Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

datum - (dagtekening)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

datum zn. ‘dagtekening’
Mnl. daet ‘dagtekening’ in nae der date van deisen lettren [1284; CG I, 775], datum [1397; MNHWS].
Ontleend aan Latijn datum ‘wat gegeven is’, het gesubstantiveerde verl.deelw. van dare ‘geven’. De Middelnederlandse vorm zonder -um is via Frans date [1283] ontleend, net als Engels date ‘datum’. Andere woorden die uiteindelijk teruggaan op hetzelfde dare zijn bijv.: → donateur, → donor, datief (zie → naamval), → agio, → editie, → mandaat, → traditie.
Latijn dare is verwant met Grieks didónai ‘geven’, dósis ‘geschenk, het gegevene’ (bijv. in → anekdote, → dosis); Sanskrit dádāti ‘hij geeft’; bij de wortel pie. *de- (IEW 223).
In het Latijn werd als dagtekening een formule gebruikt als dabam Romae prid. Kal. Apr. ‘ik heb (dit) gegeven te Rome op 31 maart’, later data Romae ‘(deze zijn) gegeven te Rome’, waaruit het gebruik van het eerste woord data, ev. datum voor het tijdstip waarop iets plaatsvond is ontstaan. Zie ook het jongere woord → data.
dateren ww. ‘van een dagtekening voorzien; afkomstig zijn uit een bepaalde tijd’. Vnnl. dateren ‘brieven van een dagtekening voorzien’ [1577; WNT Supp. aviseeren]; nnl. dateren ‘van een dagtekening voorzien’, ‘uit de genoemde tijd afkomstig zijn’: de oorzaken ... dateeren en vinden zich reeds in 1814 [1821; WNT vinden], dateren ‘vaststellen uit welk jaar of welke tijd iets afkomstig is’ [1947; WNT Supp. antiquarisch], een verouderde indruk (doen) maken‘ (vaak in de vorm van het verl.deelw.: gedateerd zijn) [1950; Dale]. Ontleend aan Frans dater ’van een dagtekening voorzien [ca. 1350], ‘uit de genoemde tijd afkomstig zijn’ [1772], ‘verouderd zijn’ [1863], afleiding van date [1281] < Latijn data, datum.

EWN: datum zn. 'dagtekening'; de vorm datum (1397)
ANTEDATERING: datum 'datum' [1297; VMNW]
EWN: ♦ dateren ww. 'van een dagtekening voorzien; afkomstig zijn uit een bepaalde tijd' (1577)
ANTEDATERING: gedateert vanden xxvi. dach van Meerte lesleden [1550; Ordonnantie ende edict, a3v]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

datum [dagtekening] {1297, vgl. date 1282} < latijn datum [dat wat gegeven is], o. enk. van dare [geven], formulering ter datering op brieven, oorkonden e.d. (vgl. data, dateren).

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

datum

Het Latijnse werkwoord dare betekent: geven. Het deelwoord datum is: gegeven. Met dagtekening heeft dit op het oog niets te maken. Men moet echter denken aan officiële stukken waaronder men dikwijls leest: gegeven de zoveelste van ’t jaar zoveel te daar en daar. Dit geven vindt men terug in ’t woord wetgeving. Onder Latijnse stukken stond dus: datum en vervolgens de dagtekening. Daardoor is de verwarring ontstaan: men ging het woord datum beschouwen als de vertaling van het woord dagtekening en maakte er toen zelfs een meervoud data van terwijl het meervoud van een deelwoord natuurlijk niet bestaat, maar men zag er een zelfstandig naamwoord in.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

datum znw. m., reeds mnl. < lat. datum ‘gegeven’ en dan gebruikt als ‘dagtekening’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

datum znw. Ook elders voorkomende, reeds mnl. ontl. uit lat. datum “gegeven”, dan “dagteekening”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

datum m., uit Lat. id., onz. v.d. van dare = geven + Skr. dadāmi, Gr. [Grieks] = ik geef, Ru. dawať, dariť. De bet. dagteekening komt van de formule der Lat. officiëele oorkonden: datum x die, etc. = gegeven den x dag enz.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

datum s.nw.
1. Hoeveelste van die maand (met jaartal). 2. Dag, tydstip. 3. Dag wat 'n tydsindeling bepaal.
Uit Ndl. datum (al Mnl. in bet. 1, 1617 in bet. 2, 1784 - 1785 in bet. 3). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
Ndl. datum uit Latyn datum 'gegee, gegewe', met lg. van dare 'gee'. Die gewoonte van die Romeine om elke brief af te sluit met datum 'gegee' en die dag van die maand (lett. 'gegee aan die boodskapper') het daartoe gelei dat datum later 'tyd en plek soos aangedui' beteken het.
D. Datum (13de eeu), Eng. date (ongeveer 1330), Fr. date, It. data, Port. data, Sp. data.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

datum (Latijn datum)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Datum, verl. deelw. van ’t Lat. dare = geven. Een oorkonde eindigde in den regel met een aanwijzing van den tijd, bijv.: Datum 7. die Novembris = Gegeven den 7en dag van November. Zoo verkreeg datum de bet. van dagteekening.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

datum ‘dagtekening’ -> Indonesisch datum ‘dagtekening’; Singalees dātama ‘dagtekening’; Negerhollands datum ‘dagtekening’; Surinaams-Javaans dhatem ‘dagtekening’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

datum dagtekening 1297 [CG I West-Holland] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal