Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

droom - (voorstelling in de slaap; toestand dat men droomt)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

droom zn. ‘voorstelling in de slaap; toestand dat men droomt’
Mnl. droem ‘droom, slaap’ [1240; Bern.], nabugodonosor sach. Eenen drom ‘Nebukadnezar had een droom’ [1285; CG II, Rijmb.].
De etymologie is hoogst onzeker. Het woord werd vroeger wel verklaard als een afleiding *draugma- bij de wortel van → bedriegen, maar het is de vraag of een droom inderdaad als iets negatiefs werd gezien.
Ohd. troum (mhd. troum, nhd. Traum) ‘droom’; ofri. drām ‘droom’; on. draumr (nzw. dröm) ‘droom’, en misschien ook os. drōm ‘vreugde, lawaai’ en oe. drēam ‘gejubel, vreugde’; < pgm. *drauma- ‘droom’.
Het is niet duidelijk of er verband bestaat met os. drōm ‘vreugde, lawaai’ en oe. drēam ‘gejubel, vreugde, muziek’; als dat het geval is zou men kunnen denken aan een afleiding bij een werkwoord als oe. drēogan ‘doen, uitvoeren, actief zijn’ (daarbij ook: on. drýgja ‘uitvoeren’; bij pgm. *dreugan- ‘doen, uitvoeren’.). De betekenisontwikkeling zou dan van ‘activiteit’ via ‘levendigheid’ en ‘levendige voorstelling’ naar ‘(dag)droom’ kunnen lopen.

EWN: droom zn. 'voorstelling in de slaap; toestand dat men droomt' (1240)
ANTEDATERING: onl. in droume 'in een droom' [1151-1200; ONW]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

droom* [voorstelling in de slaap] {1201-1250} oudsaksisch drōm, oudhoogduits troum, oudfries drām, middelengels dream, oudnoors draumr, verwant met bedriegen; vgl. voor de begripsinhoud middelnederlands bedriechnisse [schijngestalte, spookgestalte], gedroch [bedrieglijke verschijning, droomgezicht]; tegen deze etymologie bestaat bezwaar, omdat dromen vroeger niet voor bedrog werden aangezien, integendeel. De opponenten wijzen op oudengels dream, oudsaksisch drōm, die gelijkluidend zijn, maar ‘vreugde, jubel, gezang’ betekenen. Misschien moet men dus uitgaan van een betekenis ‘extase’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

droom znw. m., mnl. droom, os. drōm, ohd. troum, ofri. drām, me. ne. drēam, on. draumr. Daarnaast staat een 2de woord met de betekenis van ‘jubel, feestvreugde’: os. drōm, oe. drēam. Beide woorden hebben als grondvorm *drauma, de betekenissen lopen echter zeer uiteen.

Oud is de verklaring van droom ‘somnium’ uit een grondvorm *draugma ‘drogbeeld’, vgl. bedriegen; maar daartegen is aan te voeren, dat men oudtijds de droom zeker niet als iets bedriegelijks beschouwd heeft; integendeel men lette nauwkeurig op zijn inhoud, daar deze op de toekomst vooruitwees. Dit bezwaar wordt nauwelijks opgeheven, wanneer men met v. Haeringen, Suppl. 40 *draugma omschrijft als: ‘(angstaanjagende) verschijning (vooral van gestorvenen)’, want waar blijft dan ook hier het ‘bedriegelijke’ karakter van de droom? En angstaanjagend was de droom niet altijd; men stelde er prijs op dromen te hebben; wie ze niet had, trachtte dat met verschillende middelen te verhelpen. — Daarom verwerpt F. R. Schröder, GRM 16, 1928, 164 deze afleiding en hij verbindt de beide woorden met elkander, terwijl hij uitgaat van een begrip ‘extaze’. Dit laatste zou dan toch op te vatten zijn als een ‘opheffing uit het normale bewustzijnsleven’, waarin de beide woorden *drauma overeenstemmen. Men kan ook verband leggen met de plaats waar de feestvreugde heerste: ‘de kring van de mannen om hun heer’ en aanknoping zoeken bij een idg. wt. *dhreu, maar dan niet met IEW 255 bij *dhreu ‘brommen, dreunen’ maar in die van ‘sterk, krachtig’, waartoe ook het woord voor de gevolgsschaar behoort: os. druht, ohd. truht, oe. dryht, on. drōtt (AEW 82). — Beide verklaringen leveren moeilijkheden. Er is ook op te letten, dat deze woorden uitsluitend binnen het Germaans voorkomen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

droom znw., mnl. droom m. = ohd. troum (nhd. traum), os. drôm, ofri. drâm, meng. eng. dream, on. draumr m. “droom”. Germ. *ðrauma- uit *ðrauʒma- ”drogbeeld”, van de basis van bedriegen. Minder waarschijnlijk is identiteit met het bij drom vermelde ðrauma- “gejubel”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

droom. Tegen de verbinding met de groep van bedriegen is het bezwaar geopperd — het laatst door F. R. Schröder GRM. 16, 164 —, dat voor primitieve opvatting de droom geen ‘drogbeeld’, maar werkelijkheid is. En een moderne bet.-ontw. als in fri. drôch ‘droom, waan’, drôgje ‘dromen, slapen, wanen’ (W. de Vries Tschr. 34, 7) heft dit bezwaar niet op. Toch behoeft men niet met Schröder t.a.p., uitgaande van een grondbet. ‘extase’, het woord voor identisch te houden met het onder drom genoemde os. drôm, ags. drêam m. ‘leven, gejubel’ (dat volgens Schr, dan ook ospr. ‘extatische opwinding’ zou hebben betekend; de verwanten buiten het Germ. wijzen trouwens eerder op de zinnelijke bet. ‘schreeuwen, lawaai maken’). De verwantschap met bedriegen is te handhaven, maar als oudste bet. van *ðrauʒma- moet men aannemen iets als ‘(angstaanjagende) verschijning (vooral van gestorvenen)’. Voor deze bet. bij tot dezelfde basis behorende woorden vgl. in de eerste plaats on. draugr m. ‘schim, spook’, verder ier. aur-ddrach ‘spook’, oi. drûh- ‘wat nadeel toebrengt, vijand, boze geest’. Aan deze bet. van *ðrauʒma- herinnert het zgn. ‘onpers.’ gebruik van het ww. dro[o]men, dat voortgekomen is, zoals on. dreyma duidelijk toont, uit pers. gebruik met de verschijning als onderwerp.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

droom m., Mnl. id., Os. drôm + Ohd. troum (Mhd. id., Nhd. traum), Meng. dreem (Eng. dream), Ofri. drám, On. draumr (Zw, dröm, De. drøm); gewoonlijk verklaard als draugm- = drogbeeld, van (be)driegen; z. ook drom.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

droum (zn.) droom; Vreugmiddelnederlands droem <1240>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

schoon: schone droom (de, dromen), droom met een herkenbare boodschap. - Zie ook: goede* en slechte* droom.

goed bn., (i.h.b.:) overeenkomstig de (veronderstelde) normen van Nederlanders of blanken i.h.a. (m.b.t. uiterlijke kenmerken van Creolen); i.h.b.: goed haar = sluik haar; een goede kleur = een lichte (huids)kleur. Vroeger was je geweldig* als je een Chinese vriendin had. Dan zouden je kinderen goed haar krijgen en een betere kleur (Dobru 1969: 51). - Zie ook: glad*, slecht*, verbeteren*.
— : goede droom (de, dromen), prettige, gunstige droom; voorspoed voorspellende droom. Wanneer je genezen bent, voel je dat en je krijgt ook goede dromen, waarin de winti* je komt bedanken (Wooding 380). - Zie ook: schone* en slechte* droom.
— : bw.: blijf goed: zie blijven*.
— : goed houden, overg. (hield, heeft gehouden), bevriend blijven met, op goede voet blijven met. Zijn moeder had gezegd dat hij tante Nettie goed moest houden als hij ingenieur wilde worden en als hij dacht dat hij naar het lyceum kon (Doelwijt 1972b: 20). - Zie ook: goed* zijn op.
— : er goed uitzien (zag er g. uit, heeft er g. uitgezien), knap zijn (van uiterlijk); een goed figuur hebben. En Harold ziet er zeer goed uit. Ik kan me dan ook levendig voorstellen dat hij een paar maal voor hete vuren gestaan heeft toen er weer een of ander meisje smoorverliefd op hem was geworden (Ferrier 1968: 150). () ik heb n.l. eens de verwarring gezien op het gezicht van een zeer goed (coca-colafles) uitziende dame* met wie ik was toen Alfons haar groette () (Dobru 1968a: 48). - Etym.: Ook in AN, maar veel minder alg. dan in SN.
— : goed zijn: is goed (dan), het is goed, het is in orde, daar ga ik mee accoord. En, hoe vaak zat je niet te huilen en dan zeggen dat je hoofdpijn had. Wel is goed dan, misschien wil je me niet alles vertellen (Vianen 1972: 9).
— : goed zijn op (was, is geweest), goed kennen; op goede voet staan met, het goed kunnen vinden met. Wij zijn goed op elkaar, u weet hoe dat gaat, haar man vaart en zij wil ook wel eens iets (Doelwijt 1972b: 119). - Zie ook: goed* houden.

slecht bn., (i.h.b.:) niet overeenkomstig de (vermeende) normen van Nederlanders of blanken i.h.a. (m.b.t. enige uiterlijke kenmerken van Creolen*); i.h.b.: slecht haar = kroeshaar; een slechte kleur - een donkere (huids)kleur. Je haar was slecht haar, omdat het kroes* was (Dobru 1969: 34). - Zie ook: goed*, verbeteren*.
— : slechte droom (de, -dromen), nare droom; onheilspellende droom. Ze zeiden ook dat ik dat kon nagaan omdat ik slechte dromen kreeg. Ik droomde o.a. dat ik met mijn oma en een kennis van haar op een begraafplaats was. Die mensen zijn dood (Wooding 375). - Etym.: Vgl. E bad dream (bad = slecht; dream = droom). - Zie ook: goede* en schone* droom.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

droom (een natte --) (vert. van Engels a wet dream)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Droom is letterlijk: bedriegelijk beeld; Germ. drauma (voor draugma) = bedriegsel.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

droom ‘voorstelling in de slaap’ -> Fries droom ‘voorstelling in de slaap’; Negerhollands droom ‘voorstelling in de slaap’; Berbice-Nederlands drum ‘voorstelling in de slaap’; Sranantongo dren ‘voorstelling in de slaap’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

Tusschen droom en daad [citaat uit een gedicht] (1933). De Vlaamse schrijver en dichter Willem Elsschot (1882-1960) publiceert in 1933 het gedicht ‘Het huwelijk’, dat hij overigens al in 1910 schreef. Uit dit gedicht worden twee (delen van) regels zeer vaak aangehaald: “(…) want tusschen droom en daad / staan wetten in den weg en praktische bezwaren”.

R. Schutz (2007), Brekend nieuws, Nijmegen

slechte droom. Letterlijke vertaling van Engels bad dream = nare droom, nachtmerrie; Ik heb ook nog levensechte dromen, dat als ik wakker word een kater heb, zeg maar, van een 'slechte droom'. (1998); "Het scenario van een slechte droom”, treurde de coach na afloop; Ik dacht al tijdens het kijken: oh, mijn god, als die kerel maar niet aan het einde wakker wordt en dat alles een slechte droom was.

waar dromen van gemaakt zijn. Letterlijke vertaling van Engels the stuff that dreams are made of; Het Engelse citaat is bekend geworden uit de film The Maltese falcon. Het gaat terug op een fragment uit The Tempest van William Shakespeare, waarin Prospero spreekt over de vergankelijkheid: We are such stuff as dreams are made on, and our little life is rounded with a sleep; "Onkenbaarheid van de omgeving" is zelf geen empirisch waarneembaar en kenbaar ding dat als basis voor redeneringen kan dienen. Het is een rationeel construct. Het is gemaakt van hetzelfde spul als waar dromen van gemaakt zijn. Je kunt (geldige) empirische redeneringen alleen maar opzetten op grond van alle andere (empirische) kennis. (2005); Een ervaring waar dromen van gemaakt zijn. Met al mij kracht trek ik aan de stalen kabel. Het water onder me borrelt en bruist; We hebben een soort zaadvorm in ons, die zich later ontwikkelt. Churchill bijvoorbeeld kon als jong kind niet goed spreken maar later is hij een begenadigd spreker geworden. We hebben allen een waarneming in ons van wat wij kunnen worden. Wij zijn het materiaal waar dromen van gemaakt zijn.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

droom* voorstelling in de slaap 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

499. Iemand uit den droom helpen,

d.w.z. iemand onderrichten, uit zijne dwaling helpen, hetzelfde als iemand uit den dut helpenZie Vondel, Joseph in Dothan, 1321; vgl. Boekenoogen, 186 en De jager, Frequ. II, 73.. Vgl. Sewel, 196: Iemand uit den droom helpen, to undeceive one. De uitdrukking staat opgeteekend bij Sartorius I, 1, 41: Uyt den droom helpen, rem impeditam explicare aut expedire est. Tuinman I, 2 en Harrebomée I, 157 a denken aan bijbelschen oorsprong; doch Zeeman en Laurillard, hoewel de mogelijkheid niet ontkennende, dat hier gedacht kan worden aan de vele droomuitleggingen, waarvan de Bijbel gewaagt, meenen, dat deze spreekwijze wel buiten den Bijbel om kan zijn ontstaan. Zie ook Wander I, 1296; Woeste, 59 a; hd. einen aus dem Traume helfen; eng. to rouse a.p. out of his dream.

500. Droomen zijn bedrog,

meestal gezegd tot iemand, die een onaangenamen droom gehad heeft. Deze meening vindt men in het Latijn reeds uitgedrukt door somnia ne cura, nam fallunt somnia plura (Bebel, 450); sompnia ne cures, nam fallunt sompnia plures (Werner, 94); vgl. mnl. droeme dat sijn bedroghen dinghe; verder Campen, 75: droem is droch; Sirach XXXIV, 3-7; Prov. Comm. 532: Men seit, droem en bediet niet; Sart. III, 3, 7: Droom is bedrogh, nochtans seijtse somtijts wat; Vondel, Jos. in Doth. 403: De droomen grenzen dicht aen ydelheit en logen; Gijsbr. v. Aemst. 759; Eerl. Pluckv. 255 a: Gij weet droomen is bedrogh, maer cackt in 't bedt gy vint het nochVoor dit toevoegsel zie Ndl. Wdb. VII, 900.; Tuinman I, 325: Droomen is bedrog; maar k.... in 't bed, gy vind het 's morgens noch; Harrebomée I, 34; Sewel, 196: Droomen zyn bedrog, dreams are lies; bij Teirl. 372: Droomen es bedrog, en as g'in ou bedde kakt, ligt 't er nog; zie ook Antw. Idiot. 1664; oostfri. dröm is 'n drog, 't was för hunderd jâr un 't is noch (Dirksen, I, 19); fr. tous songes sont mensonges, songe n'est que mensonge; hd. Träume sind Schäume; eng. dreams are idle things (or shadows).

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

dhreugh-2 ‘trügen, listig schädigen’, dhrougho-s ‘Täuscher, Schädiger’

Ai. drúhyati ‘sucht zu schaden, tut zuleide’ (Fut. dhrōkṣyáti, Partiz. drugdhá-), apers. Imperf. aduruǰīya (= ai. adruhyat) ‘log’, av. družaiti ‘lügt, betrügt’, ai. drṓgha-, drōha- m. ‘Beleidigung, Beschädigung, Verrat’, av. draoga- ‘lügnerisch’, m. ‘Lüge, Trug’, apers. drauga- ‘lügnerisch’, ai. drúh- ‘schädigend’, f. ‘Beschädigung, Unholdin, Gespenst’, m. ‘Unhold’, av. druǰ- f. ‘Lüge, Trug; Verkörperung der Lüge’;
mir. aur-ddrach (nachtonig aus *druag = ai. drōgha-) ‘Gespenst’;
as. bidriogan, ahd. triogan ‘trügen’, anord. draugr m. ‘Gespenst’; schwundstufig as. gidrog n. ‘Trugbild’, mndl. gedroch ds., ahd. gitrog n. ‘Betrug, teuflisches Blendwerk’; anord. draumr, ahd. troum, as. drōm, engl. dream ‘Traum’ (germ. *ðrau(ɣ)ma- ‘Trugbild’).
Idg. dhreugh- ist sehr wahrscheinlich verwandt mit dhu̯er- ‘durch Täuschung zu Falle bringen’, indem zur Schwundstufe *dhru-gh- aus *dhu̯r̥-gh- sich neue Hochstufen idg. *dhreugh-, *dhrough- einstellten. Mit dem erweiternden gh wäre das von nhd. Zwerg identisch, wenn dieses Wort nicht auf ein verschiedenes idg. dhu̯ergh- ‘zwerghaft, verkrüppelt’ (s. dort) zurückgeht.

WP. I 874.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal