Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

drentelen - (langzaam heen en weer lopen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

drentelen ww. ‘langzaam heen en weer lopen’
Nnl. drentelen ‘met moeite lopen (gezegd van een kind)’ [1678; WNT], ‘heen en weer lopen’ [1787-89; WNT].
Wrsch. een jongere vorm met dr- in plaats van tr- van een frequentatief trentelen ‘op zijn gemak heen en weer lopen’ [1710; WNT] bij vnnl. trenten ‘stappen, lopen’ [1510; MNW]. Dit laatste werkwoord zou kunnen behoren bij pgm. *trent-, *trant- ‘lopen’ zoals in → omtrent, → trant.
Als het een erfwoord is, kan het uiteindelijk verwant zijn met de dr- in Grieks édramon ‘ik liep’; Sanskrit drámati ‘lopen’ < pie. *drem- (IEW 204-5). Directe verwantschap met mhd. trendeln ‘wervelen’ en oe. trendlian ‘rollen’ lijkt gezien de consequente -nd- in die woorden minder wrsch. Zij behoren eerder met ohd. trendila ‘tol’ en oe. trendel ‘cirkel, kring’ bij pgm. *trend-, *trand- ‘draaien’.
De d- aan het begin is mogelijk beïnvloed door woorden als → dralen, → dreutelen en → druilen, die gelijksoortige betekenissen hebben.

EWN: drentelen ww. 'langzaam heen en weer lopen' (1678)
ANTEDATERING: Of Tijsje schoon wat drentelt [1655; Stootkant, 85]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

drentelen* [zonder doel rondlopen] {1678} naast dial. trentelen, iteratief van middelnederlands drenten [stappen, lopen] {1287} oudengels trendan [rollen], middelhoogduits trendeln [zich draaien], hoogduits trendeln [treuzelen, slenteren], verwant met grieks dromos [wedloop], oudindisch dramati [hij loopt heen en weer] (vgl. hippodroom, dromedaris).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

drentelen ww., waarnaast dial. drendelen, trentelen, trenten. Het grondwoord is trentelen, dat zelf weer uit trendelen ontstaan is, vgl. mnd. trendelen, trenden ‘ronddraaien’, laat-mhd. trendeln ‘zich draaien’ (nhd. trendeln ‘beuzelen’), oe. ā-trendlian ‘rollen’, trendan ‘rollen’. Daarnaast nog het znw. mnd. trendele ‘schijf’, mhd. trendel, trindel ‘bol, tol’, oe. trendel ‘kring, schijf’.

Het woord trendelen staat naast oi. drámati ‘lopen’, gr. édramon ‘ik liep’, oe. trem, trym ‘voetstap’, zw. dial. trumla, de. trimle ‘rollen’. Afleidingen van de idg. wt. *der (IEW 204). — De verzachting van de begincons. in drentelen is eensdeels op te vatten als metathesis van trendelen, anderzijds klankschilderend, daar een zo lakse beweging als het drentelen zich beter door de verbinding dr dan het krachtiger tr laat weergeven. Invloed van andere woorden als dreutelen is daartoe niet nodig. — Zie: trant en omtrent.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

drentelen ww., met de dial. bijvormen drendelen, trentelen, trenten. Drentelen is een nnl. vervorming van trentelen, maar de oudste vorm moet trendelen geweest zijn. = laat-mhd. trendeln “zich draaien” (nhd. trendeln “beuzelen”, mnd trende(le)n “ronddraaien”, ags. â-trendlian “rollen”, een afl. van de germ. basis trenð-, tranð- ”draaien”, vgl. mhd. trendel, trindel v. “bol, tol”, mnd. trendele “schijf”, ags. trendel m. “kring, schijf” (eng. trendle) en zie verder trant en omtrent. De vormveranderingen van de ndl. woorden zijn deels assimilatie- en dissimilatie-verschijnselen, misschien ook deels analogisch (o.a. naar dreutelen?).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

drentelen. Adde: ags. trendan ‘rollen’ (intr.: zie bij trant).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

drentelen ono.w., + Hgd. trendeln, Eng. to trundle (= rollen), dissim. uit dial. trentelen, met verscherping van d vóór l, uit *trendelen, met frequent. suff. van *trend = kring (z. omtrent).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

truntelen, treuntelen, ww.: drentelen, treuzelen, talmen. Ovl. ook trantelen. Freq. bij Mnl. tranten ‘stappen’, Vnnl. tranten ‘langzaam stappen’, trantselen ‘langzaam en loom stappen’ (Kiliaan). Fri. trantsje, De. dial. trante, Zw. dial. tranta. Verwant met drentelen < trentelen < trendelen. Mnd. trendelen ‘ronddraaien’, trunt ‘rond’, Oe. trendan ‘rollen’, E. trundle ‘rollen’. Germ. *trend-, *trand-, *trund-.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

drendelen, drentelen ww.: drentelen, naar binnen brengen (van modder aan de voeten). Uit oorspr. bet. ‘ronddraaien’, zie drendel.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

drendelen (H, ZV), dranzjelen (Al), ww.: drentelen, naar binnen brengen (van modder aan de voeten). Uit oorspr. bet. 'ronddraaien', zie drendel.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

trondelen traag gaan, rondzwerven (gez. van zaken) (West-Vlaanderen). ~ mndd. trunt ‘rond’. ~ eng. trundle ‘rollen’. Abl. ~ oeng. trendan ‘rollen’. ~ trendel ↑.
TNTL XLI, 203.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

trondelen (DB, GV, FS: K), trontelen (DB), ww.: slenteren, sukkelen, langzaam slepend lopen; slingeren, rondslingeren (van zaken). Var. van trantelen, truntelen. Afl. trondelare, trontelare (DB), trondelere (K).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Drentelen, van den Germ. wt. trend = zich in een kring bewegen, draaien; drentelen als frequent. bet. dus: voortdurend heen en weer gaan; verder: talmen. De genoemde wortel komt ook voor in: omtrent = om een kring. Vgl. nog Bredero: „Mijn oudt oom stond so langhe en drenten” (stond te draaien).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

trondelen ‘(verouderd) slenteren, klungelen’ -> Frans dialect trond'ler, trondeler; trondeler ‘slenteren, rondzwerven, landlopen; zich geheel gekleed op zijn bed gooien; de grond rollen met een rol’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

drentelen* zonder doel rondlopen 1678 [WNT]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

(der-3), drā-, dreb-, drem-, dreu- ‘laufen, treten, trippeln’

drā-:
Ai. drā́ti ‘lauft, eilt’, Intens. dáridrāti ‘schweift umher, ist arm’, dári-dra- ‘umherschweifend, bettelhaft’;
gr. ἀπο-διδρά̄σκω ‘laufe weg’, Fut. δρά̄σομαι, Aor. ἔδρᾱν; δρᾱσμός, ion. δρησμός ‘Flucht’, ἄδρᾱστος ‘nicht zu entfliehen suchend’, δρᾱπέτης ‘Flüchtling’, δρᾱπετεύω ‘laufe davon, reiße aus’ (vgl. zum -π- ai. Kaus. drāpayati ‘bringt zum laufen’, Aor. adidrapat [unbelegt] ‘lief’);
ahd. zittarōm (*di-drā-mi) ‘zittere’, aisl. titra ‘zittern, zwinkern’ (ursprünglich etwa ‘unruhig trippeln, zappeln’);
vielleicht hierher slav. *dropy ‘Trappe’ (Machek ZslPh. 17, 260), poln. čech. drop, älter drop(i)a usw., daraus mhd. trap(pe), trapgans.
dreb-:
Lit. drebù, -ė́ti ‘zittern, beben’;
poln. (usw.) drabina ‘Leiter’;
ags. treppan (*trapjan) ‘treten’, mnd. ndl. trappen ‘stampfen’, ndd. trippen, nhd. (nd.) trappeln, trippeln, mhd. (nd.) treppe, trappe f., nhd. Treppe, ags. træppe f. ‘Falle’, nhd.Trappel, ostfries. trappe, trap ‘Falle, Fußbrett’;
durch emphatische Nasalierung, wie in nhd. patschen - pantschen, ficken - fiencken (s. W. Wissmann Nom. Postverb. 160 ff., ZdA. 76, 1 ff.) erklären sich:
got. ana-trimpan ‘herantreten, bedrängen’, mnd. trampen ‘stampfen’, mhd. (ndd.) trampeln ‘derb auftreten’, engl. tramp, trample ‘treten’, mhd. trumpfen ‘laufen, trollen’.
drem-:
Ai. drámati ‘läuft’, Intens. dandramyatē ‘läuft hin und her’;
gr. Aor. ἔδραμον, Perf. δέδρομα ‘laufen’, δρόμος ‘Lauf’;
ags. trem, trym ‘Fußtapfe’, an. tramr ‘Unhold’ (s. oben), mhd. tremen ‘schwanken’, dän. trimle ‘rollen, purzeln’, schwed. mdartl. trumla ds., mhd. trame ‘Sprosse einer Leiter, Treppe’;
hierher wohl die nhd. FlN Dramme (Göttingen), Dremse (Magdeburg), aus *Dromi̯ā und *Dromisā (wohl nordillyr.), dazu poln. (illyr.) Drama (Schlesien), bulg. Dramatica (thrak.); s. Vasmer ZslPh. 5, 367, Pokorny Urillyrier 3, 37, 127;
unsicherer ist Woods KZ. 45, 62 Anreihung von serb dȑmati ‘schütteln’, dȑmnuti ‘erschüttern, erbeben lassen’, sloven. dŕmati ‘schütteln, rütteln’, drámiti ‘aus dem Schlaf rütteln’, drâmpati ‘unsanft rütteln’, čech. drmlati ‘fitzen, wirren; die Lippen bewegen, als ob man sauge’, drmoliti ‘kurze Schritte machen’ (dies in der Bed. gut passend; ‘schütteln’ aus ‘mit dem Fuße anstoßen’?), drmotiti ‘plaudern’ (wohl Bedeutungskreuzung mit der Schallwurzel der-der-2, s. dort).
dreu- (z. T. mit ū als Tiefstufe, wohl auf Grund von *dreu̯āx-), FlN (Partiz.) dr(o)u(u̯)entī/i̯ā:
Ai. drávati ‘läuft, auch zerfließt’, FlN Dravantī, drutá- ‘eilend’, av. drāvaya- ‘laufen’ (von daēvischen Wesen), draoman- n. ‘Angriff, Ansturm’, aēšmō-drūt(a)- ‘von Aēsma her anlaufend, zum Angriff entsendet’ (sehr unsicher ai. dráviṇa-m, dráviṇas- n. ‘Gut, Vermögen’, av. draonah- n. ‘bei der Besitzverteilung zufallendes Gut, Vermögensanteil’ etwa als ‘fahrendes Gut’?);
illyr.-pannon. FlN Dravos (*drou̯o-s), daraus serbokr. Dráva, vgl. apoln. Drawa (illyr. Lw.); idg. *drou̯ent- ‘eilend’ > illyr. *drau̯ent- (: oben ai. Dravanti), daraus dial. *trau̯ent- im FlN Τράεντ- (Bruttium) > ital. Trionto; idg. *druu̯ent-, illyr. *druent- im poln. FlN Drwęca, nhd. Drewenz; ital. *truent- im FlN Truentus (Picenum);
gall. FlN (aus dem Nordillyr.?) Druentia (frz. la Drance, Drouance, Durance, schweiz.la Dranse); *Drutos, frz. le Drot; Drutā, frz. la Droude;
lit. Seename *Drùv-intas (wruss. Drywiaty); apreuß. Bach Drawe.
Auf dreu-, Partiz. *dru-to- beruht vielleicht (s. Osthoff Par. I 372 f. Anm.) got. trudan ‘treten’, anord. troða, trað ds.; ags. tredan, ahd. tretan ‘treten’ (bei Osthoffs Anschauung Ablautneubildung), ahd. trata ‘Tritt, Spur, Weg, Trift’, as. trada ‘Tritt, Spur’, ags. trod n., trodu f. ‘Spur, Weg’ (engl. trade ‘Handel’ ist nord. Lw.), ahd. trota, mhd. trotte f. ‘Weinpresse’, Intens. ahd. trottōn ‘treten’; nhd. dial. trotteln ‘langsam gehen’.
Hierher auch die germ. Wz. *tru-s- in ostfries. trüseln ‘taumeln, stolpern, unsicher oder wankend gehen’, trüsel ‘Taumel, Schwindel’, ndl. treuzelen ‘trendeln, trödeln’, westfäl. trūseln, truǝseln ‘langsam rollen’, mhd. trollen (*truzlōn) ‘sich in kurzen Schritten laufend fortbewegen’, nhd. trollen, schwed. mdartl. trösale ‘Kobold’, norw. mdartl. trusal ‘Tor, Narr’, trusk ‘verzagter und beschränkter Mensch’, sowie (als *truzlá-) anord. troll n. ‘Unhold’, mhd. trol, trolle m. ‘Kobold, Tölpel, ungeschlachter Mensch’ (vgl. unser Trampel in gleicher Bed.; die Wandalen nannten die Goten Τρούλους, Loewe AfdA. 27, 107); in gleicher Weise steht neben germ. tre-m- (s. unten) anord. tramr ‘Unhold’.
In Germ. außerdem mit i-Vokalismus mnd. trīseln, westfäl. triǝseln ‘rollen, taumeln’, holl. trillen ‘zittern’ (woraus ital. trillare ‘beben, Triller schlagen’) usw. Gegen Verbindung von ai. drávati mit av. dvaraiti ‘geht’ s. unter *dheu-, *dheu̯er- ‘stieben’.

WP. I 795 ff., Krahe IF. 58, 151 f., Feist 45.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal