Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

deugen - (geschikt zijn, juist zijn; oppassend zijn)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

deugen ww. ‘geschikt zijn, juist zijn; oppassend zijn’
Mnl. of ic ten wapenen noch důge ‘of ik nog goed ben in de wapens’ [1210-40; CG II, Aiol], i hont diere toe doghe ‘één hond die daar geschikt voor is’ [1287; CG II, Nat.Bl.D], datmen peper droghet in houen om dattet te langher dueghe ‘dat men peper droogt in afgesloten ruimtes, opdat het des te langer goed mag blijven’ [1287; CG II, Nat.Bl.D; vnnl. dueghen ‘oppassend zijn’ [ca. 1520; WNT], en dochte nergens toe ‘was nergens geschikt voor’ [1526; WNT]; nnl. De geheele indeeling berust op een begrip ..., dat ... niet deugt ‘de hele indeling berust op een begrip dat niet juist is’ [1864; WNT].
Os. dōg, dugan; ohd. toug, tugan (nhd. taugen ‘geschikt zijn’); ofri. dāch, dauch, dugaI (nfri. doge); oe. dēag, dugan; on. daug, duga (nzw. duga); got. daug ‘deugt, baat’; < pgm. *dug-, *daug-, die verbonden zijn met een primair *deug-. Zie ook de oude afleiding → deugd.
Verwant met: Grieks tugkhánein ‘treffen, bereiken’, túchē ‘toeval’; Litouws daũg ‘veel’, Lets padūgt ‘kunnen’; Russisch dúžij ‘krachtig’; Oudiers dúal (< *duglo) ‘passend’; < pie. *dheugh- ‘(uit)drukken, melken, rijkelijk schenken’ (IEW 271).
Dit is een zogenaamd preterito-presens, een werkwoord met de vormen van de verleden tijd en de betekenis van tegenwoordige tijd; in het Middelnederlands komt als 3e pers. ev. in de tegenwoordige tijd nog meestal dooch, doech ‘(hij) deugt’ voor, al beginnen vormen met -t al te verschijnen: doocht, doecht ‘(hij) deugt’; de verleden tijd is do(e)chte, doochte. In het Middelnederlands werd het werkwoord onregelmatig vervoegd, met sterke en zwakke vormen: dochte / ghedocht, ghedoghen. De huidige vorm met -eu- wordt gewoonlijk verklaard als de voortzetting van een optatief van het werkwoord, waarin het suffix, oorspr. -ī-, umlaut van de oorspr. -u- veroorzaakte. Eenzelfde ontwikkeling is te zien in mnl. en nnl. dial. meugen naast → mogen en in Duits mögen ‘graag willen’.
deugniet zn. ‘iemand die niet wil deugen, stout kind’. Vnnl. deuchnieten (mv.) ‘die niet willen deugen’ [1564; WNT], deugeniet ‘die niet wil deugen’ [1645; WNT schroef]; kleine deugniet ‘stout kind’ [1841; WNT van I]. Samenstelling uit de stam van deugen en het ontkennende woord → niet. Ook Duits Taugenichts ‘id.’ en mnd. dögenicht ‘id.’.

EWN: deugen ww. 'geschikt zijn, juist zijn; oppassend zijn' (1210-40*)
ANTEDATERING: nedouch 'deugt niet, heeft geen waarde' [1100; ONW]
{* De datering van de eerste attestatie in het EWN moet zijn: 1220-40.}
EWN: ♦ deugniet zn. 'iemand die niet wil deugen, stout kind' (1564)
ANTEDATERING: Veele vagabonden en andere deugnieten [1539; iWNT vagebond]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

deugen* [goed zijn] {dogen [deugen] 1201-1250} oudsaksisch, oudengels dugan, oudhoogduits tugan, oudfries, oudnoors duga; buiten het germ. grieks tugchanein [treffen (bij schieten)], russisch dužij [krachtig], litouws daug [veel], oudiers dúal [passend].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

deugen ww., mnl. dōghen, dȫghen ‘deugen, baten’ is hier nog het oude praet. praesens; de 3de pers. enk. dooch beantwoordt aan os. dōg, ohd. touc, ofri. daech, oe. dēag, got. daug ‘deugt, baat’, inf. ohd. tugan, os. oe. dugan, ofri. duga, on. duga. — gr. tugchánō ‘treffen, bereiken’, túchē ‘toeval’, russ. dúžij ‘krachtig’, lit. daũg ‘viel’, oiers dual (< *duglo) ‘passend’, dūan (< *dugno) ‘lied’ (IEW 271).

Voor een verklaring van de betekenis-samenhang: ‘erlangen’; ‘deugen’; ‘lied’ en verder nog ‘gastmaal’ (got. dauhts) zie een poging bij J. Trier, ZfdPh 70, 1949, 358.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

deugen ww. Mnl. dōghen, dȫghen “deugen, baten” is nog een praeteritopraesens: 3. pers. enk. dooch (ook nog in de 17. eeuw). Mnl. dooch = ohd. touc (nhd. ich tauge, er taugt), os. dôg, ofri. daech, ags. dêag, (on. inf. duga, praes. dugi), got. daug “hij, het deugt, baat”. Wellicht met po. duży, russ. dúžij, d´úžij “sterk, forsch”, lit. daũg “veel” verwant, verder misschien met gr. teúkhō “ik maak”, tunkhánō “ik tref, verkrijg”, tukhē “lot”, ier. duan “gedicht” (*dhughnâ). De idg. wortel is dheugh-. Vgl. deugd, duchtig.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

deugen ono.w., Mnl. deughen, doghen + Hgd. taugen, was vroeger een praeterito-praesens: Mnl. het dooch, Os. dôg + Ohd. toug, Ags. déag, Go. daug = het is nuttig + Gr. tukhē (voor *thughē) = geluk, Lit. daũg = veel, Ru. dužij = sterk. Dit praet.-pr. is dus een imperf. van de klasse van sluiten met ô in ’t enk , ō in ’t meerv.: de Ndl. vorm komt met eu = ö van ’t meerv., de Hgd. van ’t enk.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

douge (ww.) geschikt zijn; Middelnederlands dugen <1240>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2deug ww.
1. Geskik wees vir die doel, in orde wees. 2. Goed wees.
Uit Ndl. deugen (Mnl. dogen).

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

duge, deûge deugen (Grave, Huisseling). Terwijl het AB een klinker heeft die oorspronkelijk in het mv. en de infinitief thuis hoort (vgl. oudijsl. duga) hebben deze dialecten het vocalisme van h. enkv. (vgl. got. daug ‘deugt’), maar wel met singuliere palatale vocaal, die misschien uit de umlaut in de optatiefvorm te verklaren is.
Jacob 88, Elemans 86.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

deugen ‘goed zijn’ -> Negerhollands deug, deeg ‘goed zijn’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

deugen* goed zijn 1240 [Bern.]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

dheugh- ‘berühren (sich gut treffen), drücken, ausdrücken, melken, reichlich spenden’

Indo-iran. *dhaugh- ‘melken’ in ai. duháti, athem. dógdhi ‘melkt, milcht’, die Wunschkuh Kāma-duh(ā) ‘die reichlich Spendende’ (= gr. Τύχη), pers. dōɣ, dōxtän usw., apers. han-dugā ‘Proklamation’ (vgl. lat. pro-mulgāre);
gr. τυγχάνω (τεύξομαι, ἔτυχον, ἐτύχησα, τετύχηκα) ‘treffen, antreffen, zufällig begegnen; ein Ziel oder einen Zweck erreichen; intr. sich vorfinden, gerade wobei sein, zufallen’, τύχη ‘Gelingen, Glückszufall, Schicksal, Los’, Göttin Tύχη (wohl ursprüngl. eine Wunschkuh?); τεύχω (τεύξω, Aor. ἔτευξα, hom. τετυκεῖν, Med. τετύκοντο, τετυκέσθαι - mit sek. k -, Perf. τετευχώς, τέτυκται, τετεύχαται) ‘tauglich herrichten, verfertigen, herstellen, veranlassen, hervorbringen’, τιτύσκομαι ‘mache zurecht, ziele’, τεῦχος n. ‘alles Gemachte, Gerät, Geschirr, Zeug, bes. Rüstung, Rüstzeug, Waffen; Schiffsgerät; Geschirr, Gefäß’;
ir. dūan ‘Gedicht’ (*dhughnā), dūal ‘passend’ (*dhughlo-);
aisl. Inf. duga, Präs. dugi, Prät. dugða ‘von Nutzen sein, taugen, glücken’, Präteritopräsens got. daug, ags. dēag, as. dōg, ahd. toug ‘es taugt, nützt’, Kaus. mnd. dӧ̄gen ‘aushalten’, as. ā-dōgian ‘ds., ordnen’, ags. gedīegan ‘ertragen, überstehen’; ahd. tuht ‘Tüchtigkeit, Kraft’, mhd. tühtec, nhd. tüchtig = ags. dyhtig ‘kraftig’ (über got. dauhts ‘Gastmahl’ s. Feist 116);
lit. daũg ‘viel’, dáuginti ‘mehren’; russ. dúžij usw. ‘kräftig’.

WP. I 847, Benveniste BSL. 30, 73 f., Pisani REtIE. 1, 238 ff.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal