Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dagga - (hennep)

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

dagga s.nw.
1. Indiese hennep, reeds voor 1652 deur Portugese na S.A. ingevoer. 2. Wildedagga.
Uit Khoi-tale. In Nama daχa-b 'wildedagga', maar in Koranna is dit baχa-b 'twak' teenoor !amaχa-b saamgetrek uit !am- 'groen' en baχa-b 'twak' (Nienaber 1963). Reeds by Van Riebeeck in die vorm dacha (1658).
Khoi daχa-b wsk. uit Arabies duχan 'tabak' wat dui op kontak tussen Arabiessprekendes en die Khoi (Nienaber 1963).
S.A.Eng. dacha (1670).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

dagga: pln. (spp. Leonotis, fam. Labiatae, soos die Ind. hennep, Cannabis sativa, fam. Moraceae), reeks spelv. by Nien HOTT s.v. dagga en tabak I en III, sedert vRieb dac(c)ha; Hott. wd. in Na. as daχa-b, deur Mein LNS 106 afg. v. Arab. duχan, “tabak”, terwyl Lic, Hahn e.a. verb. soek m. die wd. tabak.

Dateringen of neologismen

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

dagga (← Hottentots ← Afrikaans; oorspr. dacha of dakka), cannabis, geteeld in Namibië of Zuid-Afrika. Sinds begin jaren tachtig.

Illustere Afrikaanse ‘dagga’ als Durban Poison. (Het Parool, 21/02/87)
In een van de schaarse onderzoeken die gedaan zijn naar de illegale dagga-industrie in Zuid-Afrika, werd de jaarlijkse omzet van handel in dagga geschat op tweemaal de omzet van de legale drankhandel. (De Morgen, 02/08/97)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal