Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dong - (mest)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

dong1* [mest] {dong(e) 1532-1537} oudhoogduits tunga, oudfries, oudengels dung, oudnoors dyngja (vgl. donk2).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

dong m. (mest), Mnl. dong + Ohd. tung (Mhd. tung, Nhd. dung), Ags. dung (Eng. id.), Ofri. id., Zw. dynga, De. dynge; in ’t Ndd. en ’t Hgd. ook = onderaardsche, met mest bedekte woonplaats. Is dit de oorspronk. bet. dan + Gr. táphos (d.i. Idg. *dhŋɡhos) = graf.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

duunger, zn.: kunstmest. D. Dünger, afgeleid van D. Dung ‘mest’, Ohd. tunga, Mhd. tunge, Oe. dung, E. dung, On. dyngja ‘hoop’, N. dyngja ‘mesthoop’, vgl. de plaatsnaam Donk ‘hoogte’. Daarnaast Ohd. tung, Mhd. tunc ‘onderaards weefvertrek’. Volgens Tacitus gebruikten de Germanen onderaardse woonvertrekken die ze ter isolering met mest bedekten. Vandaar het verband met dekken. Lit. deñgti ‘bedekken’. Idg. *dhengh- ‘drukken, bedekken’.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

dong mest, mestvaalt (Westerkwartier). = mnl. dong, donge ‘mest’, ohgd. tunga ‘mest’, ofri., oeng. dung ‘mest’. Eerste deel v. n.oostnl. dongbult ‘mestvaalt’. Vgl. mnl. donc onderaardse bewaarplaats, onderaards weefvertrek, mghd. tunc ‘half ondergronds weefvertrek’, ono. dyngja ‘vrouwenvertrek’. Van een i.e. wortel die ‘bedekken’ betekent en aanwezig is in lit. deñgti ‘bedekken’. Men bedenke nl. dat Latijnse schrijvers verhalen dat de Germanen hun ondergrondse bewaarplaatsen met een laag mest afdekten.
Ter Laan 179, NEW 126, Kocks 215.

duunger kunstmest (Kerkrade). « hgd. dünger ‘mest’, afl. van hgd. dung ‘mest’ (= mhgd. tunc ‘half onderaards weefvertrek’ = nl. (toponymisch) donk ‘hoogte’, ~ lit. deñgti ‘bedekken’. Volgens Tacitus en Plinius waren bij de oude Germanen de winterruimten tegen de koude met mest bedekt. Dat verklaart het samengaan van de motieven ‘bedekking’ en ‘mest’.
Kluge 147, Amkreutz e.a. 79.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

dong ‘(gewestelijk) mest’ -> Negerhollands doeng ‘mest’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal