Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dolfijn - (walvisachtig zoogdier (Delphinus))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

dolfijn zn. ‘walvisachtig zoogdier (Delphinus)’
Mnl. delfijn [1287; CG II, Nat.Bl.D], (mv.) dolphijns [1447; MNW], dolfijn ‘dolfijn’ [1478; MNHWS].
Wrsch. rechtstreeks uit Laatlatijn dalfinus ‘dolfijn’ een variant van Latijn delphīnus ‘id.’ (met el > al in de onbeklemtoonde lettergreep), overgenomen uit Grieks delphĩs, delphĩn (genitief delphĩnos) ‘dolfijn’. Dit woord wordt geïnterpreteerd als ‘het dier met de baarmoeder’ (Grieks delphús): de dolfijn is een zoogdier. Ook is gedacht aan verband met Grieks delphax ‘zeug, zwijn’. Ontlening via het Frans is niet wrsch., omdat het Oudfrans al de vorm daufin heeft [12e eeuw; PRobert], Frans dauphin.
Ook buiten het Nederlands komen vormen met -o- voor, bijv. Italiaans (dial.) dolfin, Portugees golfinho) en er zijn ook vormen met -u-, bijv. Italiaans (dial.) dupin, Servo-Kroatisch dupin; FEW postuleert op grond hiervan een Laatlatijnse variant *dulphinus.
Het woord heeft een ouder inheems woord, mnl. meerswijn, letterlijk ‘zeevarken’ [1477; Teuth.], vervangen, ook Oudsaksisch en Oudhoogduits meriswīn ‘dolfijn’; ook hier bestond dus de associatie met een varken.
dolfinarium zn., ‘gebouw met bassins waar dolfijnen worden gehouden’. Nnl. dolfinarium ‘id.’ [1975; WNT Aanv.]. Uit Engels dolphinarium [1969; OED] of in het Nederlands gevormd als afleiding van dolfijn met het internationaal achtervoegsel -arium ‘gebouw of bouwsel voor het eerste deel van het woord’.

EWN: ♦ dolfinarium zn., 'gebouw met bassins waar dolfijnen worden gehouden' (1975)
ANTEDATERING: Harderwijk krijgt dolfinarium [1965; AHB 1/4]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

dolfijn [walvisachtige] {delfijn, dolphijn, dolfijn 1287} < oudfrans dalfin, dauphin < middeleeuws latijn dalfinus, latijn delphinus < grieks delphis (2e nv. delphinos), gevormd van delphus, dolphos [baarmoeder]; de dolfijn is zo genoemd door vormgelijkenis met de baarmoeder.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

dolfijn znw. m., laat-mnl. dolfijn naast delfijn < ofra. dalfin, delfin (nfra. dauphin) <gall.-rom. dalfinus < lat. delphinus < gr. delphís (2de nv. delphínos).

Het woord vervangt een oud germ. woord mnl. meerswijn, ohd. meriswīn, mhd. merswīn, oe. mereswīn, de. zw. marsvin (> fra. marsouin in de 14de of 15de eeuw ontleend).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

dolfijn znw. De vorm met o komt sedert het laat-Mnl. voor naast delfijn; o is vóór den toon uit a ontstaan. Uit ofr. dalfin, delfin (fr. dauphin), lat. delphînus, vulgair-lat. ook dalfînus, uit gr. delphís, -ĩnos “dolfijn”. Ook in het Eng. dolphin, maar du. delphin m., de. delfin.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

dolfijn m., Mnl. dolfijn, uit Ofra. dolfin (thans dauphin), van Lat. delphinum (-us), Gr. delphís (z. kalf 1). — Als een naam van werktuigen is hetz. w., wegens overeenkomst in vorm of in eigenschappen met den visch die een behendige duikelaar is; — als titel van den kroonprins van Frankrijk is het ontleend aan het landschap Dauphiné, welks voormalige leenheeren zich dauphins noemden, een titel over de bet. en oorspr. waarvan men het niet eens is.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

dolfyn s.nw.
1. Enigeen van verskeie soorte kleinerige tandwalvisse. 2. Noordelike sterrebeeld met 31 sterre.
Uit Ndl. dolfijn (al Mnl.).
Ndl. dolfijn uit Oudfrans dalfin, delfin uit Latyn delphinus uit Grieks delphis, delphinos uit delphus, dolphos 'baarmoeder', so genoem omdat die vorm van 'n dolfyn aan die vorm van die baarmoeder herinner.
D. Delphin (13de eeu), Eng. dolphin (ongeveer 1300), Fr. dauphin.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

dolfijn (Oudfrans dalfin, dauphin)

H. ter Stege (2004), De betekenis van de Nederlandse (volks)namen van zoogdieren, reptielen en amfibieën, eigen uitgave Waalre

Dolfijnen ̶ Dephinidae
Dolfijnen zijn relatief kleine tot middelgrote zeezoogdieren met een goed ontwikkelde snuit. Op het midden van de rug bevindt zich een sikkelvormige, naar achteren gebogen rugvin. Dolfijnen maken deel uit van de onderorde der Tandwalvissen (Odontoceti).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

dolfijn ‘walvisachtige’ -> Deens dolfin ‘walvisachtige’ (uit Nederlands of Engels); Papiaments dòlfèin ‘walvisachtige’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

dolfijn walvisachtige 1287 [CG NatBl] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal