Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

droesem - (bezinksel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

droesem zn. ‘bezinksel’
Mnl. droesene ‘droesem’ [1287; CG II, Nat.Bl.D]; vnnl. druyuen dye vele droesems maken ‘druiven die veel bezinksel veroorzaken’ [1562; Kil], het schuymsel ende den droessem van het volck van eender stadt ‘het schuim en droesem van een stadsbevolking’ [1562; Kil.], droessem ‘bezinksel in wijn’ [1573; Thes.], droes = droessem ‘droesem van wijn’ [1599; Kil.].
Mnd. drōs ‘droesem’; ohd. truosana ‘droesem’; oe. drōsne ‘bezinksel’; < pgm. *drōsna- ‘bezinksel’. De in NEW aangenomen vorm pgm. *drōhsna- lijkt onwrsch., omdat men dan in oe. en ohd. sporen van de -h- zou verwachten. De vraag is of men niet eerder naar verband met de wortel van → droef in de betekenis ‘troebel’ moet zoeken, een betekenis die bijv. voorkomt in mnl. droefheit ‘droesem’ [1350-1400; MNHWS]; wrsch. gaat het dan om een vorm bij dezelfde wortel als → drab, → draf 2, → dras.
Deze woorden zouden teruggaan op de wortel pie. *dherbh- ‘troebel bezinksel’ (IEW 251-2). Pgm. *drōhsna- zou moeten teruggaan op de wortel pie. *dhregh-. Beide wortels zijn niet erg betrouwbaar. Het gaat hier eerder om substraatwoorden.
In het Nederlands is in de late Middeleeuwen de -n van het achtervoegsel vervangen door -m, zoals dat ook bij → bliksem is gebeurd.
Een verkorte vorm is droes, mnl. droes ‘mul’ [1375; Stall. I, 377], vnnl. droes = droessem ‘droesem van wijn’ [1599; Kil.].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

droesem* [bezinksel] {droes(e), droessem 1287} middelnederduits drosem, oudhoogduits drosi, oudengels drōs(na); buiten het germ. oudlitouws dragės, oudpruisisch dragios [droesem], albaans dra [oliedroesem]; behoort bij droef, draf1, dras, drijten.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

droesem znw. m., mnl. droesen(e), mnd. drōsem, ohd. truosana, oe. drōsne. — Grondvorm *drōhsna < idg. *dhrāksno afgeleid van *dherāgh, verbreding van de idg. wt. *dher, waartoe ook behoren drab en draf, evenals on. dregg ‘droesem’ (zie ook: droef).

Het woord vertoont in het westgerm. wisseling van -n- en -m-suffix; zonder suffix zijn mnl. droes, droese ‘droesem’, mhd. drōs ‘faex’, oe. drōs ‘oorsmeer’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

droesem znw. Met substitutie van suffix uit mnl. droesen(e) v., waaruit ook de bijvorm droes, mnl. droes(e) v. o. ontstaan is; vgl. zeis uit seisene; zie ook nog bliksem = ohd. truosana v., mnd. drôsem (o.?), ags. drôsn(e) v. “droesem”. Verwant met de onder droef genoemde woorden: naast dherā̆x-gh- en dherax-bh- kan dherā̆x-s- hebben bestaan. Of ook uit een germ. grondvorm *ðrôƀ-snô- of *ðrôʒ-snô- wgerm. *drôsnô- ontstaan kan zijn, is onzeker.

[Aanvullingen en Verbeteringen] droesem. Droes niet uit droesem, maar = ags. drôs “oorsmeer”, mhd. drôs o. “faex”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

droesem. De bijvorm droes, mnl. droes, droese niet uit mnl. droesen(e), maar = ags. drôs m. ‘oorsmeer’, mhd. drôs ‘faex’: v.Wijk Aanv. Naast ags. drôsne v. komt drôsna m. voor.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

droes 3, droesem m., Mnl. droese, droesene + Ohd. drôsi, truosana (Mhd. truosen, Nhd. drusen), Ags. drósn (Eng. dross), van Idg. dhrâs-, afwisselend met dhrā̆bh van draf en droef.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

droes zn.: koffiedik, koffiedrab. Contaminatie van drab en droesem ‘bezinksel’.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

droesem: – droes – , “aanpaksel, besinksel, moer” (bv. v. wyn), wsk. dies. as droes, “metaalskuim”; Ndl. droesem/droes (Mnl. droes(e), by Kil droessem), verb. m. Eng. dross (misk. ook m. dregs), vgl. ook als (uit alsem) en bras (uit brasem); herk. onseker.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

droesem ‘bezinksel’ -> Frans † drousser ‘koffiedik’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

droesem* bezinksel 1287 [CG NatBl]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal