Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dom - (kerk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

dom 1 zn. ‘kathedraal’
Onl. duom ‘huis’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. doem: jnt tbischob doem ‘in het huis (de kerk) van de bisschop’ [1291; CG I,1657]; vnnl. cloosters ... kercken en dommen [1548; WNT], een domme ‘de kathedrale kerk van een bisschop’ [1573; Nomenclator], dom ‘kathedraal’ [1599; Kil.].
De Vroegnieuwnederlandse vormen zijn mogelijk opnieuw ontleend, via Frans dome ‘bisschopszetel, kathedraal’, eerder domme [1502; Rey], dat zelf ontleend is via Italiaans domo, duomo ‘id.’, aan Latijn domus ‘huis’ (al vroeg vervangen door Latijn mansio), verwant met Grieks dómos ‘id.’ en Sanskrit dáma- ‘id.’, zie → timmeren. Het woord was al eerder ontleend: in de Oudnederlandse vorm duidt de -uo- op zeer vroege ontlening. Onl. duom, de Middelnederlandse vormen met lange klinker of tweeklank en ook Italiaans duomo moeten teruggaan op een vorm met -ō-; het is daarom ook goed mogelijk dat al deze vormen rechtstreeks teruggaan op Grieks dómos ‘huis, woning, tempel’. Het zou dan in deze betekenis in dezelfde periode ontleend kunnen zijn als → kerk.
De betekenis moet zijn voortgekomen uit de verbinding domus episcoporum, later domus episcopatui ‘al wat deel uitmaakt van de bisschopszetel’; dit zijn de oudste attestaties, alle uit Toscane, 8e eeuw (Aebischer). Hieruit ontstaat bij verkorting domus en de betekenis evolueert van ‘het geheel van gebouwen die deel uitmaken van de bisschopszetel’ naar ‘het belangrijkste gebouw, de kathedraal’. Ook Weinhold stelt dat Duits Dom teruggaat op domus episcopi (niet dei), eerst met de betekenis ‘bisschoppelijke residentie’, dan ‘bisschoppelijke kathedraal’. Aebischer en Weinhold verwerpen hiermee de verklaring van veel etymologen dat dom teruggaat op domus ecclesiae ‘huis van de gemeente’, een vertaling van Grieks oĩkos tẽs ekklēsíās ‘id.’, wat weer een vertaling is van Hebreeuws beet ha-kənéset ‘id.’.
Lit.: P. Aebischer (1967) ‘L'ital. duomo “cathedrale” et ses origines’, in: Revue de Linguistique Romane 31, 88vv.; Grauwe par. 45; K. Weinhold (1872) ‘Über die Bruchstücke eines fränkischen Gesprächbüchleins’, in: Sitzungsberichte der k. Akademie des Wissenschaften zu Wien, phil.hist. Classe, 71, 800

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

dom1 [kerk] {1574} < frans dôme (een domkerk in Frankrijk zelf noemt men cathédrale), naar italiaans duomo < latijn domus [huis] (namelijk Dei [van God]), verwant met grieks domos [huis] en dōma [woning, woning der goden, tempel]. De oudnl. vorm duom {901-1000} en de middelnl. vormen doem, dom [kerk] zijn ontleend aan latijn domus [huis].

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

dom

Behalve als zelfstandig naamwoord in de betekenis: bisschoppelijke hoofdkerk (de Dom van Utrecht) komt het woord dom voor als bijvoeglijk naamwoord en als achtervoegsel. De vraag of wij met hetzelfde woord te maken hebben moet ontkennend worden beantwoord. Het woord dom: kerk is ontleend aan het Latijnse domus: huis. Het woord dom: met weinig verstand begaafd is een algemeen Germaans woord, dat in het Duits dumm luidt, in het Engels dumb, in het Zweeds dum. Het is waarschijnlijk verwant met doof. Men bezigt het niet alleen in de zin van: alle verstand missend, maar ook in die van: waarbij het verstand niet gebruikt behoeft te worden en spreekt dus van dom werk. Het woord‑dom tenslotte in adeldom, rijkdom, ouderdom enz. betekent: staat, toestand.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

dom 1 znw. m. ‘hoofdkerk’ < fra. dôme <lat. domus ‘huis’. Daarmee werd eigenlijk bedoeld domus ecclesiae < gr. oĩkos tẽs ekklēsías ‘huis der gemeente, dat als woonplaats der geestelijken diende’. Daarna heette de daarmee verbonden kerk zelf ecclesia de domo.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

dom I znw., sedert Kil. Evenals nhd. dom m. uit fr. dôme, dit uit oud-it. domo (it. duomo) > lat. domus. Reeds de oude wgerm. diall. hadden domus “godshuis” (vgl. evenwel Kretschmer KZ. 39, 545—548) direct ontleend in den vorm *dôm (vgl. bij school I): mnl. doem(kerc) “domkerk”, onfr. duom “templum”, ohd. tuom (ouder-nhd. tum), ofri. dôm m. “domkerk”. Uit het Wgerm. on. dômkirkja v.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

dom 2 m. (kerk), Mnl. dom, dome, doem, Os. dom, gelijk Ohd. tuom en Fr. dôme (waaruit Nhd. dom), uit It. duomo, van Lat. domum (-us) = huis, d.i. huis Gods (z. timmeren).

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

dom ‘kerk’ (Frans dôme); ‘titel’ (Portugees dom)

T. Pluim (1922), Wetenswaardig allerlei: bijdragen tot algemeene kennis voor studeerenden bijeenverzameld door T. Pluim, Groningen

Dom van het Ital. duomo, dat zelf van het Latijn domus komt en huis beteekent. Dom noemde men in Italië enkele kathedrale kerken, waarboven zich een dom, een soort ronde toren verhief; later werd de naam eveneens gegeven aan kerken en gebouwen, die in het buitenland werden gebouwd in den vorm der oude Italiaansche domkerken. Zoo heeft men in Parijs den Dom der Invaliden, dien van het Panthéon enz. Zoo is een der laatste doms de Dom van Keulen. Toegepast op kerkgebouwen, beteekent het woord Dom: het huis bij uitnemendheid.

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Dom, mnl. doem, hoofdkerk, kerk met bisschopszetel in de stad, waar een bisschop is; ook: voorname koepelkerk. Oorspronk. alleen: kerk, van ’t lat. domus (nl. domus dei, huis des Heeren). De klinker is verkort vóór de m, evenals in: verdoemen, verdommen; bloem, blom; noemen, dial. nommen. In Nederland is de eenige dom die te Utrecht, waar in den toren een steen gemetseld is met D. O. M. (Domino Optimo Maximo, den besten, grootsten God), uit welke letters vroeger de naam dom verklaard werd.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

dom ‘kerk, kathedraal’ -> Indonesisch dom ‘kerk, kathedraal’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

dom kerk 1574 [WNT vrede] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal