Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dierbaar - (na aan het hart liggend, geliefd)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

dierbaar bn. ‘na aan het hart liggend, geliefd’
Mnl. dierbaer, duurbaer ‘kostbaar’ [1330; MNW]; vnnl. dierbaar ‘geliefd’ [17e eeuw; WNT].
Gevormd uit dier, duur, zie → duur 1 en het achtervoegsel → -baar.
Mhd. tiurbair ‘kostbaar’.
Het verschil tussen dier en duur is oorspr. dialectisch: de eerste vorm is westelijk (Vlaams, Zeeuws, West-Brabants), de tweede oostelijk. Dier behoort tot een hele reeks woorden waarin -ie- en noordoostelijker -uu- (voor r) of -ui- elkaar afwisselen, meestal met een stilistisch en soms met een betekenisverschil, zoals in → bestieren en → besturen, → rieken en → ruiken. Deze lexicale doubletten zijn voornamelijk in de 17e eeuw onder invloed van de immigratie uit de Zuidelijke Nederlanden tot stand gekomen. De Middelnederlandse betekenis van dierbaar was ‘kostbaar’. In de 17e eeuw ontwikkelde de betekenis zich naar ‘geliefd’, en kreeg de vorm duurbaar de betekenis ‘duurzaam’, zie → duur 2, zoals het woordgrapje het dierbaer duirbaer winterooft van P.C. Hooft laat zien.
Lit.: Schönfeld 1970, par. 67; M. Philippa (1999) ‘Wat het Diets beduidt’, in: OT 68, 280-281

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

dierbaar bnw., mnl. dierbaer, duerbaer, mnd. dūrbar afgeleid van duur.

De vorm dierbaar is vlaams (voor r ook in Zeeland en op de Zuidhollandse eilanden), terwijl die met uu Hollands is. In onze schrijftaal is dus dierbaar uit het Vlaams overgenomen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

dierbaar bnw., mnl. dierbaer, duerbaer “kostbaar, kostelijk”. De ie uit wgerm. iu komt klankwettig in Vlaanderen voor, voor r ook in Zeeland en op de Zuid-Hollandsche eilanden. Dierbaar is een ospr. Vlaamsche schrijftaalvorm, terwijl duur holl. vocalisme heeft: vgl. vla. Antw. Zeeuwsch dier(ə) “duur”. De afl. met –baar VI ook in mnd. dûrbar “dierbaar, kostbaar”. Voor de etymologie zie duur II.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

dierbaar b.nw.
1. Kosbaar, geliefd. 2. Baie vriendelik.
Uit Ndl. dierbaar (Mnl. dierbaer, duerbaer), 'n afleiding met -baar van dier, Vlaamse ontronde wisselvorm van duur 'kosbaar', met -baar ter versterking van dier.
Ndl. dierbaar in skryftaal uit Vlaams oorgeneem.
Vgl. Eng. dear.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

dierbaar: “bemin(lik), gelief”; Ndl. dierbaar, met eerste lid ’n dial. (eint. Vl.) wv. v. duur en verb. met Eng. dear en Hd. teuer.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

dierbaar ‘geliefd, waardevol’ -> Deens dyrebar ‘geliefd’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors dyrebar ‘geliefd, waardevol’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands dierbaar ‘geliefd, waardevol’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal