Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

drost - (gerechtsdienaar op het platte land)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

drost zn. ‘gerechtsdienaar op het platte land’
Mnl. drutsate ‘hofmeester’ [1220-40; CG II, Aiol]; drussate, drossate ‘id.’ [1260-80; CG II, Wr.Rag.].
Oude samenstelling uit pgm. *druhti- ‘schare, (militair) gevolg’ en een afleiding van de wortel pgm. *set- ‘zitten, zich bevinden’, zie → zitten. De grondbetekenis is dus ongeveer: ‘die deel uitmaakt van het gevolg (van een koning)’.
Cognaten van het hele woord zijn: mnd. droste, drotsete ‘id.’; ohd. truh(t)sāzo (nhd. Truchseß ‘id.’); ofri. drusta ‘id.’; on. dróttseti ‘id.’; < pgm. *druhti-set-. Het eerste lid wordt ook gevonden in: onl. druhtin ‘heer’ [10e eeuw; W.Ps.]; os. druht- ‘schare, gevolg’; ohd. truht ‘id.’; ofri. drecht ‘id.’; oe. dryht ‘id.’; on. drótt ‘id.’ (nzw. drott (verouderd) ‘heer’, drottning ‘koningin’); got. gadrauhts ‘soldaat’. Pgm. *druht- is de nultrap (met h in plaats van g door regressieve assimilatie van stem) van *dreug-, waarop de werkwoorden oe. drēogan en got. driugan ‘krijgsdienst doen uitvoeren’ zijn terug te voeren.
Het simplex is buiten het Germaans verwant met Litouws draũgas ‘gezelschap’; Oudkerkslavisch družina ‘troep, schare’ en drugŭ ‘vriend’; Oudiers drong ‘troep, schare’; bij de wortel pie. *dhreugh- [IEW 254]. Wellicht verder in verband te brengen met ne. throng ‘schare’, dat evenals Oudiers drong ‘schare’ een nasaalinfix vertoont. Dat zou, evenals het beperkte verspreidingsgebied, kunnen wijzen op een substraatherkomst.
De Middelnederlandse vorm drutsate veranderde door assimilatie van /t/ in drussate, en door apocope van /e/ en syncope van /a/ in drost. Dat het woord eigenlijk uit twee elementen bestond was niet meer duidelijk, en zo kon op basis van drost een nieuw geleed zn. drossaard ontstaan, met het achtervoegsel → -aard. De betekenis veranderde ook: de functie van lid van het gevolg evolueerde via hofmeester naar die van ambtelijk bestuurder. De woorden drost, drossaard zijn thans verouderd, behalve in de samenstelling landdrost, waar het woord tijdelijk nieuw leven is ingeblazen om de bestuurder van nieuwe, nog niet in de provinciale indeling opgenomen gebieden benoemen. De laatste landdrost in Nederland was Han Lammers, die deze funktie vervulde in de Zuidelijke IJsselmeerpolders tot de invoering van de provincie Flevoland in 1986.
Lit.: E.S. Dick (1965) Ae. dryht und seine Sippe, Münster

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

drossaard* [bestuursambtenaar] {drossert 1484, drossate, drossete, drost 1220-1240} het eerste lid vinden we terug in middelnederlands drochtijn, drechtijn [legerhoofd]; het tweede is hetzelfde als dat in nazaat en stamt van zitten, hoewel onder invloed gekomen van woorden als grijsaard, wreedaard; de betekenis is dus ‘hij die bij de krijgslieden is gezeten’, lett. legerzitten. Germ. verwanten zijn middelnederduits drossete, droste [drost, hofmaarschalk], oudfries drusta, dreht [drost], oudsaksisch druht, oudhoogduits truht, oudnoors drótt [gevolg van de heer], gotisch gadrauhts [krijgsman]; daarnaast, met oudere ablautbasis oudengels gedreag [schare, menigte]; vgl. verder oudiers drong, gallisch drungos [krijgsbende].

drost* [bestuursambtenaar] {1557} verkort uit drossaard.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

drossaard znw. m. heette in de Middeleeuwen drossāte ‘hofmeester, hofmaarschalk, stadhouder’. Daaruit samengetrokken drost, vooral oostnl. (waar het reeds laat-mnl. voorkomt); mnd. drossete, droste, druste ‘landdrost, hofmaarschalk’, ohd. truhsaʒʒo (nhd. truchsess) ‘hofmaarschalk’, ofri. drusta ‘landdrost’ (on. drōttseti ‘opperhofmeester’ is aan mnd. ontleend). De naam betekent ‘wie in de gevolgsschaar van de heer zit’. Het 1ste lid is het germ. *druhti, vgl. os. druht, ohd. truht, ofri. drecht, oe. dryht, on. drōtt ‘gevolg van een heer’, een ti-afleiding van het ww. got. driugan ‘krijgsdienst verrichten’, oe. drēogan ‘zich inspannen, uithouden’ en met ablaut on. drȳgja ‘uitvoeren, verrichten’. Verwant zijn verder got. gadrauhts ‘krijgsman’ en drauhtinōn ‘krijgsdienst verrichten’. De heer van het gevolg heette mnl. drochtijn (misschien uit het mhd.), os. druhtin, drohtin, ohd. truhtin, oe. dryhten, on. drōttinn. — Dezelfde organisatie van het gevolg vinden wij in het Slavisch gebied: osl. druz̄ina ‘gevolg’ bij drugŭ ‘vriend’, vgl. lit. draũgas ‘reisgenoot’. Het Keltisch heeft genasaleerde vormen: gall, drungos, oiers drong ‘krijgsschaar’. Buiten het keltisch-germaans-slavische gebied zijn geen verwanten bekend.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

drossaard znw. Met veranderden uitgang naar het suffix -aard uit mnl. drossâte m. “hofmeester, hofmaarschalk, stadhouder”. De vorm drost komt reeds in het latere Oostmnl. voor; vooral in de saks. streken is deze vorm = “landdrost, baljuw” lang blijven leven. = ohd. truhsâʒʒo (ook zz) (nhd. truchsess), mnd. drossête, droste, druste m. “landdrost, hofmaarschalk, hofmeester”, ofri. drusta m. “landdrost”, on. drôttseti m. “opperhofmeester”. De mlat. vertaling van truhsâʒʒo is “dapifer, discophorus”, en volksetymologisch is het woord wel met ohd. mhd. truht v. “alles wat gedragen kan worden” gecombineerd; dit is verwant met dragen. Maar de oudste bet. moet zijn: “beambte, die bij het gevolg zit”, vandaar “hoogste beambte”. Het tweede lid hoort bij zitten (n.- en wgerm. *-sâtian-, ook in nazaat), het eerste is ohd. truht, os. druht, ofri. drecht, ags. dryht, on. drôtt v. “schare, gevolg”, een -ti-stam bij got. driugan “krijgsdienst verrichten”, ags. drêogan “verrichten’“, met ablaut on. drŷgja “id.”. Vgl. nog got. gadraúhts m. “krijgsman”, draúhtinon “krijgsdienst verrichten”. Verwant met obg. drugŭ “vriend”, družina “gevolg”, lit. draũgas “reismakker”. Een genasaleerde basis in gall. drungos “legerafdeeling”, ier. drong “schare”. Vermoedelijk is de samenst. *druχt-sâtian- in Duitschland ontstaan en heeft zich vandaar uitgebreid. Het Mndl. kent niet meer *drocht in de bet. “schare”, wel de afl. (ook uit het Duitsch?) drochtijn m. “legerhoofd, heer, vorst” = ohd. truhtin m. “id.”, os. drohtin, druhtin, ags. dryḣten, m. “heer”, alle dikwijls (het ontleende ofri. drochten m. uitsluitend) van God gebruikt, on. drôttinn m. “heer, vorst”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

drost m., verkort uit Mnl. drossate (z. drossaard).

drossaard m., door invloed van suffix -aard, uit Mnl. drossate, waarin harde s = chts + Ohd. truhsâʒʒo (Mhd. truhtsǣʒe, Nhd. truchsesz), Ofri. drusta, On. dróttséti (Zw. dröttsat, De. drost); het eerste lid Os. druht, Ohd. truht enz. = krijgsschaar, koninklijk gevolg en is een afleid. van het 1e homon. van driegen 1; het tweede is van denz. stam als ’t meerv. imp. van zitten, dus = voorzitter van het koninklijk gevolg.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

dros I: nog in ss. landdros; sedert Eng. bewind in Kaapland (begin 19e eeu) is magistrates – Afr. magistrate as (veral) landelike amptenare by die regspleging benoem, in die O.V.S. en Tvl. sedert die begin v. d. huidige eeu, maar etlike jare gelede is die ben. landdros weer in ere herstel; drosdy, “ampswoning v. d. landdros” het egter hist. in gebr. gebly en in jongste tyd ’n neol. drosteny, “landdrosdistrik”, in gebr. gebring; Ndl. drost/drossaard (Mnl. drossate, “hofmeester”), Hd. truchsess; eerste lid hou verb. m. Oeng. dryht, “’n heer se gevolg,” en die tweede lid met die ww. sit, dus “hy wat in die heer se gevolg sitting het”.

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Drossaard, drost; mnl. drossate, hgd. Truchsess; de bet. is eerst hofmeester, dan hofmaarschalk, dan ook opzichter over de beambten, doch ook al vroeg stadhouder en baljuw. In het tweede deel ligt het ww. zetten, omtrent het eerste is geen zekerheid; dracht kan zijn menigte, krijgsschaar en zou ook kunnen zijn van een ww. dragen en dan het opgedragene beduiden: het zou dus zijn, of iemand die den gasten hun plaats aanwees aan tafel, of iemand die de spijzen opdroeg, deed opdragen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

drost ‘bestuursambtenaar’ -> Zuid-Afrikaans-Engels drost ‘bestuursambtenaar’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

drost* bestuursambtenaar 1557 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal