Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dreet - (scheet)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

dreet zn. ‘scheet’
Mnl. drete, dreet ‘scheet’ als bijnaam Clais dreet [1272; CG I, 218]; nnl. dreet ‘scheet’ [1709; WNT].
Ablautende vorm naast het sterke werkwoord → drijten ‘schijten’.
Mnd. dret, drit ‘drek, stront’; on. drit (> me. drit ‘drek, mest, vuil’ en met metathese van de -r- ne. dirt ‘vuil’); < pgm. *drit- ‘drek’.

EWN: dreet zn. 'scheet' (1272*)
ANTEDATERING: dreet 'poep' in: Dat ghi niet … Vwen dreeth verterd 'dat u niet uw poep eet' [1285; VMNW]
{* De eerste attestatie in het EWN is een toevoeging uit 1287-88 aan een tekst uit 1272. De betekenis is niet 'scheet', maar 'stront, poep' (VMNW).}
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

dreet* [scheet] {1709} afgeleid van drijten.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

dreet znw. v., mnl. dreet, drēte m. ‘wind, scheet’, mnd. drēt is een afl. van drijten, evenals beet uit bijten. Vgl. nog ne. dirt (< drit) ‘drek’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

dreet znw., mnl. dreet, drete m. Evenals mnd. nnd. drēt een verbaal-abstractum van drijten: m. i-stam als beet I e.dgl. Vgl. meng. eng. dirt (uit drit) “drek”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

dreet v., van denz. stam als ’t meerv. imp. van drijten.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

driet, zn.: wind, scheet. Zie drieten.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

dreet scheet (Veluwe). Afl. bij drieten ↑.
Van Schothorst 121.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

drijt. In de 16de eeuw wordt drijt ‘menselijke of dierlijke uitwerpselen’ gebruikt als scheldwoord of verwensing. Het WNT geeft als enige bewijsplaats in deze toepassing: “Houdt ghy u backhuys, ou ghy lijs drijts, Oft u ghenaeckt van ons veel vresen.” Dit betekent: ‘Jij moet je mond houden, jij oude sufferd die niet veel beters kunt dan schijten, of wij zullen je veel angst aanjagen.’ Na de 16de eeuw niet meer aangetroffen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

drijt, drit(s) ‘(verouderd) drek’ -> Frans dialect drisse, drus ‘diarree’.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

dher-5, dhrei-d- ‘Unrat, cacāre’, (ob verwandt mit dher-1 ‘trüber Bodensatz’ und dher-4?)

Lat. foria Pl. ‘Durchfall’ (bei Varro von Schweinen), foriō, -īre ‘cacare’;
gr. δαρδαίνει· μολύνει (*dhr̥-d-) Hes., nach Fick KZ. 44, 339 makedonisch, entweder aus θαρ-θ- mit gebrochener Red. oder aus θαρ-δ- mit demselben formantischen -d- wie die i-Erw. dhr-ei-d-; sehr zweifelhaft;
lit. der-k-iù der̃kti ‘besudle mit Unflat, leere den After’.
dhr-ei-d-:
anord. drīta (dreit), ags. drītan, mndl. ndd. drīten, ahd. trīzan ‘cacāre’, o-stufig anord. dreita ‘facere cacāre’, schwundstufig mengl. nengl. dirt (aus *drit), aisl. drit, fläm. drits, trets ‘Dreck, Kof, westfäl. driǝt ‘Schiß’;
russ. dial. dristátь ‘Durchfall haben’, bulg. drískam, dríštъ ‘habe Durchfall’, serb. drískati, dríćkati, čech. dřístati ds. (slav. *drisk-, *drist- aus *dhreid-sk-, -(s)t-, Berneker 224).

WP. I 861 f., WH. I 527 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal