Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

domoor - (dom persoon)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

domoor zn. ‘dom persoon’
Nnl. Evert was een Dom-oor [1757-62; WNT].
Samenstelling van het bn.dom en het zn.oor, mogelijk als vriendelijker variant van domkop. Het type woordvorming van bn. en lichaamsdeel vindt men ook in wijsneus ‘eigenwijs persoon’ en sufkop ‘sufferd’; hetzelfde lichaamsdeel in druiloor.
Het Fries kent alleen domkop.
Lit.: Jansen 1985

EWN: domoor zn. 'dom persoon' (1757-62)
ANTEDATERING: Wel domoor [1745; Duim, 12]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

domoor* [dom mens] {1757} van dom4 + oor, vgl. wijsneus.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

domoor

Er zijn slechts weinige zelfstandige naamwoorden die in hun vorm op domoor lijken, namelijk hangoor, druiloor en kniesoor. Vroeger was er nog een vijfde: botoor, dat eigenlijk betekende: slechthorende en vandaar: stommerd. Het lijkt waarschijnlijk dat domoor op voorbeeld van botoor is gevormd. Bij de woorden hangoor en druiloor denkt men dadelijk aan honden, wier slap neerhangende oren hun een droevig, melancholiek uiterlijk geven. Bij dit tweetal sluit zich dan kniesoor aan, dat ook is gevormd uit een werkwoordstam en een zelfstandig naamwoord. Vreemd blijft dat men wel kan zeggen: zit niet zo te kniesoren (druiloren), maar niet: wat zit je weer te domoren (hangoren).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

domoor znw. m. Daar reeds bij Kiliaen de bet. doof optreedt, schijnt het vanzelfsprekend, dat het woord eigenlijk betekent ‘wie niet horen wil’. Daartegen spreekt, dat overigens noch mnl. noch nnl. deze betekenis kennen. De verklaring van de vorming van domoor in aansluiting aan het oudnnl. botoor (Kiliaen), zoals v. Lessen, Samengest. Naamw. 103 die geeft, schijnt mij een nooduitweg. Misschien had het woord dom in sommige streken de oude betekenis nog, ja zelfs behoeft men voor de verklaring van domoor niet van ‘doof’ uit te gaan; de domme leerling wordt aan de oren getrokken, als waarschuwing dat hij niet voldoende geluisterd heeft.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

domoor znw., nog niet bij Kil. Naar ’t model van possessieve composita als domkop gemaakt. Vgl. wijsneus.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

domoor: dom persoon. Klinkt zachter dan domkop en wordt daarom vooral (als vermaning) tegen kinderen gebruikt. Voor synoniemen, kijk onder domkop*.

Ik ben niet te spreken, domoor, voor niemand, hoor je. (De Groene Amsterdammer, 22/03/1885)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

domoor* dom mens 1757 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal