Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dinsdag - (derde dag van de week)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

dinsdag zn. ‘derde dag van de week’
Mnl. dinsendaghs ‘op dinsdag’ [1269; CG I,133].
Mnd. dingesdagh, dingschedach (> nhd. Dienstag), daarnaast ohd. (Alemannisch) zîstag; ofri. tiēsdei (nfri. tiisdei); oe. tiwesdæg (ne. tuesday); on. tý(r)sdagr (nzw. tisdag); < *tiwes-dagaz naar de Germaanse god *Tiwaz, ohd. Ziu, oe. Tīw, on. Týr.
De etymologie is problematisch. De Nederlandse en Nederduitse vormen met d- zijn wrsch. niet ontstaan uit pgm. *Tiwaz (verwant met Sanskrit dēvá-h ‘god’, Avestisch daēva- ‘demon’, Latijn deus en dīvus ‘god’, Gallisch Devona ‘godennaam’, Oudiers dia ‘god’, Bretons doué ‘god’; bij de wortel pie. *déiwo-s ‘god’ (IEW 185-186)), maar uit pgm. *Thingsus-dagaz, van Thingsus (de gelatiniseerde vorm) ‘de god van de volksvergadering?’ samenhangend met þing ‘volksvergadering’. De naam van deze onbekende god Thingsus is aangetroffen in twee inscripties aan de Hadrianuswal in Engeland, 3e eeuw na Chr., van de hand van Twentenaren (cīves Tuihanti) die deel uitmaakten van een Friese militaire afdeling (cūneus Frisiorum), beginnend met ‘Deo Marti Thingso...’: de Frankisch-Saksische (of alleen Nederrijnse?) god Thingsus als equivalent van Mars. Vanwege de onbekendheid van Thingsus zijn er andere hypothesen: 1. De Vries gaat uit van *tiwas-daga > dīs(en)dag > dinsdag (-ns- naar analogie van woensdag). 2. FvW met FvWS gaan uit van twee Proto-Germaanse vormen, varianten van Thingso, namelijk pgm. *þingisa(n) > din(g)sdag en pgm. *þinhsa- > *þihsa- > *þêsa- > dīs(en)dag. 3. Pijnenburg gaat uit van pgm. *dīsna < *tiwisna of *dīsna < *tīs- < *tīwes. Uit *dīsna ontwikkelt zich disen(dag) en, via metathese, dīnse(dag). Moeilijk aanvaardbaar is de ontwikkeling van de pgm. -t- (van Tiwaz) naar de -d- van dinsdag, terwijl de overgang van pgm. -þ- (van Thingsus) naar -d- de normale ontwikkeling is; dus gaat dinsdag wrsch. terug op Thingsus of varianten daarvan.
Het Romeinse systeem om de dagen der week de naam te geven van hemellichamen, voornamelijk planeten, die op hun beurt naar Romeinse goden vernoemd waren, bijv. dies Martis ‘dag van Mars, dinsdag’, hebben de Germanen overgenomen; bij vier dagen hebben ze de Romeinse godennamen vervangen door de namen van hun eigen goden, namelijk *Tiwaz of Thingsus, Wodan, Donar en Frîja.
Lit.: Jan de Vries (1929) ‘Dinsdag’, in: TNTL 48, 145-184; W.J.J. Pijnenburg (1980) Bijdrage tot de etymologie van het oudste Nederlands, Eindhoven

EWN: dinsdag zn. 'derde dag van de week' (1269)
ANTEDATERING: Diinsendaghes vor sinte martinsmesse 'op dinsdag voor het feest van Sint Maarten' [1262; VMNW]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

dinsdag* [derde dag van de week] {dinxdag 1269} het eerste lid is de naam van de Germaanse oorlogsgod Tiwaz, in de tijd van de Vikingen vervangen door Odin (vgl. Zeus); dinsdag is een vertalende ontlening aan latijn Martis dies [de dag van de oorlogsgod Mars] (vgl. frans mardi, italiaans martedī); het lat. vertaalde ontlenend aan grieks Areios hèmera [de dag van de oorlogsgod Ares].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

Dinsdag znw. m., mnl. dinx(en)dach, dinsendach, mnd. dingesdach, dingsche dach (> nhd. dienstag); daarnaast staat mnl. en dial.vooral zuidnl. dīs(en)dach; in de overige germ. talen vinden wij de vormen: ohd. ziestac (nhd. dial. Zistig), ofri. tīesdi, tīesdei, oe. tīwesdæg (ne. Tuesday), on. tȳsdagr, tȳrsdagr. De dag is genoemd naar de germ. god *Tīwaz: ohd. Zio, oe. Tīw, on. Tȳr, vgl. ook de got. runennaam tyz (Salzburg-Wener Alcuin-hs, wel te lezen tius < *teiws). — Idg. grondvorm *deiuos vgl. oi. dēva ‘god’ av. dāeva ‘demon’, lat. deus, divus ‘god’, gall. Dēvona ‘naam van een godin’, oiers dīa ‘god’, opr. deiwas, lit. diẽvas ‘god’ (Bremer IF 3, 1894, 301 en W. Krause, Nachr. AW Göttingen 1940 Nr. 6, 155-172).

In het idg. de volgende vormen:
*di̯ēu: oi. dyauh ‘hemel’, gr. Zeus, lat. Juppiter (Jū-piter), diēs ‘dag’.
*diu̯es: oi. divasa ‘dag’
*diu̯io: oi. divya, gr. diós, lat. dius ‘goddelijk’, Diāna ‘maangodin’.
Men voert deze verder terug op een idg. wt. *dei, di, dia ‘helder, glanzen’ en beschouwt de god als ‘die van de heldere hemel’ (IEW 183-7); daartegen stelt Grace Hopkins, Indo-European *deiwos and related words, diss. Yale, Suppl. Language 12, 1932, dat men moet uitgaan van het neutrale ‘hemelgod’, d.i. zowel van de heldere als van de donkere hemel. — De verklaring van het woord Dinsdag stuit op moeilijkheden. Men pleegt uit te gaan van de naam Thingsus, die gevonden wordt op twee inscripties aan de Hadrianuswal, die in de 3de eeuw opgericht werden door bewoners van Twente die tot een cuneus Frisiorum behoorden. Het woord thingsus duidt er op, dat deze Mars, waarmee *Tīwaz bedoeld is, als een beschermer van het recht beschouwd werd (vgl. de Vries Altgerm. Rel. Gesch. 2, 1957, 12). Men neemt nu aan, dat in Dinsdag de naam van deze god aangenomen moet worden. Daartegen is aan te voeren, dat wij niet weten of de naam Thingsus, die duidelijk als een bijnaam te beschouwen is ‘de god van het ding’, in het Nederrijnse gebied zo algemeen verbreid was, dat daaruit de naam van de weekdag kon worden afgeleid. Gaat men uit van de algemeen germaanse vorm, dan komt men tot een dīsdag, dat uit een ouder *tīwas-daga ontstaan is door substitutie van t door d zoals meer voorkomt (vgl. degel naast tegel, Doornik uit Torniacum), misschien ook uit de behoefte de heidense naam te camoufleren (zoals wij ook bij Woensdag kunnen vaststellen). De overgeleverde vormen zijn dan daaruit te verklaren: dīsdag werd tot dīsendag (onder invloed van mnl. sonnendach en manendach) en dinsdag naar Woensdag. Daar deze dag vaak voor volksvergaderingen gebruikt werd, zou daaruit volksetymologisch Dinsdag ontstaan zijn (de Vries Ts. 48, 1929, 145-184). — Daartegenover stelt Gutenbrunner, Die germ. Götternamen der antiken Inschriften 1936, 27 de mogelijkheid dat aan de Nederrijn de naam Mars op tweevoudige wijze vergermaanst zou zijn, wat weinig waarschijnlijk klinkt. — v. Haeringen, Suppl. 34 vindt de verklaring te gecompliceerd, al geeft hij de mogelijkheid toe, dat de vorm dīs(en)dach wel op de godennaam *Tīwaz zou kunnen teruggaan. Daarbij komt men dan echter ook weer tot het bezwaar dat het woord dies Martis tweemaal ontleend zou zijn.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

dinsdag znw., mnl. dinx(en)dach, dinsendach m. = mnd. dingesdach, dingschedach (waaruit nhd. dienstag) m. Een frank.-saks. vertaling van lat. dies Martis, waarbij de germ. God *Tîwa-, die gew. als equivalent van den romeinschen Mars optreedt, den naam *þiŋʒisa(n)- draagt, vgl. Deo Marti Thincso op een votiefsteen van ± 230 van de “Germani cives Tuihanti”, bij het vallum Hadriani gevonden. Het dial. ndl. en mnl. Dîs(en)dach bevat een anderen vorm van dezen naam: *þîχsa(n)- uit *þiŋχsa(n)-, die in gramm. wechsel met *þiŋʒisa(n)- zou kunnen staan; echter behoeven we geen oude accentwisseling aan te nemen: uit idg. ŋqs is bij elke betoning germ. ŋχs te verwachten. Deze godennaam is een afl. van * þiŋʒa(z)-: in welke bet. dit hier op te vatten is, is onzeker; “rechts-, leger-, volksvergadering”? Voor den vorm vgl. vooral het bij ding geciteerde langob. thinx. In andere germ. diall. is dag met den godennaam *Tîwa- samengesteld: ohd. zîestac (nhd. dial. Zistig), ofri. tiesdî, -dei, ags. tîwesdæg (eng. Tuesday), on. Tŷsdagr (ook Tŷrsdagr) m. Ohd. Zîo, ags. Tîw, on. Tŷr = ier. dia “god”, lat. deus “god”, dîvus “goddelijk”, lit. dë̃vas “god”, (obg. divŭ, divo “wonder”), oi. devá- “God”, ospr. “de hemelsche”, van den wijdverbreiden wortel dejewe- “schitteren”, waarvan o.a. ook lat. diês “dag”, Diêspiter, Juppiter, gr. Zeús, oi. dyā́uḥ “hemel” (zie teken).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

dinsdag. J. de Vries Tschr. 48, 145 vlgg. heeft bezwaren tegen de grote betekenis, die de gangbare etymologie toeschrijft aan den Thincsus van de inscriptie, welke godheid volgens hem slechts locaal beperkt is geweest tot de ‘cives Tuihanti’. Hij wil dinsdag rechtstreeks afleiden van *Tîwa- (als in andere germ. talen) en beschouwt disdach als oudst bereikbare vorm (met d- in plaats van t-, om de heidense herinnering aan het woord te ontnemen; vgl. woensdag Suppl.), terwijl onder invloed van andere weekdagnamen zouden zijn opgekomen de vormen disendach (vgl. mnl. sonnendach en mânendach) en dinsdag (naar woensdag). De vormen met -ng- verklaart De V. door jongere invloed van ding ‘volksvergadering’. De geogr. verbreiding en ouderdom van de -n-, resp. -ng-vormen laten zich echter met deze — ook overigens vrij gecompliceerde — verklaring kwalijk verenigen. De oude etymologie geeft van de feitelijke vormen zóveel eenvoudiger rekenschap, dat het niet gewenst is die op te geven. (Vgl. nog Brinkmann Sprachw. u. Sprachbew. 113).
Intussen is het zeer wel mogelijk, dat het eerste lid van mnl. (blijkens de jongere dial. voortzettingen vooral vla.) dîsdach inderdaad op *Tîwes- berust, en zijn d- te danken heeft aan jongere compromisvorming met de oostelijker en noordelijker d-vormen (waarbij het door De Vries vermoede motief kan hebben meegewerkt). Op deze wijze wordt dîsdach formeel waarschijnlijker verklaard dan in het art. is geschied. En ook historisch is het goed te verstaan, dat juist het Z.-W. van het ndl. taalgebied de herinnering bewaart aan de benaming, die de Angelsaksen naar Britannië hebben meegenomen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

Dinsdag, Dingsdag m., Mnl. dins-, dinxen-, (met synkope van n vóór s) disendag + Nhd. dienstag en dingstag; daarnevens Ohd. ziostag (Mhd. zistag), Ags. tiwesdæg (Eng. tuesday), Ofri. tiesdí, On. tysdagr (Zw. tisdag, De. tirsdag). Van deze is het eerste lid de gen. van Ohd. Zîo, Ags. Tíw, On. Týr, den Germ. krijgsgod + Skr. Djāus, Gr. Zeus, Lat. Ju-piter, Jovis. De andere hebben als 1e lid een bijnaam van denz. god, die in een Germ. -Lat. inschrift (± 230 bij het vallum Hadriani) heet Mars Thingsus, d.i. de god der dingen of volksvergaderingen (z. zondag).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

Dinsdag s.nw.
Derde dag van die week, maar tradisioneel en volgens internasionale afspraak in 1976 in Genève die tweede dag van die week.
Uit Ndl. dinsdag (Mnl. dinxdach, dinsendach, disendach). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
Ndl. dinsdag is 'n leenvertaling van Latyn dies Martis 'die dag van die oorlogsgod Mars', met dins- uit die naam van die Germ. oorlogsgod *Tiwas.
D. Dienstag (13de eeu), Eng. Tuesday (ongeveer 1050).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

Dingsdag: wv. v. Dinsdag, soos in Ndl. eint. juister vorm wat verb. hou m. naam v. Germ. god, Tîwa, vgl. Eng. Tuesday, Lat. deus, “god” en Gr. Zeus, “’n bep. god”.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

dinsdag (vert. van Latijn dies Martis)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Dinsdag is een navolging van ’t Lat. Martis dies = dag van Mars (Fr. mardi; Engelsch Tuesday). Mars werd n.1. vergeleken met den Oudgerm. god Tîwa-z. De Oudhoogd. god Zîo is een overoude Idg. godheid; Idg. deiwó-s = de hemelsche (in ’t Skr. deva, van div = hemel), in ’t Gr. Zeus, en in ’t Lat. deus. Deze opperste god („god des hemels”) werd bij de Germ. de god van den oorlog (de „Mars” der Romeinen). – Bij de Franken en Saksen komt de naam dingesdag voor, daar men dezen dag verkeerdelijk voor „gerichtsdag” („dag van het ding”) opvatte. De bovengenoemde Germ. krijgsgod Tîwa-z werd ook als god van het gericht en de volksvergaderingen vereerd, zoodat hij in een Germaansch-Latijnsch opschrift als Mars Thingsus verschijnt; thinx was n.1. bij de Longobarden (die Italië bewoonden) de naam voor het „ding”, de volksvergadering; vandaar dat de Franken, Saksen en Friezen den Lat. dagnaam Martis dies naar Thinxus noemden, dus bij ons Dingsdag (Mnl. dinxendag); men hield immers Thinxus (den god van de volksvergadering) voor denzelfden god als Mars, hoewel Thingsus meer een bijnaam van Tîwa-z was.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

dinsdag ‘derde dag van de week’ -> Duits dialect Diengstag ‘derde dag van de week’; Mohegan-Pequot doosetar ‘derde dag van de week’; Negerhollands diesendag, dissendag ‘derde dag van de week’; Sranantongo dinsdag ‘derde dag van de week’; Arowaks djinsdakha ‘derde dag van de week’.

N. van der Sijs (2009), Yankees, cookies en dollars, Amsterdam

dinsdag is overgenomen als: Mohegan-Pequot doosetar.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

dinsdag* derde dag van de week 1269 [CG I1, 133]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

dei-1, dei̯ǝ-, dī-, di̯ā- ‘hell glänzen, schimmern, scheinen’, (älter ‘*Strahlen werfen’?)

