Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

derrie - (onderste van een veenlaag; modderachtig vuil)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

derrie zn. ‘onderste van een veenlaag; modderachtig vuil’
Misschien in het toponiem onl. Darengheest [1130-1161; Künzel 57]; mnl. darinc (in een Latijnse oorkonde als darinchon) ‘zouthoudende veen/kleisoort’ [1237, Zeeland; MNW], naast dari ‘id.’ [1345; MNW-B], daringe ‘id.’ [1454, Zeeland; MNW]; vnnl. darry ‘vezelige kleisoort, zeeklei op veen’ [1513; WNT], derrije ‘klei’ [ca. 1578; WNT Supp. aanhalen], derrije ‘modder?’ [ca. 1578; WNT vuilnis], darye ‘veensoort’ [1599; Kil.], darij ‘slappe, wankele ondergrond’ [1612; WNT]; nnl. derrie ‘modder’ [1906; WNT]. Nnl. ook nog darg ‘kleisoort’ [WNT derring].
Wrsch. een afleiding van darg ‘veen/kleisoort’ met een ie-suffix uit pgm. *-jō (zoals in → berrie en → merrie). Het *jo-suffix zou ooit een breed semantisch spectrum hebben bestreken; voor derrie en mogelijk ook voor → smurrie moet wellicht gedacht worden aan een collectieve betekenis, wat tevens de verklaring zou bieden voor plantennamen op -ie, zoals → spurrie en Zeeuws farie ‘varen’. Dit zouden dan van oorsprong collectiva zijn, al is bij dergelijke vormingen het t-suffix uit pgm. *-uþō gewoner, vgl. varent, elst e.d.
Het grondwoord darg, nu nog gewestelijk als synoniem van derrie, is mogelijk verwant met het Engelse bn. dark ‘donker, duister’; daarbij behoren wrsch. ook mnd. dork ‘plaats waar vuil opgehoopt ligt’ en mhd. terken ‘donker maken, vuil maken’, de pgm. grondvorm is *darh-jō. De korte klinker is te verklaren als gevolg van de overgang van de verbinding -rh- tot -rr-.
Anderen denken aan verwantschap met bn. got. þarihs ‘onbewerkt’ bij een wortel pie. *ter- ‘teer, jong’, maar gezien de betekenis lijkt dat minder wrsch.
Pgm. *darh-jō is buiten het Germaans misschien verwant met Litouws dárga ‘regenachtig weer’ en Middeliers derg ‘rood’ < pie. *dhorgā (IEW 251); maar gezien de beperkte verspreiding en de betekenis kan gedacht worden aan een substraatwoord.
Vanuit een grondbetekenis ‘donker’ laat de toepassing van het woord op de diepe, donkerkleurige veenlaag zich gemakkelijk metonymisch verklaren. Op een analoge ontwikkeling berust ook de veenderijterm zwarte(n), dat eveneens gewestelijk voor de diepe veenlaag wordt gebruikt.
Vooral op de Zeeuwse en Zuid-Hollandse eilanden werd in de Middeleeuwen op grote schaal ghedaryd of darink gedolven voor zout- en brandstofwinning (zie MNW-B onder de lemma's dary, darink, delven en darreyen).
In de dialecten heet de veen/kleisoort o.a. derink (West-Vlaams), deereje (Goerees), derg (Zaans), darf (Drents); vormen zoals die op -ing, -ink ontstonden door suffix-substitutie; deerje heeft zich fonetisch uit derrie ontwikkeld.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

darg* [slib] {darich 1237} net als derring, derg, darink een dial. nevenvorm van derrie.

darink* [slib] {darinc 1237} nevenvorm van darg, derrie.

derrie* [grondsoort, vuil] {dar(r)y, dari [grondsoort] 1343-1346} het woord komt, met talrijke dial. varianten, op een beperkt gebied voor; verwant met (als het niet een leenwoord is) gotisch þarihs [ongevold], grieks teru [zacht, murw], en dan van dezelfde stam als draaien; de betekenis is hierbij echter niet bevredigend verklaard.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

derrie znw. v., mnl. dary, darich, darinc m. (in nnl. dial. zeer verschillende vormen: westvl. dèring, dèrring, dèrrink, goerees derreǝjǝ, zaans derg ‘riet- of veentil’, kampens darch, drents darf, darg, gron. darg), mnd. darg, darc.

Het is onzeker, of men van een idg. wt. *dher dan wel *ter moet uitgaan. In het 1ste geval kan men denken aan *dher ‘cacare; vuil’, lat. foria ‘diarree’, lit. derkiù, derkti ‘bezoedelen, cacare’. — Gaat men van een vorm *þariha- uit, dan stemt ermee overeen got. þarihs ‘ongevold’ (v. Wijk, IF 24, 1909, 36-7), dat dan verder hoort bij oi. taruna- ‘teder’, gr. térēn ‘teder’, térus ‘zwak’, vgl. ook lat. terō ‘wrijven’ (zie: draaien); semasiologisch niet zeer bevredigend. Het woord is op een zeer beperkt gebied in gebruik; misschien uit een substraattaal? — Voor de verklaring der verschillende vormen gaat Heeroma Ts. 69, 1951, 265 uit van darg, derg, waaruit in het Hollands door overgang rg > rj darie, derrie ontstond en dan door suffixsubstitutie in Vlaanderen en Zeeland darink, derrink. De vorm darie komt reeds in de 14de eeuw voor. Hoogst onwaarschijnlijk is zijn alternatief voorstel Ts. 77, 1959-60, 187-202 voor darie uit te gaan van een grondvorm *darxiō. Men moet bij een woord als dit veeleer denken aan spontane variaties in gemeenzame taal.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

derrie znw. De verschillende vormen van dit woord, wvla. dèring, dèrring, -nk, Goereesch derrǝjǝ, Zaansch derg (“drijvend eiland van riet of veen”), Kampensch darch, drentsch darf, darg, gron. ndd. darg(-k), Kil. darinck, darye, dari, mnl. dary, -ich, -inc m. laten zich alle verklaren uit *dar(i)ha-, -ô-, waarnaast *dar(i)ȝa-, -ô- kan, maar niet behoeft te worden aangenomen. De vorm op -f is jong, die op -ing, -ink kan door substitutie van uitgang ontstaan zijn. De d is wsch. oergerm. þ en ons woord is dan identisch met got. þarihs “ongevold”; germ. *þariχa- eig. “week” zal wel verwant zijn met sab. tereno- “mollis” (lat. tener “zacht, jong”?), gr. térēn “teer, broos”, térus “zwak, murw”, oi. táruṇa- “jong, teeder”; de onverlengde wortel ter- in lat. tero “ik wrijf’, zie draaien.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

darink v., Mnl. darinc + Ndd. darg; daarnevens derring, derrie, Mnl. darich, dary: alleen in ’t Ndl. en Ndd.; oorspr. onzeker.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

darie, zn.: derrie, veenlaag, turf. Vlaams dering. Mnl. darie, darich, daring(e), darinc ‘derrie, zwavelachtige veensoort’; Vnnl. darinck, dary, darie, daritorf ‘cespes bituminosus’ (Kiliaan). Ndd. darg, Holstein terrig, Zaans derg, Drents darf, darg. Wellicht uit Germ. *þarixa > Got. þarihs ‘ongevold’, Gr. teru ‘zacht’, Oind. tárunas ‘jong, teer’.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

derrink, darink, djerrik zn. m.: derrie, veenlaag; verteerd hout in zee liggend; dunne modder, uitwerpselen. Ovl. dering, tering. Mnl. darie, darich, daring(e), darinc ‘derrie, zwavelachtige veensoort’; Vnnl. darinck, dary, darie, daritorf ‘cespes bituminosus’ (Kiliaan). Ndd. darg, Holstein terrig, Zaans derg, Drents darf, darg. Wellicht uit Germ. *þarixa > Got. þarihs ‘ongevold’, Gr. teru ‘zacht’, Oind. tárunas ‘jong, teer’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

dering 1(E, W), tering (E), zn. m.: derrie, veenlaag. Mnl. darie, darich, daring(e), darinc 'derrie, zwavelachtige veensoort'; Vnnl. darinck, dary, darie, daritorf 'cespes bituminosus' (Kiliaan). Ndd. darg, Holstein terrig, Zaans derg, Drents darf, darg. Wellicht uit Germ. *þarixa > Got. þarihs 'ongevold', Gr. teru 'zacht', Oind. tárunas 'jong, teer'.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

darg, därg beslagenheid, gez. van de tong, bep. veenmassa (Noordoost-Nederland, Hattem). Vgl. vla., Gemerts dering (= zeel. derrienk), nl. derrie, got. tharihs ‘ongevold’.
Crompvoets 168, 256, Ghijsen 164, Mulder 29, NEW 112, Vos/Van der Wijst 49.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

derink, derik (WVD: noord, FV noord), zn. m., uitspr. derink, derik: turf. Mnl. darie, darich, daring(e), darinc ‘derrie, zwavelachtige veensoort’, Ndd. darg, Holstein terrig. Vgl. Vroegnnl. derrie, darye, Ndl. derrie, gew. darg, Zaans derg, Drents darf, darg. Wellicht uit Germ. *parixa > Got. parihs ‘ongevold’, Gr. teru ‘zacht’, Oind. târunas ‘jong, teer’.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

derrie ‘grondsoort, vuil’ -> Frans † derri ‘laag turf, enkele centimeters onder het grondoppervlak’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

darink* slib 1237 [Slicher]

derrie* grondsoort, vuil 1343-1346 [MNW]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

dher-1, dherǝ- in kons. Erweiterungen ‘trüber Bodensatz einer Flüssigkeit, auch allgemeiner von Schmutz, Widerlichkeit, von quatschigem Wetter, von trüben Farbentönen usw.; verbal: Bodensatz und Schlamm aufrühren, trüben’, Ursprüngl. eins mit dher-5 ‘Unrat, cacare’?

a. dhere-gh-:
Gr. θρά̄σσω, att. θρά̄ττω (Perf. hom. τέτρηχα intr.) ‘verwirre, beunruhige’, ταραχή ‘Verwirrung’, ταράσσω, att. -ττω ‘verwirre’ (*dherǝgh-i̯ō : lit. dìrgti s. unten); τρᾱχύς, ion.τρηχύς ‘rauh, uneben’ (wohl ursprüngl. von Schmutzkrusten; -ρᾱ- hier aus sog. r̥̄, d. i.*dherǝghú-s); τάρχη τάραξις Hes. (Vokalstufe wie σπαργή: lit. sprógti);
lat. fracēs f. ‘Ölhefe’, fracēre ‘ranzig sein’ aus *dhrǝgh-; das c ist wohl von faēcēs, floccēs bezogen, da *dherk- sonst nur baltisch bezeugt ist;
in der Bed. ‘Bodensatz, Hefe’: alb. drā f., geg. drâ-ni ‘Bodensatz des Öls, von ausgelassener Butter; Weinstein’ (Grundform *draë aus *dragā, *dhrǝghā);
anord. dregg f., Pl. dreggiar ‘Hefe’ (daraus engl. dregs);
alit. dragės (*dhrǝghi̯ās) Pl., apr. dragios Pl. ‘Hefe’, lett. (Endzelin KZ. 44, 65) dradži ‘Überbleibsel von gekochtem Fett’; slav. *droska aus *dhrǝgh-skā in mbulg. droštija Pl.n. ‘Hefe’, klr. dríšči ds., sonst assimiliert zu *troska (sloven. trȏ̦ska ‘Bodensatz, Hefe’) und meist *drozga (aksl. droždьję Pl. f. ‘τρυγία, Hefe’ usw.; s. Berneker 228);
hierher auch gallorom. *drasica ‘Darrmalz’ (M.-L. 2767), das irgendwie aus älterem *drascā (= slav. *droskā) oder *drazgā (= slav. *drozgā) umgestaltet sein wird;
mit st-Formans: ahd. (*trast, Pl.:) trestir ‘was von ausgepreßten Fruchten übrigbleibt, Bodensatz, Trestern’, ags. dærst(e), dræst f. ‘Bodensatz, Hefe’ (germ. *ðraχsta-, Sverdrup IF. 35, 154), drōs ds.;
mit sn-Formans: ags. drōsne f., drōsna m. ‘Hefe, Schmutz’, ahd. druosana, truosana ‘Hefe, Bodensatz’;
hierher wohl lit. dérgia (dérgti) ‘es ist schlechtes Wetter’, dárgana, dárga ‘quatschiges, schlechtes Wetter’ (Stoßton, vgl. die gr. Wurzelformen und lit. drė́gnas, drėgnùs ‘feucht’); dazu aruss. padoroga wohl ‘Unwetter’, sloven. sǫ́-draga, -drag, -drga ‘kleinkörniger Hagel; gefrorene Schneeklümpchen, Graupeln’; lit. dargùs ‘garstig, schmutzig’; alit. dérgesis ‘unflätiger Mensch’, alit. dergėti ‘hassen’, lett. der̂dzêtiês ‘zanken, streiten’ (Mühlenbach-Endzelin I 456 m. Lit.), apr. dergē ‘sie hassen’; lit. dérgti ‘schmutzig werden, beschmutzen’, dar̃gti ‘beschimpfen’, dárga f. ‘regnerisches Wetter, Besudelung, Beschimpfung’;
b. dherg- in: mir. derg ‘rot’; mhd. terken ‘besudeln’, ahd. tarchannen, terchinen ‘(verdunkeln) verbergen, verstecken’, mnd. dork ‘Kielwasserraum’, ags. deorc ‘dunkelfarbig’, engl. dark; ags. þeorcung ‘Dämmerung’ wohl mit ð nach ðēostor ‘dunkel’, geðuxod ‘dunkel’.
c. dherk- in: lit. der̃kti ‘garstig machen, besudeln’, darkýti ‘schmähen, schimpfen, entstellen’, darkùs ‘garstig’, apr. erdērkts ‘vergiftet’, lett. dā̀rks, dā̀rci (*darkis) ‘Schecke’ Mühlenbach-Endzelin I 448 (s. die Sippe bei Leskien Abl. 361); oder zu mhd. zurch ‘Kot’, zürchen ‘cacare’? Zupitza Gutt. 170 unter Betonung des Intonationsunterschiedes von der̃̃kti gegenüber dérgesis usw.;
hierher wohl toch. AB tärkär ‘Wolke’ (Frisk Indog. 24);
WP. I 854 ff.
d. dherǝbh- : dhrābh- : dhrǝbh-.
Unsicher av. δriwi- (*dhrǝbhi-) ‘Flecken, Muttermal’;
mir. drab ‘Treber, Hefe’ (*dhrǝbho-), drabar-ṡluāg ‘gemeines Volk’;
aisl. draf, engl. draff ‘Berme, Hefe’, mnd. draf, ahd. trebir Pl. ‘Treber’, anord. drafli m. ‘frischer Käse’, drafna ‘sich auflösen’, norw. drevja ‘weiche Masse’; geminiert nl. drabbe ‘Berme, Bodensatz’, ndd. drabbe ‘Schlamm’; schwed. drōv n. ‘Bodensatz’ (*dhrābho-), ags. drōf, ahd. truobi ‘trübe’, got. drōbjan, ahd. truoben ‘trüben, verwirren’, ags. drēfan ‘aufrühren, trüben’ (dasselbe Bed.-Verh. wie zwischen gr. ταράσσω und anord. dreggiar).
Eine nasalierte Form mit balt. u als Tiefstufenvokal einer zweisilbigen Basis (mitbedingt durch den Nasal m?) scheint lit. *drumb- in lit. drum̃stas (kann für *drumpstas stehen) ‘Bodensatz’, drumstùs ‘trübe’, drumsčiù, drum̃sti ‘trüben’ (Schleifton durch die schwere Gruppe mpst bedingt?).

WP. I 854 f., WH. I 538 f., Schwyzer Gr. Gr. I 715.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal