Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

discreet - (bescheiden, kies, onopvallend)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

discreet bn. ‘bescheiden, kies, onopvallend’
Mnl. ghetughenisse discreter persone (genitief mv.) ‘getuigenis van wijze personen’ [1344; Claes 1996], discrete conversatie ‘wijze, voorzichtige conversatie’ [1400-20; MNW-R]; vnnl. besceyden ende discrete ende heilige personen ‘bescheiden en wijze en heilige personen’ [1500-20; MNW-P], discreet ‘wijs, voorzichtig’ [1573; Thes.] discreet “bescheyden” [1650; Hofman]; nnl. discreet ‘bescheiden’ [1777; Meijer]; discreet ‘onderscheiden, apart’ [1961; Dale].
Ontleend aan Frans discret ‘bescheiden, onopvallend’, eerder ‘wijs, voorzichtig’ [ca. 1165; Rey] < middeleeuws Latijn discretus ‘onderscheiden, afzonderlijk; discreet, voorzichtig, wijs’, van het werkwoord discernere ‘(onder)scheiden’, gevormd uit → dis- ‘vaneen, uiteen’, en cernere ‘onderscheiden, sorteren, zeven’, zie → discreet.
De betekenisontwikkeling van ‘onderscheiden, afzonderlijk’ naar ‘kunnende onderscheiden, wijs’ en ‘bescheiden’ vindt pas plaats in het middeleeuws Latijn en/of Frans. Alleen de betekenissen ‘voorzichtig, wijs, bescheiden’ zijn in het Nederlands ontleend. De betekenis ‘apart, (te) onderscheiden’ is recent als wetenschappelijke term opnieuw ontleend, wrsch. aan Engels discrete, dat deze betekenis al sedert de 14e eeuw kent (ODEE).
discretie zn. ‘kiesheid, bescheidenheid’. Mnl. met discrecien ‘met wijsheid, beleid’ [1315-35; MWN-R], die doghet der discrecien ochte der bescedenheit ‘de deugd der discretie of bescheidenheid’ [1400-20; MNW-P]; vnnl. discretie ‘wijsheid’ [ca. 1561; WNT wedertaal], ‘wijsheid, kiesheid’ [1580; WNT Supp. afzetten], discretie “bescheydenheydt” [1650; Hofman]. Ontleend aan Frans discrétion ‘wijsheid, kiesheid’ [ca. 1165; Rey], later ook ‘voorzichtigheid’ < Laatlatijn discrētio, genitief -tiōnis ‘afscheiding, onderscheiding’, zn. bij discretus ‘verschillend, onderscheiden, uitstekend’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

discreet [bescheiden] {1344 in de betekenis ‘verstandig, wijs, als zn. wijs mens’} < frans discret [bescheiden] < latijn discretus, verl. deelw. van discernere [scheiden, apart zetten, onderscheiden], van dis- [uiteen] + cernere [zeven, onderscheiden].

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

diskreet b.nw.
1. Versigtig, beskeie, bedagsaam. 2. Geheim. 3. Bestaande uit afsonderlike onderdele.
In bet. 1 en 2 uit Ndl. discreet (1782 in bet. 1). In bet. 3 uit Eng. discrete (1398).
Ndl. discreet uit Fr. discret 'beskeie' uit Latyn discretus 'apart, geskei'. Eng. discrete uit Latyn discretus.
D. diskret.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

discreet (Frans discret)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

discreet bescheiden 1624-1629 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal