijverheid. Duffels laken werd tot ver buiten de grenzen verkocht. De duffel als winterjas beleefde na de Tweede Wereldoorlog via het Engels een herleving als duffelcoat.
duffelen ‘stevig inpakken, warm aankleden’. Nnl. duffelen ‘id.’ [1867; WNT]. Wrsch. geen afleiding van duffel, maar een variant van doffelen, frequentatief van doffen, zie → opdoffen.

EWN: duffel zn. 'een wollen stof' (1637)
ANTEDATERING: mnl. duffelse 'van duffel' [1429; MNHWS]
EWN: ♦ duffelen 'stevig inpakken, warm aankleden' (1867)
ANTEDATERING: want voortaen, / Moet gy wel geduffelt gaen [1766; Caesmes, december]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

duffel [dikke wollen stof] {1637, vgl. duffelsch [van duffel] 1429} genoemd naar de plaats Duffel in de provincie Antwerpen, die tot in de 17e eeuw een bloeiende textielnijverheid had.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

duffel znw. o., vgl. mnd. duffelsche lakenen en duffelaer genoemd naar de stad Duffel, bij Antwerpen. — > laat-mnd. düffel, nhd. düffel, ne. duffel, de. dyffel, zw. doffel.

Vercoullie, Med. Vl. Akad. 1919, 183 heeft dit bestreden, daar er in Duffel nooit weverijen van deze stof zouden zijn geweest. Hij denkt daarom aan duffelen, doffelen ‘omwikkelen’, wat een weinig aannemelijke verklaring is voor een bepaald soort stof.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

duffel znw. onz., als voorwerpsnaam met de. Gevormd bij ’t reeds mnl. bnw. duffelsch (mnl. duffelsce lākenen), oorspr. “afkomstig uit Duffel (bij Antwerpen)”. Uit het Ndl. ndd. duffel, düffel, nhd. düffel m., de. dyffel, zw. doffel en eng. duffel.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

duffel. Reeds laat-mnd. düffel. De gangbare etymologie is bestreden door Vercoullie Vla. Acad. 1919, 183, omdat te Duffel nooit duffelweverijen geweest zijn. Indien dit juist is, zal men wegens onwraakbare oude getuigenissen, die voor de etymologie pleiten, moeten aannemen dat de benaming inderdaad als herkomst-aanduiding onjuist is geweest, of dat ospr. een andere stof ermee werd bedoeld. In ieder geval is V.’s eigen afl. uit duffelen, doffelen ‘omwikkelen’ (vgl. wvla. duffel ‘bundel vodden, prop, warme doek, winterstof’, duffelken ‘chenille’, blijkbaar jonge woorden, misschien identisch met duffel of daarvan afgeleid, resp. onder invloed daarvan opgekomen) niet overtuigend.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

duffel o., met bijvormen doefel en doffel = bundel vodden, donzige wollen stof, behoort bij doffelen, niet bij Duffel, Antwerpsen stadje, omdat daar nooit weefsels gemaakt werden. Overigens in Antwerpen heet de stof doefel en het stadje dufel. Uit Ndl. Eng. duffel, Hgd. düffel, Zw. doffel, De. dyffel.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

duffel s.nw.
Dik, growwe wolstof.
Uit Ndl. duffel (1637), 'n afleiding van die b.nw. duffels (al Mnl.), so genoem na die plek Duffel in die provinsie Antwerpen wat tot in die 17de eeu 'n bloeiende tekstielnywerheid gehad het.
D. Düffel, Eng. duffle (1677).

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

duffel (G, ZO), zn. m.: grove wollen stof. Wvl. ook 'prop, pannenlap'. Zoals Ndl. duffel 'dikke wollen stof, winterjas' en E. duffle-coat naar de plaatsnaam Duffel (prov. Antwerpen), een vroeger textielcentrum.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

duffel, zn. m.: dot, prop, kluwen (van lompen, hooi, stro); pannenlap. Zoals Ndl. duffel ‘dikke wollen stof; overjas’ en E. duffle-coat naar de plaatsnaam Duffel (prov. Antwerpen), een vroeger textielcentrum.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

duffel [+]: (veroud.) “wolstof”; Ndl. duffel, b.nw. duffels(ch), assos. m. plek Duffel (naby Antwerpen), hoewel betoog word dat daar nooit wewery v. dié stof was nie (dVri J NEW).

Thematische woordenboeken

E. Sanders (1995), Geoniemenwoordenboek, Amsterdam

duffel (1637) dikke wollen stof; zware winterjas

De Duitse taalgeleerde Tiling leidde duffel af van het Latijnse duplex ‘dubbel’. Bilderdijk dacht de herkomst te moeten zoeken in het ‘Oosterse’ diftik en de vooraanstaande Belgische etymoloog Vercoullie bracht duffel in verband met het Vlaamse werkwoord doffelen, dat onder andere ‘toestoppen’ en ‘inwikkelen’ betekent.
De theorieën van Tiling en Bilderdijk werden snel naar het rijk der fabelen verwezen, maar met Vercoullie had men meer moeite. Beweerde hij niet dat er in het stadje Duffel in de provincie Antwerpen nooit textielindustrie was geweest?
De Utrechtse taalkundige Van Haeringen maakte in 1936 een eind aan de onzekerheid. Hij sprak van ‘onwraakbare oude getuigenissen’ die pleiten voor afleiding van de plaats Duffel, en sindsdien beschouwt men deze kwestie als afgedaan.
Duffel was in de 16de eeuw een bloeiende textielstad. Maar vanwege de strategische ligging aan de rivier de Nete werd het tijdens de godsdienstoorlogen verschillende keren verwoest, te weten in 1576, in 1584 en nogmaals in 1606. De textielarbeiders trokken weg en daardoor raakte deze bedrijfstak in de eerste helft van de 17de eeuw in verval.
Zo kon het gebeuren dat in 1755 ruim 35 procent van de 2.254 inwoners van Duffel te boek stond als arme lieden. In het Engels was het woord duffle voor grove wollen stof toen allang een begrip. De vroegste vermelding dateert van 1677 en al in 1684 werden duffle coats gedragen — de verre voorouders van onze houtje-touwtje-jas. Vooral in de 19de eeuw was de duffelse jas in Europa populair bij werklieden, vissers en zeelieden. En omdat loodsen vaak korte duffelse jekkers droegen, werden zij door zeelui wel aangesproken met Duffel of Jan Duffel.
Voor woordenboekmakers heeft Duffel overigens een bijzondere betekenis omdat het de geboorteplaats is van Cornelis Kiliaan (1528-1607), de grondlegger van de wetenschappelijke lexicografie. Op het dorpsplein staat zijn buste.

Engels duffle, duffel (1677); Duits Düffel, Duffle-coat; Frans duffelcoat (1945).

Vergelijk ulster

Bilderdijk Verkl. geslachtlijst 1 (1832) 168; Taal- en Letterbode 4 (1873) 3-5; De Bo Westvl. idioticon 1 (1873) 275; De Jager Wdb. frequent. (1878) 29; Gezelle Loquela (1907) 127-128; WNT III2 (1916) 3553-3554; Vercoullie Etym. wdb. (19253) 77; Franck & Wijk Etym. wdb. (19122) 140; Haeringen Suppl. etym. wdb. (1936) 40; De Seyn Gesch.- en aardr. wdb. (19652) 340-342; Vries Ned. etym. wdb. (1971) 141; Viëtor Zeemanstaal (1972) 63; Hasquin Gemeenten van België (1980) 213; O’Hara Mode ency. (1989) 80; Rey-Debove Dict. des anglic. (19902) 254.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

duffel ‘dikke wollen stof, oorspr. afkomstig uit Duffel bij Antwerpen; winterjas daaruit’ -> Engels duffel ‘grove wollen stof’; Duits Düffel ‘dikke wollen stof; jas daaruit’; Deens duffel, dyffel ‘dikke wollen stof’; Noors dyffel ‘dikke wollen stof’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans duffel-coat ‘driekwart-lange jas met capuchon en gemaakt van dikke wollen stof’ <via Engels>; Esperanto duflo ‘driekwart-lange jas met capuchon en gemaakt van dikke wollen stof’ <via Engels>; Amerikaans-Engels duffel ‘grove wollen stof; kampeeruitrusting’.

N. van der Sijs (2009), Yankees, cookies en dollars, Amsterdam

Amerikaans-Engels duffle, 1. ruwe wollen stof vooral gebruikt voor dekens en jassen en dergelijke; 2. kampeeruitrusting (Craigie, Webster).
- Van Nederlands duffel ‘dikke wollen stof, zware (winter)jas van die stof’; overgenomen in de zeventiende eeuw en nog in gebruik
* De benaming duffel is afkomstig van de Antwerpse plaats Duffel, waar de stof oorspronkelijk werd vervaardigd. In het Amerikaans-Engels is de stofnaam duffle al in 1649 aangetroffen, terwijl hij in het Brits-Engels pas in 1677 is gevonden. Dat betekent dus dat het woord in het Amerikaans-Engels onafhankelijk van het Brits-Engels is geleend. En er werd direct al druk in de stof gehandeld. Ook de duffelse jas, in het Amerikaans-Engels duffle coat geheten, duikt al vroeg op. En niet alleen de Nederlanders dreven handel in de stof, maar ook anderen: zo werd in 1674 geschreven: ‘[Indians] buy of them [English, Dutch, and French] for clothing a kind of cloth, called duffils, or trucking cloth, ... made of coarse wool.’ En anderhalve eeuw later blijken de indianen nog steeds duffels te dragen, want in 1832 is genoteerd: ‘[The Indians] lodge in the woods, about a great fire, with the mantle of duffils they wear by day wrapt about them.’
1649 An Inventory: ... 25 yards greene tammy ... 13 peeces of duffles.
1671 He shall have a coat of Duffils, or fifteen shillings.
In het Amerikaans-Engels heeft het woord bovendien in de tweede helft van de negentiende eeuw een betekenis gekregen die het niet kent in het Nederlands, namelijk ‘kampeeruitrusting’; een duffle bag wordt gebruikt voor een plunjezak.
1884 Every one has gone to his chosen ground with too much impedimenta, too much duffle.
1925 Camp duffle and placer tools lay scattered on the ground.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

duffel* dikke wollen stof 1637 [Sanders 1995]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal