Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

drijven - (voortstuwen; niet zinken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

drijven ww. ‘voortstuwen; niet zinken’
Onl. driuen ‘verdrijven’ [ca. 1100; Will.]; mnl. drīven in scone vrouwe, gi sult niet driven groten rouwe ‘schone vrouw, gij moet niet zo'n groot verdriet tonen’ [1220-1240; CG II, Aiol]. In het Middelnederlands kende het woord veel meer betekenissen dan nu.
Dit woord komt alleen in het Germaans voor. Waarschijnlijk is het een substraatwoord.
Os. drīban; ohd. trīban (nhd. treiben); ofri. drīva (nfri. driuwe); oe. drīfan (ne. drive, zie → drive), on. drífa (nzw. driva); got. dreiban ‘verbannen’; < pgm. *dreiban-.
De betekenis ‘niet zinken’ heeft zich ontwikkeld uit ‘voortstuwen over water’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

drijven* [voor zich uit doen gaan] {driven [drijven, voeren, werken, doen, heen en weer gaan, bewegen] 1220-1240} oudsaksisch drīƀan [zich bewegen, wegdrijven, doen], oudhoogduits trīban, oudnoors drīfa, oudfries drīva [idem], gotisch dreiban [drijven, dringen]; het woord komt slechts in een deel van het germ. voor en de etymologie is onzeker.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

drijven ww., mnl. drîven ‘drijven, meeslepen, werken, doen’, os. drīƀan ‘verdrijven, doen, zich bewegen’, ohd. trīban ‘in beweging zetten, verdrijven, bedrijven, doen’, ofri. drīva ‘zich snel bewegen, doen’, got. dreiban ‘drijven, dringen’. — > fra. driver ‘op de stroom drijven, met de stroom meegesleept worden’ (sedert de 16de en 17de eeuw, Valkhoff 115). — Zie: dreef, drevel, dribbelen en drift.

De verbinding met lit. drimbù, drìbti ‘langzaam neerdruppelen’ (IEW 274) is vooral semantisch weinig bevredigend; die met gr. thríps, thrípos ‘houtworm’ (‘de voortdringende’?) (FW 134) hoogst onwaarschijnlijk. Het woord komt dus eigenlijk alleen in het germaans voor. Misschien moet men uitgaan van ‘het drijven van het vee naar de weide’ en dan zou men de geïsoleerde idg. wt. *dhreibh als afleiding van *dher kunnen opvatten, waartoe ook droog en drost behoren, een typische woordengroep van het bosbedrijf (AEW 83).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

drijven ww., mnl. drîven (trans. en intrans.). = ohd. trîban “in beweging brengen, verdrijven, bedrijven, doen” (nhd. treiben), os drîƀan “verdrijven, doen, zich bewegen”, ofri. drîva “verdrijven, tot iets brengen, doen”, ags. drîfan “verdrijven, zich snel bewegen” (eng. to drive), on. drîfa “zich snel bewegen, doen”, got. dreiban “drijven, dringen” Een germ. sterk ww. van een idg. basis dhreibh- of dhreip- ”(zich) snel en met kracht bewegen”. Verwanten buiten ’t Germ. zijn niet bekend. Verwantschap met gr. thríps, thripós “houtworm” (“de voortdringende”?) is mogelijk, maar onzeker. Vgl. dreef, drevel, dribbelen, drift.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

drijven o.w., Mnl. driven, Os. drîƀan + Ohd. trîban (Mhd. trîben, Nhd. treiben), Ags. drífan (Eng. to drive), Ofri. dríva, On. drífa (Zw. drifva, De. drive). Go. dreiban: niet buiten het Germ.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

drieve (ww.) drijven; Aajdnederlands driuen <1100>.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

drijven ‘voor zich uit doen gaan, (op)jagen; (met kracht) slaan, bewerken (van metaal)’ -> Frans dialect drevez ‘gedreven (van metaal)’; Indonesisch drip ‘metaal door kloppen bewerken; drijfhout; drijfijzer’; Negerhollands driev ‘voor zich uit doen gaan, (op)jagen’.

drijven ‘op een vloeistof liggen; zich zwevend in de lucht voortbewegen’ -> Pools dryfować ‘afdrijven, uit de koers raken van een schip’ (uit Nederlands of Duits); Russisch drejf, dréjfit' ‘(het) afdrijven, uit de koers raken van een schip; (boeventaal) bang zijn’; Bulgaars drejfuvam ‘afdrijven, uit de koers raken van een schip of vliegtuig’; Oekraïens drejf ‘het afdrijven, uit de koers raken van een schip’ <via Russisch>; Wit-Russisch drejfavác' ‘afdrijven, ronddrijven’ <via Russisch>; Azeri dreyf etmek ‘op een vloeistof liggen’ <via Russisch>; Lets dreifēt ‘het drijven; het afwijken van de koers (van een schip) door de werking van de wind’ <via Russisch>; Litouws dreifas ‘het drijven; het afwijken van de koers (van een schip) door de werking van de wind’; Berbice-Nederlands drifu ‘op een vloeistof liggen’; Papiaments drif (ouder: drief) ‘op een vloeistof liggen’; Sranantongo dribi ‘op een vloeistof liggen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

drijven* voor zich uit doen gaan 1100 [Willeram]

drijven* op een vloeistof liggen 1339 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2132. Iets op de spits drijven,

d.w.z. iets tot het uiterste doordrijven; vertaling van het hd. etwas auf die Spitze treiben, stellen, zum offenen Kampfe, zum Auszersten. Vgl. De Ploeg, VI, 286: Er was geen door den kunstenaar doorschouwd leven en karakter; er waren de bedachte scènes, de opzettelijk op de spits gedreven situaties: de om henzelf bedoelde effecten, die alleen buitenwerksch bleven; Handelsblad, 7 April 1914 (avondbl.) p. 10 k. 1: De dingen krijgen door den al te zeer op de spits gedreven precieuzen toeleg van hun maker een uitzicht van opvallende kostbaarheid; De Arbeid, 5 Nov. 1913 p. 1. k. 4: Het is een algemeen zielkundig verschijnsel dat op-de-spits gedreven dingen gemakkelijk overslaan in hun tegendeel; Het Volk, 30 Maart 1914 p. 5 k. 2: Dat op de spits drijven van zulk afwijkend inzicht heeft sommigen geleid tot krenkende aanvallen op mijn persoon; 13 Juni 1914 p. 1 k. 3; Handelingen der St. Gen. 1913-1914, blz. 796: Hij (Dr. Kuyper) heeft de absolute neutraliteit op de spits gedreven met het doel om de openbare school te discrediteeren; Handelsblad, 19 Febr. 1915 (ochtendbl.) p. 2 k. 2: Een ontwerp dat den minister gelegenheid gaf te verklaren dat deze tak van de volksvertegenwoordiging dus blijkelijk de zuinigheid niet op de spits wil drijven; 27 Mei 1917, p. 1 k. 6; Het Volk, 22 Febr. 1915, p. 8 k. 1: Wanneer de partij een votum over de houding harer Kamerleden ontwijkt, omdat zij het geschil niet op de spits wil drijven; 27 Febr. 1915 p. 7 k. 2: Kuyper zou de kwestie zeker op de spits drijven, als hij daarvan succes voorzag; De Arbeid, 13 Maart 1915 p. 2 k. 3: Erkennende dat de oorlog een op de spits gedreven uiting is van een vloekwaardig stelsel.

2207. Op een stroowisch komen aandrijven,

d.w.z. zonder fortuin, als gelukzoeker ergens aankomen; zich met niets, kaal en berooid, ergens vestigen; ook ‘op een stroobos komen aandrijven’. In de 16de en 17de eeuw was de uitdr. zeer gewoon; vgl. o.a. Trou m. Bl. 152; Sart. II, 1, 92; Brederoo, Sp. Brab. vs. 1014; Coster, 177. vs. 824; Winschooten, 300; verder Bed. Huish. 26; Langendijk I, 466: Een vreemde vrouw, aan onze kusten als met een stroowis aangespoeld; Tuinman I, 152; V. Janus, 41: Op een stroowisch, voor den wind, komen aandrijven; Halma, 622: Hij is hier op een stroowisch komen drijven, hij was maar een arme bloed toen hij eerst hier aankwam; Adagia, 27: gij sijt hier comen aengedreven op eenen stroijwis, de lapide emptus huc appulisti; Sewel, 766; C. Wildsch. III, 25; Harreb. II, 247; Schuermans, 694; Antw. Idiot. 1208 en Boekenoogen, 1027, die herinnert aan de Angelsaksische sage van koning Scéaf, die als kind komt aandrijven in een schip zonder riemen, terwijl zijn hoofd rustte op een schoof van korenaren, een teeken dat de knaap uit het doodenrijk kwam. Ook thans nog bestaat het geloof, dat heksen bosjes stroo als vaartuig gebruiken; zie W. Dijkstra, Uit Frieslands Volksleven II, 234. In Zuid-Nederland bezigt men: op een klomp en een' schoe; met een kloef en een schoe; met een sluffer en een schoe ergens aankomen (Rutten, 115 b; De Bo, 535 a; 1040 a); ook op 'nen holleblok en 'nen sloef (Antw, Idiot. 567); in het fri. en elders: op in skoe en in slof, welke uitdr. alle op armoede wijzen; Twente: op ne sloffe en nen schoo ankommen; Goeree en Overflakke: op een schoen en een slof komen aanwaaien; Wander IV, 921: auf einem Strowisch antreiben, aüsserst klein anfangen.

2569. Op eigen wieken drijven,

d.w.z. op eigen beenen staan, zelfstandig zijn; niet steunen op een ander; finantieel niet hulpbehoevend zijn; een beeld ontleend aan de jonge vogels, die uitvliegen, zonder dat de vader of moeder er naast vliegt en hen bij de luchtverplaatsing helpt. Vgl. Huygens VI, 297: Met hij uyt syn' kindse jaertjes quam, schickt ick 'et dat hij soo den toom wat ruijmer nam, en op sen wiecke dreef; Tijdschrift IV, 252: Byna geen dichter word gevonden, die kan dryven op zyne wieken; Tuinman I, 129: Hy dryft op zyn eigen wieken; Middelb. Avant. 10; W. Leevend I, 37; Halma, 136; Sewel, 211; Van Eijk II, 95; Jord. II. 109; Ndl. Wdb III, 3351; Kippev. I, 211; II, 50. De gewone uitdr. was in de 17de eeuw: op eigen riemen drijven of roeienWinschooten, 207: Iemand op sijn eige riemen laaten drijven, beteekend oneigendlijk naa iemand niet om sien: maar laten heen hobben en tobben; Brandt, Leven v. Vondel, 68; Sewel, 198; Van Eijk 1, 74; Ndl. Wdb. XIII, 122. of op eigen biezen zwemmen; lat. nare sine cortice (zonder kurk zwemmen). Vgl. ook Antw. Idiot. 2137; Joos, 72: hij kan op zijn eigen vleugels vliegen, op eigen riemen voortdrijven; Ten Doornk. Koolm. I, 421 a: hê kan al up sîn êgen fären drîfen; fri. ut eigen wjûken fleane; fr. voler de ses propres ailes.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

dhreibh- ‘treiben, stoßen’ usw.

Got. dreiban ‘treiben, stoßen’, anord. drīfa ‘gezogen kommen, ziehen, strömen’ usw., ags. drīfan ‘treiben, jagen, stürzen’, as. drīƀan ‘bewegt werden, vertreiben’, ahd. trīban ‘pellere, expellere’ (schwundstuf. schw. Verb tribōn ‘agitare’, uolatribōn ‘peragere’); anord. drift f. ‘Treiben, Schneewehe’, drif n. ‘was durch die Luft treibt, Gestöber’, ags. drif n. ‘Treiben, Trift, Getriebenes’, drāf f. ‘Treiben, Trift, Herde’, mhd. trift ds., nhd. Trift ‘Viehweide, Herde’;
lit. drimbù, drìbti ‘langsam niedertropfen’, sniẽgas drim̃ba ‘der Schnee fällt dicht’ (= anord. þā drīfr snǣr); von drib- aus, das sowohl der i- wie der e-Reihe angehören kann, ist Übertritt in die e-Reihe erfolgt: drebiù, drė̃bti ‘mit Dickflüssigem werfen, klecksen’.

WP. I 872, 876, Wissmann Nom. postverb. 68 f., Specht KZ. 68, 41.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal