Meehelpen? Ga naar etymologieWiki
|
donder - (dreunend geluid bij onweer; lijf; kerel, drommel)Etymologische (standaard)werken
M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdamdonder zn. ‘dreunend geluid bij onweer; lijf; kerel, drommel’ P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpendonder* [geluid bij bliksemslag] {donder(e) 1285} oudhoogduits donar, oudfries thuner, oudengels ðunor; buiten het germ. latijn tonare [donderen], eolisch grieks tennei [hij kreunt], perzisch tondar [donder], oudindisch tanyati [het dondert]; de germ. godennaam Thor betekent ‘de donderaar’. J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leidendonder znw. m. mnl. donder, donre, mnd. dunner, dōner, ohd. donar, ofri. thuner, oe. ðunor (ne. thunder). < grondvorm *þunra. — lat. tonāre ‘geluid geven, donderen’, oi. tanyati ‘weerklinken, donderen’, gr. lesb. ténnei ‘het dondert’, vgl. nog gall. riviernaam Tanaros ‘de bruisende’. — Zie: Donderdag. De idg. wortel is *ten (IEW 1021) naast *sten, waarvoor zie: stenen. N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haagdonder znw., mnl. donder, donre m. Vgl. voor de d minder. = ohd. donar (nhd. donner), mnd. dunner, dōner, ofri. thuner (buiten de samenst. thunresdei komt alleen owfri. tongher voor), ags. ðunor (eng. thunder), noorw. dial. tôr m., germ. *þunra- “donder”. Verwant met gall. Tanaros (riviernaam: “bruisend”), lat. tono “ik geef geluid, donder”, tonitrus “donder”, aeol. ténnei sténei, brúkhetai (Hes.), oi. tányati “hij weerklinkt, dondert.” Naast idg. ten- ook sten-, zie stenen. De wortel ten- “spannen” (zie deun II) is niet met ten- “bruisen, donderen, geluid geven” identisch. In het On. komt þôrr alleen als godennaam voor, evenzoo vinden wij ohd. Donar, os. Thunar, ags. đunor. Deze god werd met Jupiter geïdentificeerd, vandaar de vertaling van lat. dies Jovis door mnl. donresdach (nnl. Donderdag), ohd. donarestag (nhd. Donnerstag), mnd. dōnerdach, ofri. thunresdei, -dî, ags. ðunresdæg (eng. Thursday), on. þôrsdagr m. C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haagdonder. — Het ww. donderen kwam blijkens de afl. ofri. thunringe v. in het Ofri. voor. J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gentdonder m., Mnl. donder, donre, Os. thunar + Ohd. donar (Mhd. doner, Nhd. donner), Ags. đunor (Eng. thunder), Ofri. thuner, On. þórr + Skr. tanyati = weerklinken, donderen, Lat. tonitrus: Idg. wrt. ten = dreunen (z. deun 2, dun, toon). In Os., Ohd. en Ags. = god van den donder en donder tegelijk, in On. = god van den donder alleen. — Eerste lid in samengestelde namen van vuurwapens of werptuigen, wegens het geluid; in namen van planten of steenen, als beschermers tegen of aantrekkers van den bliksem, of als werptuigen van den dondergod. Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands
G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch1donder s.nw. Thematische woordenboeken
M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpendonder: betekent eigenlijk ‘lichaam’, maar wordt ook informeel gebruikt voor ‘kerel: arme, gemene, luie, vuile donder’. Donder was vroeger ook een volkse benaming voor de duivel. Vgl. bliksem*. Ik ben geen luie donder, en ik ben geen held. (Bots, Kreupel, 1975) Ja, ze noemen mij een ruige donder. (Polle Eduard, Ik wil jou, 1979) P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haagdonder. In de Gedichten [1672] van de zeventiende-eeuwse auteur Jacob Westerbaen komt de bastaardvloek bij gans donder ‘bij de donder, het onweer van God’ voor. Als verwensende of nadruk gevende uitroep wordt donder vaak voorafgegaan door wat. Zo lezen wij bij Huygens: “Foey wat donder, Hoe ist hier dus estelt! hoe – ’t stinckt hier in ’t Voor-onder As oft een mis-hoop waer.” Dit luidt hertaald ‘Wat donder. Hoe is het hier gesteld! Wat stinkt het hier in het vooronder: alsof het een mestvaalt was’. Vaker komt de verwensing loop naar de donder! voor. De letterlijke betekenis ‘ga op zoek naar je zelfvernietiging die door de donder gebracht zal worden’ heeft deze verwensing verloren. In de 19de eeuw komt voor hoe donder is het mogelijk. Wij kennen thans nog uitsluitend de betekenis ‘maak dat je wegkomt, sodemieter op’. In ons enquêtemateriaal komt ook voor je kan naar de donder lopen! En dan is er de optatieve verwensing: de donder hale mij! ‘de donder moge mij halen (als niet …)’. In sommige verbindingen staat donder voor ‘drommel’ of ‘duivel’. Ik noem in dat verband om de donder niet, loop naar de donder, de donder hale mij. Het woord kon tot vloekwoord worden omdat wie het in de mond nam, die donder aantrok. De angst voor dit natuurgeweld zat er bij de middeleeuwer en diens nazaten goed in. Hij was bang voor de vernielende kracht van de elementen, die hem op zichzelf wel niet vijandig zijn gezind, maar hem niettemin aanzienlijke schade kunnen berokkenen, en voor zijn leven en have een bestendige bedreiging vormen waartegen hij totaal machteloos staat (De Baere 940: 133). Wij kennen ook nog donder en bliksem! en voor den donder! In sommige Nederlandstalige gebieden van België vinden wij verbasteringen van Franse ‘dondervloeken’. Ik doel dan op het type nondetonner. Vergelijk Frans tonnerre, mille tonnerres, tonnerre de Dieu, tonne de Dieu. Vergelijkbaar is ook het Duitse (zum) Donnerwetter. Voor de verwensing krijg wat aan je donder! → wat. donderdag. De dag van Donar wordt ook als bastaardvloek, uitroep of scheldwoord gebruikt, als verzachtende naam voor donder. Van Dale ( (1) (3)e druk) kent nog vooruit, voor den donderdag! De emotie die uitgedrukt wordt, is verwondering, woede, irritatie enz. → donder. Uitleenwoordenboeken
N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015donder ‘geluid bij bliksemslag; duivel; falie’ -> Fries donder ‘handig persoon; duivel; lichaam’; Deens dunder ‘geluid bij bliksemslag’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors dunder ‘geluid bij bliksemslag’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds dunder ‘geluid bij bliksemslag’ (uit Nederlands of Nederduits); Zuid-Afrikaans-Engels donder (give it (to someone) on (his) donder) ‘uitroep van ergernis, scheldwoord (op zijn falie geven)’ <via Afrikaans>; Indonesisch donder ‘woede, gescheld’; Javaans dhar-dher ‘donderslagen, knallen’; Creools-Portugees (Batavia) donder ‘geluid bij bliksemslag’; Japans † dondoru ‘explosief mengsel’; Negerhollands donner, dondu ‘geluid bij bliksemslag’; Papiaments dònder (ouder: donder) ‘geluid bij bliksemslag; met donderend gevaar vallen; met geweld naar beneden werpen of vallen’; Sranantongo dondru ‘geluid bij bliksemslag’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † dondu ‘geluid bij bliksemslag’ <via Negerhollands>. Dateringen of neologismen
N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdamdonder* geluid bij bliksemslag 1240 [Bern.] Idioomwoordenboeken
F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen446. Daar kunt ge donder op zeggen,d.w.z. daar kunt ge maar zeker op aan; wat ik daar zeg, daar kunt ge maar op rekenen en met het woord donder bevestigen; ook voor het geval, dat iets niet gebeuren zal, in een zin als: Hij wou graag wat meer geld verdienen, maar daar kan hij donder op zeggen (nl. dat dit niet zal gebeuren). Vgl. Mghd. 251: Of ik d'r weze zal, daar kan je donder op zegge; Kmz. 121; Nest, 7: Dat zou gebeuren, daar kan ik donder op zeggen; 34: Om den bliksem niet, daar kan je donder op zeggen! Zie ook bl. 54. Ook hoort men o.a. in Groningen: Doar wi'k duvel (ook donder) op zeggen = de stellige verzekering geven, ja zweren, dat het gebeurt (Molema, 94 a). Syn. Ergens schele mie op zeggen (zie Ppl. 185: Nou daar kan u wel schele-mie op zegge). Vgl. hd. darauf können sie Gift nehmen, dasz ick das nicht tue. Overige werken
Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.(s)ten-1 von lauten Geräuschen: ‘donnern, rauschen, dröhnen, stöhnen’, stono-s ‘das Stöhnen’
Ai. stánati (= gr. στένω, ags. stenan, lit. stenù), stániti, stanáyati ‘donnert, dröhnt, brüllt, braust’, stanayitnú- m. ‘Donner’, tanayitnú- ‘dröhnend, donnernd’, tányati (= äol. τέννει) ‘rauscht, tönt, donnert’, tanyú- ‘rauschend, tosend’; afghan. tanā ‘Donner’, np. tundar ds.; ai.abhi-ṣṭaná- m. ‘Getöse’; WP. II 626 f., WH. II 690 f., Trautmann 286.; Vasmer 3, 10, 19. Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW. |