Ai. dī́-dē-ti ‘scheint, leuchtet’, 3. Pl. dīdyati, Impf. 3. Sg. ádīdēt, Imper. 2. Sg. didīhí, su-dī-tí-ḥ) ‘schönen Glanz habend’, Kaus. dīpáyati ‘entzündet, erhellt’, dī́pyate ‘flammt, strahlt, scheint’ (über dīvyati s. unten), dīdi- ‘scheinend’ (auf Grund von dī́-de-ti); ähnliches *doi-d-o- (gebrochene Redupl.) in anord. teitr ‘heiter, froh’ (eigentl. ‘strahlend’), ags. tǣtán ‘liebkosen’, tāt- (in Namen) ‘froh’, ahd. zeiz ‘zart, anmutig’ (vgl. heiter sowohl ‘klar’ als ‘froh’; Uhlenbeck Ai. Wb. 126); vielleicht hierher auch lit. dìdis ‘groß’ als ‘ansehnlich’;
gr. hom. δέατο ‘videbatur’, δεάμην· ἐδοκίμαζον, ἐδόξαζον Hes., arkad. Konj. δεά̄τοι, hom. Aor. δοάσσατο ‘erschien’, Konj. δοάσσεται, gegenüber arkad. Aor. δεά[σε]τοι mit ο nach ἔδοξε, Schwyzer Gr. Gr. I 6816; hom. δέελος ‘sichtbar’ (*δει̯ελος; mit metr. Dehnung εὐδείελος), δῆλος ds. (aus *δέι̯αλος, woraus auch Hesychs δίαλος; hom. ἀρίζηλος ‘sehr deutlich, klar’ (aus *δι̯η-λός);
*doilo- vermutlich in ags. sweo-tol (aus *tāl) ‘offenbar, deutlich, klar, und in mir. dōel ‘Käfer’ (‘glänzend schwarzes Insekt’) sowie im ir. Flußnamen Daol (*doilā) als ‘die glänzende’. Hierher wohl auch lit. dailùs ‘zierlich, hübsch’, dáilinti ‘glätten, schmücken’.
Mit Formans -tlo- vermutlich hierher das nur im Kompositum vorkommende germ. *tīþla- : zīdal-, nhd. Zeidel-, nd. tīl- ‘Honig’ (‘Klarheit, Glanz - klarer Honig’).
Gegen Pedersens Heranziehung von hett. te-eš-ḫa- ‘träumen’ (Muršilis 69) s. Couvreur Ḫ 53 und oben S. 178.
u̯-Erweiterung: dei̯eu- (: di̯éu-, diu̯-, di̯u-) leuchtender, göttlich verehrter Himmel und leuchtender Tag:
Diphth. St. Nom. di̯ēus (dii̯ēus), Akk. di̯ēum, Vok. di̯ĕu, Lok. di̯éu̯i und di̯ēu, Dat. diu̯éi, Gen. diu̯-és, -ós; di̯ēus-pǝtēr ‘Himmelvater’.
ai. dyā́uḥ (diyā́uḥ) ‘Himmel’, Akk. dyā́m, Lok. dyáví, diví, Dat. divḗ, Gen. diváḥ (und dyōḥ), Instr. Pl. dyú-bhiḥ;
gr. Ζεύς (= dyāú-ḥ), Akk. Zῆν (= dyā́m), Vok. Ζεῦ (*di̯ĕu), Gen. Δι(ϝ)ός, Dat. (Lok.) Δι(ϝ)ί (Ζῆν zog Ζῆνα, Ζηνός, Zηνί nach sich; über Ζάς bei Pherekydes von Syros s. Schwyzer Gr. Gr. I 5774); der Gen. *diu̯es in thess. Διες-κουριάδεω, prien. Διες-κουρίδου (Schwyzer Gr. Gr. I 547);
im Lat. hat sich das alte Paradigma in zwei gespalten, die den Namen des obersten Gottes und den ‘Tag’ bezeichnen; ähnlich im Osk. und Umbr.:
lat. Iuppiter aus Iū-piter, umbr. Jupater Vok. = Ζεῦ πάτερ, zum Nom. ai. dyā́ušpitā́ ‘Vater Himmel’, Ζεὺς πατήρ, Dat. umbr. Iuvepatre, illyr. (Hes.) Δει-πάτυρος; lat. Gen. Iouis (altlat. auch Diovis, auch als Nom.), osk. Diúveí ‘Iovi’, íuvilam, älter diuvilam ‘*iovilam’, iúvilas ‘*iovilae’ usw., vgl. GentilN lat. Iūlius (*Iovilios); lat. Diēspiter (wovon flamen Diālis) mit nach dem Akk. d()i̯ēm geneuertem Nom. diēs, der in der Bed. ‘Tag’ sonst herrschend wurde, während zur Bezeichnung des ‘Himmelsgottes’ die Ablautstufe *di̯ou̯- aus *di̯eu- unter dem Drucke des Vok. *di̯eu- durchgeführt wurde (bis auf Diēspiter, auch umbr. Di, Dei ‘divom, dive’, kontrahiert aus diē-, so daß Di(m) = *diēm); der alte Nom. *diūs aus *di̯ēus noch in dem nebenVēdiovis, Vēiovis stehenden Vē-diū̆s ‘alt-röm. Unterweltsgott’;
in der Bed. ‘Tag’ lat. diēs s. oben (m.; als f. in der Bed. ‘Termin, Frist, Zeit’ vermutlich nach nox), doch daneben der ältere Nom. di̯ēus noch in nu-diū̆s tertius ‘nun ist der 3. Tag’, ferner diū ‘bei Tage’ (Lok. *di̯ēu̯ oder *di̯ōu), ‘den Tag lang’, daraus ‘lange’. Deminutiv lat. diēcula ‘eine kurze Frist’, osk. [d]iíkúlús ‘Tage’, zicolo m. ‘Tag’;
air. dīe, proklitisch dīa ‘Tag’ (aus nach dem Akk. *dii̯ēm geneuerten *dii̯ēs), cymr. dydd, corn. deth, dyth, bret. deiz ‘Tag’ (ebenso); air. in-dīu ‘heute’, cymr. usw. he-ddyw ‘heute’ (zunächst aus *-dii̯ū, das wohl = lat. diū).
Von der Ablautstufe diu̯- in der Bed. ‘Tag’;
ai. dívā ‘am Tage’, divḗdivē ‘Tag für Tag’ (divám Nom. sonst ‘Himmel’), naktáṁdivam ‘Nacht und Tag’, sudivám ‘ein schöner Tag’, sudivá-ḥ ‘einen schönen Tag habend’, arm. tiv ‘Tag’, gr. ἔνδῑος ‘mitten am Tage (erscheinend)’ (auf Grund von *ἐν διί, vgl. ἐννύχιος); lat. dius, interdius ‘tags, untertags’ (mit lat. Synkope aus dem Gen. *diu̯ós); bi-, tri-duum (*diu̯om) ‘Zeitraum von zwei, drei Tagen’;
es-St. diu̯es- vorausgesetzt von ai. divasá-ḥ ‘Tag’, formell zu dak. διεσεμα ‘Königskerze, Fackelkraut’, wohl aus *diu̯esemā ‘Leuchtpflanze’ (Detschev, Dak. Pflanzenn. 14 ff.); aber gr. εὔδῐος (*εὔ-διος) ‘heiter’, älter εὐδία ‘heiteres Wetter’, zu ai. su-divám (oben); vgl. Sommer Nominalkomp. 73 ff.
*diu̯ios in ai. divyá-, diviá- ‘himmlisch’, divyā́ni ‘die himmlischen Räume’, gr. δῖος (aus *διιος, Schwyzer Gr. Gr. I 472a) ‘göttlich’, lat. dīus ‘göttlich’ (verschieden von dīvus!), dīum ‘Himmelsraum’, sub dīo; Diāna aus *Diviāna, die zur Mondgöttin *Diviā Gehörige (?); vgl. etr. Tiv ‘luna’, tives ‘Monate’, nach Kretschmer Gl. 13, 111 f. aus ital. *diviā, und orph. Πανδῖα ‘Selene’ aus *παν-διιᾰ ‘Allerleuchterin’.
Ablautstufe di̯u- in ai. dyu-mnám ‘Himmelsherrlichkeit’, dyu-mánt- ‘hell, licht’, verbal dyut- ‘leuchten’ in dyṓtatē, Aor. ved. ádyaut ‘leuchtet’ (mit t wohl nach śvit- ‘hell sein’); vgl. auch aksl. dъždь ‘Regen’, russ. dožd’, ačech. dešč, usw., aus *dus-di̯u- ‘schlechtes Wetter’, Trubetzkoj Z. sl. Ph. 4, 62 ff.
o-St. déiu̯o-s ‘Gott, Himmlischer’:
ai. dēvá-ḥ ‘Gott’ (dēvī́ ‘Göttin’), av. daēva- ‘Dämon’;
lat. deus und dīvus, bei des aus dem Paradigma *deiu̯os (> deos), Gen. *deiu̯ī (> dīvī); osk. deívaí ‘divae’ (osk. deivinais = lat. dīvīnis; umbr. deueia ‘divinam’; osk. deiuatud ‘iurato’ = lett. dievâtiês ‘schwören’; lat. dīves ‘reich’, eigentl. ‘der unter dem Schutz der Götter Stehende’, wie slav. bogatъ, s. Schulze KZ. 45, 190);
gall. GN Dēvona, PN Dēvo-gnāta, air. dia, Gen. ‘Gott’, acymr. duiu-(tit) ‘Gott(heit)’, mcymr. ncymr. duw, acorn. duy, bret. doué ‘Gott’;
anord. tīvar Pl. ‘Götter’ (*deiu̯ōs) sowie anord. Tȳr (agerm. teiwaz) ‘der Kriegsgott’, ags. Tīg, Gen. Tīwes ‘Mars’, ahd. Zīo, Zio;
apreuß. deiw(a)s, lit. diẽvas ‘Gott’ (deivė̃ ‘Göttin, Gespenst’ aus *deiu̯i̯ā, diẽvo sūnẽliai ‘Himmelssöhne’, finn. Lw. taiwas ‘Himmel’), lett. dìevs (verbale Ableitung liegt vor in lit. deivótis ‘Adieu sagen’, lett. dievâtiês s. oben), vgl. Trautmann 50, Mühlenbach-Endzelin I 484, 485 f. Dagegen sind aksl. divъ m. ‘Wunder’, divo, -ese n. ds. (-es-St. wohl erst nach čudo, -ese ds), divьnъ ‘wunderbar’, nicht vom Begriff ‘Gott, Göttliches’ ausgegangen, sondern (wie θαῦμα von θεάομαι) stellen sich zu klr. dyvl’ú, dyvýty sja ‘schauen’, čech. dívam se ‘schaue, betrachte’, das sich zu ai. dī́-de-ti ‘leuchtet’ in der Bed. verhält wie z. B. mhd. blick ‘Glanz, Blitz’ und ‘Blick der Augen’, nhd. glänzen : slav. ględati ‘schauen’.
en-St. *deien- (thematisch deino-, dino-) nur in der Bed. ‘Tag’:
ursprüngl. kons. noch in aksl. dьnь, Gen. dьne ‘Tag’; ai. dína-m (bes. in Kompos. ‘Tag’, lat. nundinae ‘der an jedem neunten Tag gehaltene Markt’, air. denus ‘spatium temporis’, trēdenus ‘triduum’; alb. gdhinj ‘mache Tag’ aus *-di-n-i̯ō; hochstufig lit. dienà, lett. dìena, apr. Akk. f. deinan ‘Tag’ (Mühlenbach-Endzelin I 432 f., Būga Kalba ir. S. 227 f.); got. sinteins ‘täglich, immerwährend’; vielleicht hierher ahd. len(gi)zin ‘Lenz’ aus *langat-tin als ‘lange Tage habend’.
Kretschmer führt gr. Tιν-δαρίδαι ‘Zeussöhne’, etr. Tin, Tinia ‘Juppiter’ auf ein vorgr. Tin- ‘Diespiter’, bzw. ital. *Dinus (idg. *din- ‘Tag, Himmel’) zurück (Gl. 13, 111; 14, 303 ff., 19, 207; s. auch Schwyzer Gr. Gr. I 65); aber die ältere Form ist Τυνδαρίδαι!
r-Erweiterung dēi-ro-, dī-ro- in:
germ. *tēra- (*dēi-ro-) und *tīra- (*dīro-) in ahd. zēri, ziari ‘kostbar, herrlich, schön’, ziarī ‘Schönheit, Zier’, ziarōn ‘zieren’, mnd. tēr ‘Glanz, Ruhm, Gedeihen, gute Beschaffenheit’, tēre und tīre ‘Beschaffenheit, Art und Weise’, ags. as. tīr ‘Ehre, Ruhm’, anord. tīrr ds.; norw. dial. tīr ‘Ausguck, Spähen, Leuchten, Glanz’, tīra ‘gucken, funkeln’;
dazu lit. dyrė́ti, dýroti ‘gaffen, lauern’, dairýtis, lett. daīrîtiês ‘umhergaffen’, apr. endyrītwei (u. dgl., siehe Būga Kalba ir. s. 227 f., Mühlenbach-Endzelin I 432 f.) ‘ansehen’ (aber bulg. díŕъ ‘suche’ bleibt fern, s. Berneker 201);
toch. A tiri ‘Art und Weise’.
Über hitt. šiwat- ‘Tag’, šiwanni- ‘Gott’ (aus *di̯ēu-?), hierogl.-hitt. tina- ‘Gott’, šijāri ‘erscheint’ (*di̯ā-?) s. Pedersen Hitt. 57, 175 f.
Zu ai. dī́vyati ‘spielt, würfelt’ (angeblich ‘wirft das Auge’) vgl. mit anderen Ablautstufen dyūtám ‘Würfelspiel’, ferner dēvanam ‘das Spiel, Würfelspiel’, und oben dyṓtate ‘leuchtet’, dyutiḥ ‘Glanz’, dyumánt- ‘hell, licht’. Ob hierher auch av. ā-dīvyeinti ‘bemühen sich worum’ als ‘es worauf abgesehen haben’? Vgl. Wackernagel, Berl. Sbb. 1918, 396 f.
Daß unsere Wz. als ‘vibrierendes Licht’ mit deiǝ- ‘eilen, wirbeln’ ursprgl. eins gewesen sei, scheint denkbar.

WP. I 772 f., WH. I 345 f., 347, 349 f., 355, 357 f., 727, 732, 860, Schwyzer Gr. Gr. I 576 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal