Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

doof - (niet kunnende horen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

doof bn. ‘niet kunnende horen’
Mnl. doef /doof/ ‘doof’ [1240; Bern.].
Mnd. dōf; ohd. toub ‘doof, ongevoelig, stompzinnig, dom’ (nhd. taub ‘doof’); ofri. dāf ‘doof’; oe. dēaf (ne. deaf ‘doof’); on. daufr (nzw. döv ‘doof’); got. daufs; < pgm. *dauba- ‘doof’. Hierbij behoren wrsch. ook mnl. douen, doven ‘gek zijn, razen’ [1240; Bern.]; ohd. tobōn ‘razen’ (nhd. toben ‘razen, tieren’); os. dobōn ‘razen’; oe. dofian ‘gek zijn’ en het bn. on. dofinn ‘gevoelloos’ (nde. doven ‘lui’).
Men verbindt pgm. *dauba enerzijds met Grieks tuphlós ‘blind, donker’ en anderzijds met Grieks tũphos ‘rook, damp, bedwelming’, maar die twee woorden kunnen niet verwant zijn als zij Indo-Europees zijn < pie. *dheubh ‘gevoelloos, verdoofd zijn’ (IEW 263v.). Verder denkt men ook aan verwantschap met → dwepen. Wrsch. hoort bij deze wortel ook → dom 2; de nasaal kan ook weer wijzen op een niet-Indo-Europees substraat.

EWN: doof bn. 'niet kunnende horen' (1240)
ANTEDATERING: also aspidis douuero 'als van de adder die doof is' [901-1000; ONW]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

doof* [niet kunnende horen] {doof, doove [gevoelloos, dwaas, doof] 1201-1250} verwant met oudhoogduits toup [idem], oudfries dāf, oudengels deaf, oudnoors daufr, gotisch daubs [doof]; buiten het germ. grieks tuphlos [omneveld, blind, doof], oudiers dub [zwart]. De uitdrukking zo doof als een kwartel [stokdoof] is niet ontstaan omdat de kwartel doof zou zijn, maar omdat hij, als hij zich bedreigd voelt, doodstil blijft zitten. Men kan een geweer afschieten zonder dat hij opvliegt. De uitdrukking oostindisch doof [doen alsof men niet hoort] slaat op de Maleise gewoonte niemand te willen beledigen door neen te zeggen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

doof bnw., dial. ook ‘dof, bewolkt’, mnl. doof ‘doof, dof, dor, dwaas, hardvochtig’, mnd. dōf ‘doof, onbeduidend, vergeefs’, ohd. toup ‘doof, ongevoelig, dom, dwaas’, ofri. dāf, oe. dēaf, on. daufr, got. daubs ‘doof’. Verder zijn te noemen: os. doƀon ‘gek zijn’, ohd. tobēn ‘razen’, oe. dofian ‘gek zijn’, on. dofinn ‘gevoelloos, slap’. — gr. tuphlós ‘blind, donker’, tũphos ‘rook, damp’ oiers dub ‘zwart’, idg. wt. *dheubh ‘stuiven, nevelig, donker’ (IEW 263-4). — Zie verder ook: dom 2.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

doof bnw. (ook in doove kolen), dial. ook “dof, bewolkt”, mnl. doof “doof, dof, dor, dwaas, hardvochtig”. = ohd. toup (b) “doof, ongevoelig, dom, dwaas, dol” (nhd. taub), mnd. dôf “doof, onbeduidend, vergeefsch”, ofri. dâf “doof, ags. dêaf “doof” (eng. deaf), on. daufr “doof, got. daubs “doof, verstokt”. Met ablaut mnl. dōven “gek zijn, razen”, ohd. tobên “razen” (nhd. toben), os. doƀon “gek zijn”, ags. dofian “id.”, on. dofinn “gevoelloos”; mhd. tob “gek, dol” is misschien ook een oud woord met schwundstufe, maar ndl. dof, duf (zie aldaar) zeker niet: dan zou ’t wel in oudere teksten voorkomen. De û-trap in ohd. tûfar. tûbar “dwaas”. Al deze vormen benevens dom II komen van de idg. basis dhū̆bh-”gevoelloos, verdoofd zijn”; hiervan ook gr. tuphlós “blind”. Idg. dhū̆bh-”rooken, dampen”, waarvan gr. tũphos “rook”, túphō “ik doe rooken, dampen”, wellicht ook ier. dub “zwart”, zal in den grond wel met dit andere dhū̆bh- identisch zijn: het heeft dan een oudere, meer zinnelijke bet. bewaard. Hoogerop is verwantschap met dhū̆- (zie dier) waarschijnlijk.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

doof bijv., Mnl. id., Os. douf + Ohd. toub (Mhd. toup, Nhd. taub), Ags. déaf (Eng. id.), Ofri. dáf, On. daufr (Zw. döf, De. døv), Go. daufs, daarnevens met zwakken graad Mnl. doven, Os. doƀon, Hgd. toben = gek zijn, razen, Mhd. tob = dol (Ndl. dof is of wel verkort uit doof of wel = Mhd. tob) + Gr. tuphlós = blind, tũphos = rook: Idg. wrt. dheu̯bh, met nasaleering in dom 4.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

douf (bn.) doof; Vreugmiddelnederlands doof <1240>.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

daf , (dom en -) in de war door vermoeidheid (Twente, Achterhoek). Mogelijk een ingwaeonisme hoewel heel ver van de kust, en dan irregulier verkort ‹ *daaf (= doof, ofri. dāf ‘doof’). Vgl. ouder eng. dumb and deaf ‘doofstom’.
DB XI 24-25.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Doof, van Idg. wt.: dhubh = stomp, verstompt, verdoofd zijn; ook dof behoort hiertoe, evenals dom (Got. dumbs), dat eveneens een verdoofd zijn van ’t verstand uitdrukt. De Grieken noemden tuph-los (voor thuph-los) daarentegen blind: verdoofd zijn van ’t gezicht.

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

[verkeerd gebruik van een voorzetsel o.i.v. het Frans]
doof. - Naar fr. sourd à -; in het Nederlandsch doof voor -. || Een hart dat … doof bleef aan alle gevoel van menschelijkheid, MILLECAM, Finh. en Lieder. 1, 26. Zoodra hij (t.w. zekere waard) hoort dat Jozef en Maria hem niets anders dan wenschen en zegen kunnen aanbieden, blijft hij doof aan hunne smeekingen, V. HAUWAERT, Vl. Toon. 75.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

doof ‘niet kunnende horen’ -> Negerhollands doof ‘niet kunnende horen’; Berbice-Nederlands dofu ‘doof; bot, stomp’; Papiaments dof ‘hardhorend, hardhorig; gevoelloos’; Sranantongo dofu ‘niet kunnende horen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

doof* niet kunnende horen 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

460. Zoo doof als een kwartel (of een kwakkel),

d.w.z. zeer doof, stokdoof; potdoof, zoo doof als een pot (die ooren heeft en niet hoort; fr. sourd comme un potTijdschrift, XXXVIII, 286.; ook een weinig doof; vgl. Molema, 232 b: kwarteldoof, een weinig doof, zooveel als oostinjesdoof; fri. kwarteldôf, een weinig doof. Eene sedert de 16de eeuw voorkomende uitdr., die aangetroffen wordt bij Sart. II, 9, 85: Soo doof als een Quartel, proverbium in eos, qui non audiunt; V. Moerk. 316: Een doove kwartel; Brederoo I, 17: De doove Quartel ick, met een ghemaeckte stem, bedrieghelijcken broght in dunne Netgis hem; Winschooten, 318: soo doof als een quartel of quakkel; Rusting, 490: Blint en doof gelyk een quartel; Kluchtspel III, 38; Halma, 524: zij is zoo doof als een quartel, zij is heel doof; Waasch Idiot. 184 b: zoo doof als een erpel (mannetjes eend), een mol, een kanon, een pot, een kwakkel. Zie verder Wander IV, 1039; Harreb. I, 462; III, CXLIX; Gunnink, 158; Ndl. Wdb. VIII, 708 en Eckart, 514: he es so dauf as en Quartel. De verklaring dezer uitdr. is moeilijk, daar een kwartel volstrekt niet doof is, evenmin als eene lijster, en toch vindt men in het later Latijn surdior turdo (doover dan eene lijsterSart. II, 9, 86; Journal, 14., en ook evenmin als een ekster of een snip, terwijl men toch in het Friesch zegt sa dôf as in ekster, as in snip naast sa dôf as in kwartel. Elders kent men ulke-doofGallée, 47 b en Draaijer, 44 a. Ook in Twente., dus zoo doof als een bunzing (Harreb. II, 353); in het Engelsch as deaf as an adder, zoo doof als een adder (vgl. echter Psalm 58, 5), oostindisch doof, allemaal dieren, waarvan het in 't geheel niet bekend is, dat zij die eigenschap bezitten. Daar de kwartel tot die dieren behoort, welke, wanneer zij angstig worden, stil op den grond ineengedoken blijven zitten, zoodat men er wel op kan trappen, zonder dat zij zich verroeren, of een geweer vlak bij hen kan afschieten, zonder dat zij opvliegen, zóózeer zijn ze door schrik en angst bevangen, is het niet onmogelijk, dat men ze voor doof heeft gehoudenAndere verklaringen vindt men in Harreb. I, 462 en Taal en Letteren IX, 224. Volgens J. Daalder, Handelsbl. 5 Sept. 1909 (Ochtendblad) verkeert het wijfje van den kwartel gedurende den broeitijd in een staat van verdooving en blijft het meermalen op het nest, wanneer men er bij postvat. Vandaar onze spreekwijze.. Een doove kwartel is een stokdoove.

461. Hij is Oostindisch doof,

d.w.z. hij houdt zich doof, hij doet alsof hij niets hoort, als hij geroepen, aangesproken of om iets aangezocht wordt; 17de eeuw: den doove maken of spelen; (18de eeuw) den dooverick maken; in het fri. ingelsk dôf; bij Schuermans, Bijv. 70 a: den doovaard, dooverik spelen; De Bo, 258. Harrebomée I, 147 b meent, dat ‘deze hebbelijkheid van niet te willen luisteren naar eene vermaning of een verzoek wel het meest op de Oost-Indiërs toepasselijk is, daar hun, door de heete luchtsgesteldheid, eene natuurlijke traagheid eigen is’. Andere vermoedens vindt men in den Navorscher I, 312; VIII, 295. Men zal wel moeten denken aan de eigenaardige kwaal van oostersche vorsten, die dikwijls vertoogen van westersche regeeringspersonen niet heeten te begrijpen, of kwalijk te verstaan, om daardoor uitstel te winnen voor de vervulling hunner beloften. De uitdrukking dagteekent eerst uit de 19de eeuw. Zie Ndl. Wdb. XI, 224; III, 2885.

462. Aan eens dooven mans deur kloppen,

d.w.z. geen gehoor krijgen; ook afgewezen worden, niet ingewilligd worden, van een verzoek gezegd. In het Mnl. voor eens doven duer cloppen, naast vedelen vor die dove; bij Sartorius I, 5, 45: 't Is voor een dooffmans deur, nostrates verba fieri dicunt pro surdi foribus, siquidem illinc clamare ac rogitare solent mendici; vgl. Tuinman I, 253; Sewel, 183: Aan een doofmans deur kloppen, to tell a tale to one that is deaf, to sollicit in vain; Harrebomée III, 157; Waasch Idiot. 185 a: aan doovemans deur kloppen of bellen; Antw. Idiot. 1657: aan doovemans deur kloppen; 't is op den doove gefloten; Teirl. 359: an (of op) doovemans deure kloppen. Het is eene in de literatuur van vroegere eeuwen zeer dikwijls voorkomende uitdrukking, waarvoor men soms ook vindt: ‘voor een doodmans deur’ of ‘voor een doove deurVgl. Kiliaen: doode oft doove kole; doode oft doove netel.. In het Friesch: hy kloppet oan in dôvemans of dea-mans doar. Synoniem is doove ooren vinden, wat doet denken aan lat. surdis (auribus) canere, dicere (Otto, 47; Journal, 15).

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

dheu-4, dheu̯ǝ- (vermutlich: dhu̯ē-, vgl. die Erw. dhu̯ē-k-, dhu̯ē̆-s-) ‘stieben, wirbeln, bes. von Staub, Rauch, Dampf; wehen, blasen, Hauch, Atem; daher dampfen, ausdünsten, riechen, stinken; stürmen, in heftiger, wallender Bewegung sein, auch seelisch; in heftige, wirbelnde Bewegung versetzen, schütteln’, Nominalbildungen: dhū-li-, dhū-mo-

Mit m-Formantien:
Ai. dhūmá-ḥ m. ‘Rauch, Dampf’, dhūmāyati ‘raucht, dampft’ = lat. fūmāre, formell auch = ahd. tūmōn ‘sich im Kreise drehen’;
gr. θῡμός ‘Gemütswallung, Leidenschaft, Mut’ (θῡμιάω noch rein sinnlich ‘rauche, räuchere’; θῡμάλ-ωψ ‘Kohlenmeiler’, θυμικός ‘leidenschaftlich’, θῡμαίνω ‘zürne’ usw.);
lat. fūmus ‘Rauch, Dampf, Qualm, Brodem’ (fūmāre s. oben);
lit. dū́mai Pl. ‘Rauch’, lett. dũmi Pl., apr. dumis ds.;
aksl. dymъ ‘Rauch’;
mit ŭ: mir. dumacha Pl. ‘Nebel’ (nir. dumhach aus *dhumuko- ‘neblig, dunkel’); gr. θύμος, -ον ‘Thymian’ (starkriechende Pflanze wie auch θύμβρα, θύμβρον ‘Satureja thymbra L.’ s. Boisacq m. Lit.; nach Niedermann Gl. 19, 14 zu russ. dubrávka, dubróvka ‘Potentilla Tormentilla’, dasnach Berneker 215 zu aksl. dǫmbъ ‘Eiche’ [s. unten S. 264] gehört).
Lat. fimus ‘Mist, Dünger’ (als *dhu̯-i-mos auf Grund von suffio, -īre erwachsen);
mit idg. ou: ahd. toum ‘Dampf, Dunst, Duft’, as. dōmian ‘dampfen’.
Dazu Farbenadjektive der Bed. ‘rauchfarben, nebelgrau, düster’: ai. dhūmrá- ‘rauchfarben, grau, braunrot, trüb (auch vom Verstand)’, dhūmala- ‘rauchfarben, braunrot’;
lit. dum̃blas ‘Schlamm, Moor auf dem Grund eines Teiches’, lett. dubl’i ‘Schlamm, Kot’ (vermutlich = ai. dhūmra-; vgl. aber unten S. 268 und Mühlenbach-Endzelin I 509), lett. dũmal’š ‘dunkelfarbig, braun’, dũmaîns ‘rauchfarben’, dumjš, fem. dumja ‘dunkelbraun, fahl, trüb (von den Augen), dumm’, dumûksnis ‘Sumpf’, dumbra zeme ‘schwarzes Moorland’, dum̃bris, dum̃brs ‘Quelle, Moor, Morast’ (vgl. Mühlenbach-Endzelin I 514; ausführlich über solche Moorbezeichnungen nach der Farbe Schulze Kl. Schr. 114);
vgl. mit dem Farbnamensuffix -no-: lett. dûńi, dùńas Pl. ‘Schlamm’;
mit -ko-, bzw. von der Wurzelerw. mit -k-: lett. dûksne, dùkste ‘Sumpf, Pfuhl, Morast’ :dũkans ‘Schweißfuchs, dunkelfarbig’;
mit -g-: lett. duga ‘zäher Schleim, der auf dem Wasser schwimmt’, dugains ûdens ‘unreines Wasser’, d. uguns ‘dunkle, getrübte Flamme’, dungans ‘Schweißfuchs’ (wenn letzteres nicht aus*dumgans, vgl. bal̃gans ‘weißlich’, salgans ‘süßlich’);
mit -t- toch. В tute ‘gelb’?

Mit l-Formantien :
Ai. dhūli-, dhūlī f. ‘Staub, staubiger Erdboden, Blütenstaub’, dhūlikā ‘Nebel’, alb. dëlënjë ‘Wacholder’ (als ‘Räucherholz’, aus *dhūlīni̯o-), lat. fūlīgo ‘Ruß’, mir. dūil ‘Wunsch, Begehr’ (*Gemütswallung, wie θῡμός), lit. dū́lis m. ‘Räucherwerk zum Forttreiben der Bienen’, dùlkė ‘Stäubchen’, lett. dũlãjs, dũlẽjs ‘mehr rauchende als brennende Fackel zum Honigausnehmen’; lit. dul̃svas ‘rauchfarben, mausgrau’; ablautend russ. dúlo ‘Mündung (eines Gewehrs, einer Kanone’), dúlьce ‘Mundstück eines Blasinstruments’ (usw., s. Berneker 237; erst slav. Ableitungen von duti ‘blasen’).

Verba und einzelsprachliche Nominalbildungen:
ai. dhūnṓti (dhunōti, dhuváti) ‘schüttelt, bewegt hin und her, facht an’, Fut. dhaviṣyati, Perf. dudhāva, Pass. dhūyáte, Partiz. dhutá-ḥ, dhūtá-ḥ ‘geschüttelt’, mpers. dīt ‘Rauch’; ai. dhunāti ‘bewegt sich hin und her, schüttelt’, Partiz. dhūnāna-, dhūni- f. ‘das Schütteln’, dhūnayati ‘bewegt hin und her, schüttelt’, dhavítram n. ‘Fächer, Wedel’, dhavitavyà- ‘anzufächeln’; av. dvaidī ‘wir beide bedrängen’? (*du-vaidī); Kuiper Nasalpräs. 53 stellt hierher ai. dhvajati (Dhp. 7, 44), av. dvažaiti ‘flattert’ (dazu ai. dhvajá-ḥ ‘Fahne’) aus *dhu̯-eg- (?);
arm. de-dev-im ‘schwanke, schaukle’ (vgl. das ebenfalls redupl. Intensiv dhvajá-ḥ ai. dō-dhavīti);
gr. θύ̄ω (ἔθῡσα), lesb. θυίω ‘stürme einher, brause, tobe, rauche’ (*dhu-i̯ō, ῡ aus θύ̄σω, ἔδῡσα, wie auch ū im ai. Pass. dhūyáte und anord. dȳja ‘schütteln’ Neubildung ist; in der Bed. ‘rase’ vielleicht aus *dhusi̯ō, s. dheu̯es-), θυάω, θυάζω ds., θύελλα ‘Sturm’ (s. S. 269 unter dheu̯es-), ep. θύ̄νω ‘fahre einher, stürme daher’ (*θυνϝω), θυνέω ds. (*θυνέϝω), θῦνος πόλεμος, ὁρμή, δρόμος Hes. Mit der Bed. ‘rauchen (Rauchopfer), riechen’: θύ̄ω (θύ̄σω), τέθῠκα ‘opfere’, θυσία ‘Opfer’, θῦμα ‘Opfertier’, θύος n. ‘Räucherwerk (daher lat. tūs), Opfergabe, Opfer’ (davon θυεία ‘Mörser’? s. Boisacq m. Lit.), θυόεις, θυήεις ‘von Opferdampf oder Räucherwerk duftend’, θύον ‘ein Baum, dessen Holz wegen seines Wohlgeruches verbrannt wurde’, θυία, θύα ‘Thuya’, θυηλή ‘Opfergabe’ ( : ion. θυαλήματα : att. θῡλήματα, *θῠϝα- : *θῡ-, s. Bechtel Lex. 168 f., Boisacq s. v.), θῠμέλη ‘Opferstätte, Altar’.
Auf Grund der Bed. ‘(zusammen)wirbeln’ θί̄ς, θῑνός ‘Sandhaufen, bes. Düne, Gestade, Sandbank, Haufen überhaupt’, aus *θϝ-ῑν, gebildet wie ακτί̄ν-, γλωχί̄ν-, δελφί̄ν-, ὠδί̄ν-, vgl. gr. θίλα ‘Haufen’ (Hes.), zur Bed. unten nhd. Düne; kaum mit Schwyzer Gr. Gr. I 5702 zu ai. dhíṣṇya- ‘auf einen Erdaufwurf aufgesetzt’;
alb. geg. dêj, tosk. dënj ‘berausche’, Med. ‘schwinde dahin, schmelze’ (*deuni̯ō, vgl. got.dauns ‘Dunst’), dêjet ‘fließt, schmilzt’;
lat. suf-fiō, -fīre ‘räuchern’ (suffīmentum ‘Räucherwerk’; über fĭmus s. oben) aus *-dhu̯-ii̯ō, wie fio ‘werde’ aus *bhu̯-ii̯ō, foeteo, -ēre ‘übel riechen, stinken’ auf Grund eines Partiz. *dhu̯-oi-to-s (wie pūteō von *pūtos);
hierher (als *Aufgeschüttetes) gall., urir. Δοῦνον, latin. dūnum, air. n. s-St. dūn ( : lat. fūnus, s. S. 260) ‘Burg’ (*Hügel), acymr. din (ncymr. dinas) ds.; air. dú(a)ë, arch. dóë ‘Wall’ (*dhōu̯i̯o-); air. dumae m. ‘Hügel’, gall. GN Dumiatis; auch air. dé f. Gen. dīad ‘Rauch’, mir. dethach ds. (*dhu̯ii̯at-);
ags. dūn m. f. ‘Höhe, Berg’, engl. down ‘Sandhügel, Düne’, mnl. dūne, mnd. dǖne, daraus nhd. Düne; vgl. zur Bedeutung klr. vý-dma ‘Düne’ zu slav. dъmǫ ‘blase’; hingegen ist germ. *tū-na- ‘Zaun, eingehegter Platz’ (aisl. ags. tūn ds., ‘Stadt’, nhd. Zaun) wohl kelt. Lw.;
anord. dȳja ‘schütteln’ s. oben;
got. dauns f. ‘Geruch, Dunst’ (*dhou-ni), anord. daunn m. ‘Gestank’ (vgl alb. dej; über ahd. nhd. dunst s. unter der Wurzelform *dheu̯es-); anord. dūnn m. ‘Daune (daraus mnd. dūne, wovon wieder nhd. Daune; vgl. mndl. donst ‘Daunen, Staubmehl’ = dt. Dunst; s. Falk-Тогp u. dun); as. dununga ‘deliramentum’ ( oder ū?); aisl. dūni ‘Feuer’;
lit. dujà f. ‘Stäubchen’, dujė ‘Daune’; dvỹlas ‘schwarz, schwarzköpfig, vom Rinde’, ablaut. dùlas ‘fahlgrau’;
slav. *dujǫ, *duti (z. B. russ. dúju, dutь) ‘blasen, wehen’, ablautend *dyjǫ in sloven. díjem, díti ‘wehen, duften, leise atmen’; aksl. dunǫ dunǫti (*dhoun-) ‘blasen’ (ablautend mit ai. dhū̆-nóti, -nāti, gr. θύ̄νω);
toch. A twe, В tweye ‘Staub’.
Vgl. noch das vielleicht ursprungsgleiche *dheu- ‘laufen, rinnen’.

Wurzelerweiterungen:
I. bh-Erw.: dheubh- ‘stieben, rauchen; neblig, verdunkelt, auch vom Geist und den Sinnen’.
Gr. τύφω (θῦψαι, τῠφῆναι) ‘Rauch, Dampf, Qualm machen; langsam verbrennen, sengen; Pass. rauchen, qualmen, glimmen’, m. τῦφος ‘Rauch, Dampf, Qualm; Benebelung, Torheit, dummer Stolz’, τετῡφῶσθαι ‘töricht, aufgeblasen, hoffärtig sein’, τῡφῶς, -ῶ oder -ῶνος ‘Wirbelwind, Ungewitter’, τῡφεδών, -όνος ‘verheerender Brand’, τῡφεδανός, τῡφογέρων ‘geistesschwacher Alter’; τυφλός ‘blind, dunkel, blöde’, τυφλόω ‘blende’, τυφλώψ ‘blind’, τυφλώσσω ‘werde blind’.
Air. dub (*dhubhu-) ‘schwarz’, acymr. dub (*dheubh-), ncymr. du, acorn. duw, mcorn. du, bret. dū́ ‘schwarz’, gall. Dubis ‘Le Doubs’, d. i. ‘Schwarzwasser’; wohl auch mir. dobur ‘Wasser’, cymr. dwfr, corn. dour (d. i. dowr), bret. dour (d. i. dur) ds., gall. Uerno-dubrum Flußname (‘Erlenwasser’) sind nach derselben Anschauung benannt; vielleicht sind aber die kelt. Worte mit idg. b anzusetzen und gehören zu dheub- ‘tief’ (unten S. 268), da ‘tief’ und ‘schwarz’ leicht identisch sein können. So kann der pomerell. FlN Dbra (*dъbra) ebensogut mit lett. dubra, ksl.dъbrь identisch sein.
Got. daufs (-b-) ‘taub, verstockt’, anord. daufr ‘taub, träge’, ags. dēaf ‘taub’, ahd. toup (-b-) ‘taub, stumpfsinnig, unsinnig’, anord. deyfa, mhd. touben ‘betäuben, kraftlos machen’, ablautend nd. duff ‘schwül (Luft), matt (Farbe), gedämpft (Laut)’, ndl. dof, mhd. top ‘unsinnig, töricht, verrückt’, ō-Verb: ahd. tobon, as. dovōn ‘wahnsinnig sein’, ags. dofian ‘rasen’, ē-Verb: ahd. tobēn, nhd. toben, sowie (als Partiz. eines st. V.) anord. dofinn ‘stumpf, schlaff, halbtot’, wozu dofna ‘schlaff, schal werden’; anord. dupt n. ‘Staub’, norw. duft, dyft f. ds., mhd. tuft, duft ‘Dunst, Nebel, Tau, Reif’, ahd. tuft ‘Frost’, nhd. Duft ‘feiner Geruch’ (oder zur Wurzelf. dheup-, s. unten);
got. (hraiwa-)dūbō, anord. dūfa, ags. dūfe, ahd. tūba ‘Тaube’ (nach der dunkeln Farbe).
Nasaliert got. dumbs, anord. dumbr, ags. dumb ‘stumm’, ahd. tumb ‘stumm, dumm, unverständlich’, as. dumb ‘einfältig’. Doch scheint ein *dhu-m-bhos ‘dunkel’ auch durchs Slav. gestützt zu werden (s. unten).
Vielleicht (Berneker 215) aksl. dǫbъ ‘Eiche, dann Baum überhaupt’ als ‘Baum mit dunkelm Kernholz’ wie lat. rōbur. Dagegen kann bei lett. dumbra zeme ‘schwarzes Moorland’ usw. b Einschublaut zwischen m und r sein, s. oben, ebenso bei lit. dum̃blas ‘Schlamm’ (mhd. tümpfel, nhd. Tümpel, Prellwitz KZ. 42, 387, vielmehr zu nhd. tief, mnd. dumpelen ‘untertauchen’, s.Schulze SBpr.Ak. 1910, 791 = Kl. Schr. 114).
Daneben dhūp- in: ai. dhūpa- m. ‘Rauch, Räucherwerk’, ahd. tūvar, tūbar ‘wahnsinnig’ (auch in Duft? s. oben).

2. dh-Erw.: dheu-dh- ‘durcheinanderwirbeln, schütteln, verwirren’.
Ai. dṓdhat- ‘erschütternd, ungestüm, tobend’, dúdhi-, dudhra- ‘ungestüm’, wohl auch dúdhita- (Beiwort von tamas ‘Finsternis’) etwa ‘verworren, dicht’;
gr. θύσσεται· τινάσσεται Hes. (*θυθι̯εται), θύσανος ‘Troddel’, hom. θυσσανόεις ‘mit Troddeln oder Fransen behangen’ von *θυθι̯α (*dhudhi̯a = lett. duža ‘Bündel’), τευθίς, τεῦθος, τευθός ‘Tintenfisch’ (‘das Wasser trübend, verwirrend’);
germ. *dud-, geminiert *dutt- und *dudd-: dän. dude, älter dudde ‘Taumellolch’ (aber über isl. doðna ‘gefühllos werden’ s. oben S. 260), nd. dudendop, -hop ‘schläfriger Mensch’, afries. dud ‘Betäubung’, norw. dudra ‘zittern’, ags. dydrian ‘täuschen’; mit -dd-: engl. dial. dudder ‘verwirren’, dodder ‘zittern, wackeln’, engl. dodder ‘briza media, Zittergras’; mit -tt-: mndl.dotten, dutten ‘verrückt sein’, mnd. vordutten ‘verwirren’, mhd. vertutzen, betützen ‘betaubt werden, außer Fassung geraten’, isl. dotta ‘vor Müdigkeit nicken’;
ähnlich, auf Grund von *dhu̯edh-: ostfries. dwatje ‘albernes Mädchen’, dwatsk ‘einfältig, verschroben’, jütisch dvot ‘an der Drehkrankheit leidend’.
Mit dem Begriff des wirren Gerankes schwed. dodra, mhd. toter m. ‘Dotterkraut, cuscuta’, mengl. doder, nengl. dodder ‘Flachsseide’, ndl. (vlas)-doddre ds. Nach Falk-Torp u. dodder wäre das Wort als Bezeichnung für gewisse Pflanzen mit gelben Blüten auf den Eidotter übertragen: as. dodro, ahd. totoro, ags. dydring ‘Ei-dotter’ (-ing beweise die Ableitung von Pflanzennamen); eher ist dafür ‘Klumpen’ = ‘dicke Masse’ im Gegensatz zum zerfließenden Eiweiß die vermittelnde Bed. gewesen (Persson) oder vgl. norw. dudra ‘zittern’ das elastische Zittern dieses gallertartig wippenden Kerns; vgl. aisl. doðr-kvisa ‘ein Vogel’.

3. k-Erw.: dhu̯ēk-, dhū̆k- und dheuk-:
Ai. dhukṣatē, dhukṣayati mit sam- ‘facht (bläst) das Feuer an, zündet an, belebt’, dhūka- m. (unbelegt) ‘Wind’;
lit. dvė̃kti, dvėkúoti, dvėkterėti ‘atmen, keuchen’, dvõkti ‘stinken’, dvãkas ‘Hauch, Atem’, dùksas ‘Seufzer’, dūkstù, dū̃kti ‘rasend werden, rasen’, dū̃kis ‘Raserei’, lett. dùcu, dùkt ‘brausen, tosen’, ducu, ducêt it. ‘brausen’, dūku (*dunku), duku, dukt ‘matt werden’; Farbbezeichnungen wie lett. dũkans ‘dunkelfarbig’ (s. oben) schlagen vermutlich die Brücke zu:
ahd. tugot ‘variatur’, tougan ‘dunkel, verborgen, geheimnisvoll, wunderbar’, n. ‘Geheimnis, Wundertat’, as. dōgalnussi ‘Geheimnis, Schlupfwinkel’, ags. dēagol, dīegle ‘heimlich’, ahd.tougal ‘dunkel, verborgen, geheim’; auch ags. dēag f. ‘Farbe, fucus’, dēagian ‘färben’, engl. dye.

4. l-Erw.: dh(e)u̯el- (vgl. dazu oben die l-Nomina wie ai. dhūli-) ‘aufwirbeln, trüben (Wasser, den Verstand); trübe, dunkel, geistig schwach’.
Gr. θολός ‘Schlamm, Schmutz, bes. von trübem Wasser, der dunkle Saft des Tintenfisches’ (= got. dwals), Adj. ‘trübe’, θολόω ‘trübe’, θολερός ‘schlammig, trübe, verfinstert; verwirrt, betört’;
Δύαλος, Name des Dionysos bei den Paionen (Hes.) ‘der Rasende’, illyr. Δευάδαι· οἱ Σάτ[υρ]οιὑπ’ ‘Iλλυριῶν (Hes.);
air. dall ‘blind’, clūas-dall ‘taub’ (‘gehörblind’), cymr. corn. bret. dall ‘blind’ (über *du̯allos < *du̯l̥los aus *dhu̯l̥no-s);
got. dwals ‘einfältig’, anord. dvala f. ‘Zögerung’; ablautend as. ags. dol ‘albern, töricht’, ahd. tol, tulisc ‘töricht, unsinnig’, nhd. toll, engl. dull ‘dumm, fade, matt (auch von Farben)’, anord. dul f. ‘Verhehlen, Einbildung, Hochmut’, dylja ‘verneinen, verhehlen’ und andererseits anord. dø̄lskr (*dwōliska-) ‘töricht’; as. fardwelan st. V. ‘versäumen’, afries. dwilith ‘irrt’; ags. Partiz. gedwolen ‘verkehrt, irrig’, ahd. gitwełan ‘betäubt sein, säumen’, anord.dulinn ‘eingebildet’; Kaus. anord. dvelja ‘aufhalten, verzögern’, as. bidwellian ‘aufhalten, hindern’, ags. dwelian ‘irreführen’, ahd. *twaljan, twallen, mhd. twel(l)en ‘aufhalten, verzögern’; anord. dvǫl f. ‘Verzögerung’, ags. dwala m. ‘Verirrung’, ahd. gitwolo ‘Betörung, Ketzerei’; got. dwalmōn ‘töricht, wahnsinnig sein’, ags. dwolma, as. dwalm ‘Betäubung’, ahd. twalm ‘Betäubung, betäubender Dunst, Qualm’, anord. dylminn ‘gedankenlos, leichtsinnig’, dän. dulme ‘schlummern’.

5. n-Erw. : dhu̯en(ǝ)- ‘stieben, heftig bewegt sein; wirbelnder Rauch, Nebel, Wolke; benebelt = dunkel, auch von der Verdunkelung des Bewußtseins, dem Sterben’.
Ai. ádhvanīt ‘er erlosch, schwand’ (vom Zorn, eigentlich ‘verdunstete, zerstob’), Kaus.dhvā̆nayati ‘verdunkelt’, Partiz. dhvāntá- ‘dunkel’, n. ‘Dunkel’;
av. dvan- mit Präverbien ‘fliegen’ (apa-dvąsaiti ‘macht sich auf zum Davonfliegen’, upa-dvąsaiti ‘kommt herzugeflogen’, Kaus. us-dvąnayat̰ ‘er lasse in die Höhe fliegen’); dvąnman- n. ‘Wolke’, aipi-dvąnara- ‘wolkig, neblig’, dunman- ‘Nebel, Wolke’;
gr. θάνατος ‘Tod’, θνητός ‘sterblich’ (*dhu̯enǝtos und *dhu̯n̥̄tós), dor. θνά̄σκω ‘sterbe’, nach den Präs. auf -ίσκω umgebildet att. ἀποθνῄσκω (-θανοῦμαι, -θανεῖν), lesb. θναίσκω ds. (Schwyzer Gr. Gr. I 362, 709, 770);
lett. dvans, dvanums ‘Dunst, Dampf’, dviñga ‘Dunst, Kohlendampf’ (Mühlenbach-Endzelin I 546).

6. r-Erw.: dheu̯er- (dhu̯er-, dheur-) ‘wirbeln, stürmen, eilen; Wirbel = Schwindel, Torheit’.
Ai. (unbelegt) dhōraṇa- n. ‘Trab’, dhōrati ‘trabt’ (= sl. dur-, s. unten); vielleicht dhurā́ Adv. ‘gewaltsam’; dhāṭī ‘Überfall, nächtlicher Überfall’, wenn mind. Entw. aus *dhvārtī ‘Heranstürmen’;
vielleicht gr. ἀ-θύ̄ρω (*ἀ- = ‘in’ + *θυρι̯ω) ‘spiele, belustige mich’, ἄθυρμα ‘Spiel, Spielzeug; Schmuck, Putzsachen’ (wenn ‘spielen’ aus ‘springen’);
lit. padùrmai Adv. ‘mit Ungestüm, stürmisch’, apr. dūrai Nom. Pl. ‘scheu’;
russ. durь ‘Torheit, Albernheit, Eigensinn’, durě́tь, ‘den Verstand verlieren’, durítь ‘Possen treiben’, durák ‘Narr’, dúra ‘Närrin’, durnój ‘schlecht, häßlich, übel’, dial. ‘unvernünftig, wütend’, durníca ‘Bilsenkraut, Taumellolch’, klr. dur, dura ‘Betäubung, Taumel, Narrheit’, serb. dȗrīm, dúriti se ‘aufbrausen’ usw.;
toch. A taur, В tor ‘Staub’?

WP. I 835 ff.; WH. I 499 f., 561 f., 57 If., 865; Trautmann 62 f., Schwyzer Gr. Gr. I 686, 696, 703.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal