Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

dabben - (met de voorpoten stampen (van paarden))

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

dabben* [met de voorpoten stampen (van paarden)] {1569} vgl. engels to dab [aantikken, een duwtje geven, betten], vermoedelijk uit het nl.; naast dabben staat deppen, dappen [betten]; vermoedelijk klanknabootsende vorming.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

dabben ono.w. (trappelen, wroeten), bij Kil. id. + Eng. to dab, Hgd. dappeln.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

dabbe (ww.) rommelen, wroeten; < Aokens dabbe.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

demmelen, ww.: trappelen. Var. van dammelen, door wisseling van de bilabialen uit dabbelen, zie dabben.

dabben, ww.: graven, wroeten, woelen; krabben. Vnnl. dabben, dabbelen ‘ondergraven, in slijk ploeteren’ (Kiliaan). Freq. dabbelen wroeten, woelen (bv. in zand), Hasselts dabberen, debberen ‘trippelen’, Maastrichts dabbelen ‘ wroeten, trappelen’, Rijnlands däppern ‘met kleine vlugge stapjes lopen’, Kempens dabbele ‘sukkelachtig gaan’. E. to dab ‘bekloppen’, to dabble ‘bespatten’. D. tappen ‘op de tast lopen, zoeken’. Vroegnhd. betappen ‘betasten’ < Vroegnhd. tappe, dappe ‘poot, hand’. Vgl. ook Wvl. debbelen ‘beduimelen’. Ook zn. dabber, debber ‘kleuter, peuter die begint te lopen, dreumes; sukkelaar (die moet onderdoen); modder, slijk’. Rijnl. Däppert ‘onvolgroeid mens’.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

dabben, debben, ww.: met de voorpoten stampen, trappelen, over de grond krabben, graven, (in de aarde) wroeten, ploeteren; moeizaam lopen. Vnnl. dabben, dabbelen ‘ondergraven, in slijk ploeteren’ (Kiliaan). Hasselts dabberen ‘trippelen’, Rijnlands däppern ‘met kleine vlugge stapjes lopen’, Kempens dabbele ‘sukkelachtig gaan’. E. to dab ‘bekloppen’, to dabble ‘bespatten’. D. tappen ‘op de tast lopen, zoeken’. Vroegnhd. betappen ‘betasten’ < Vroegnhd. tappe, dappe ‘poot, hand’. Vgl. ook Wvl. debbelen ‘beduimelen’. Ook zn. dabber, debber ‘kleuter, peuter die begint te lopen; modder, slijk’. Afl. aandabben ‘aanstrompelen’, bedabben ‘wroetend omwoelen, betrappelen’; onderdabben ‘trappelend bedekken’; freq. dabbelen, dabberen, debberen ‘ploeteren, moeilijk lopen, trappelen’, toedebberen.

djampelen, tjampelen, ww.: trappelen, trappelvoeten. Expressieve dj-vorm naast Vnnl. dampelen ‘vertrappen’ (Kiliaan). Kortrijks tjampelen ‘blijven haperen’, expressief intensivum naast Wvl. schampelen ‘schampen, afglijden; afschaven (van de grond)’. Mnl. schampelen ‘afglijden, struikelen’, freq. van Mnl. schampen ‘uitglijden’, Vnnl. schampen (Kiliaan). Fri. skamp(j)e ‘uitglijden’, Oost- en West-Fries schampen ‘even aanraken’. Uit Ofr. escamper, eschamper ‘zich uit de voeten maken’ < Prov. escampar < Lat. excampare < campus ‘slagveld’. Afl. bedjampelen, gedjampel, djampeleer.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

dabbelen, dabberen ww.: hooi met de voeten vaststampen al heen-en-weerlopend, op dun, taai ijs lopen zodat het doorbuigt; resp. door ondiep water waden, door slijk ploeteren; trappelen (van meeuwen); drentelen. Freq. van dabben. Vnnl. dabbelen ‘ondergraven, in slijk ploeteren’ (Kiliaan). Hasselts dabberen ‘trippelen’, Rijnlands däppern ‘met kleine vlugge stapjes lopen’, Kempens dabbele ‘sukkelachtig gaan’. E. to dabble ‘bespatten’. Vgl. ook Wvl. debbelen ‘beduimelen’. Ook dammelen. Samenst. dabberlaarzen ‘waterlaarzen’.

dabben ww.: door het slijk ploeteren, baggeren, waden. Vnnl. dabben ‘in slijk ploeteren’ (Kiliaan). Ndl. dial. ook ‘(van paarden) met de voorpoten stampen, over de grond krabben, graven, (in de aarde) wroeten, ploeteren’ (Schuermans, WNT), Ovl. dappen ‘ondiep spitten’. Vgl. E. to dab ‘tikken, bekloppen, betten, deppen’, D. tappen ‘op de tast lopen, zoeken’. Vnhd. betappen ‘betasten’ < Vnhd. tappe, dappe ‘poot, hand’. Klankexpressief woord.

dammelen, dimmelen ww.: staan trappelen, dribbelen, in de modder trappelen, hooi vaststampen in de tas. Var. van dabbelen door wisseling van de bilabialen b/m.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

dibbelen (L, Overmere), dubbelen (Heusden), omdimmelen (Moorsel), (om)dummelen (Lede, Waasmunster), (om)duimelen (Schellebelle), ommetuimelen (Wachtebeke), ww.: ondiep spitten (L); spitten zonder keren; slecht spitten (Moorsel). Let op de wisseling van de bilabialen b/m en de klinkerronding i/u voor bilabiaal. Tuimelen door volksetymologische associatie. Bij Vnnl. dabbelen, freq. van dabben 'graven' (Kiliaan); zie dappen? Maar naar de klank is dibbelen veeleer een freq. bij een (onbekend) ww. *dijven (vgl. wribbelen >< wrijven, dribbelen >< drijven). Vgl. E. to dive 'duiken', to dip. Mnl. bedoven 'bedolven'.

dampelen (G), ww.: trappelen. Vnnl. dampelen 'conculcare (vertrappen, met voeten treden)' (Kiliaan), 1670 dampelende metten voeten (LC). Wellicht met epenthetische nasaal (vgl. pampier < papier) uit dabbelen. Vnnl. dabbelen, dabben (Kiliaan), E. to dab 'bekloppen', to dabble 'bespatten'.

dabberen (W, ZV), ww.: modder maken, in slijk ploeteren. Freq. van dabben 'met de voorpoten stampen, over de grond krabben (Opdorp, Overboelare), graven, (in de aarde) wroeten, ploeteren' (WNT, Schuermans). Vnnl. dabben, dabbelen 'ondergraven, in slijk ploeteren' (Kiliaan). Hasselts dabberen 'trippelen', Rijnlands däppern 'met kleine vlugge stapjes lopen', Kempens dabbele 'sukkelachtig gaan'. E. to dab 'bekloppen', to dabble 'bespatten'. D. tappen 'op de tast lopen, zoeken'. Vroegnhd. betappen 'betasten' < Vroegnhd. tappe, dappe 'poot, hand'. Vgl. ook Wvl. debbelen 'beduimelen'. Ook zn. dabber (W) 'drassige grond', bn. dabberachtig, dabberig 'slijkerig'.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

dabben met handen of voeten wroetend graven (Zuid-Nederland). = eng. dab ‘zachtjes slaan’, Lets dābiu ‘ik sla’. Vgl. hgd. tappen ‘kloppen’.
WBD 977-978, De Bont 1958, 124, IEW 233, WNT III 2205, OV I 199.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

dampelen, damfelen (DB), ww.: trappelen, in sneeuw of slijk ploeteren. Vroegnnl. dampelen ‘conculcare (vertrappen, met voeten treden)’ (Kiliaan). Wellicht met epenthetische nasaal (vgl. pampier < papier) uit dobbelen. De f-variant door de bekende pl/fl- wisseling, vgl. pleurais = fleurus, perplex =perflex.

debbelen (DB, D), ww.: beduimelen. Freq. van dabben ‘(met de voorpoten) stampen, graven, wroeten’. Vroegnnl. dabben, dabbelen ‘subigere, suffodere, fodicare; pulverem sive lutum versare manibus aut pedibus’ (Kiliaan). E. to dab ‘bekloppen’, to dabble ‘bespatten’. D. tappen ‘op de tast lopen, zoeken’, Vroegnhd. betappen ‘betasten’ < Vroegnhd. tappe, dappe ‘poot, hand’. D. betappen is dus letterlijk Wvl. bepotelen ‘beduimelen’. Volgens Loquela had debbelen in leper een hiervan afgeleide bet. ‘kieskauwen, morsig en traag eten’. Zie ook dewwelen.

dewwelen (DB: Ip), delven (B), ww.: beduimelen, ploeteren, onzindelijk behandelen. Var. van debbelen, met wisseling van de bilabialen b/w. De Brugse vorm delven door metathesis lw/lv. In leper is de bet. verschoven tot ‘kieskauwen, met lange tanden eten’, vgl. teeuwelen.

djammelen (GG: Gullegem, Bellegem), djanfelen ( Wijtschate), ww.: door de sneeuw, het slijk ploeteren. Intensiefvormen met dj van dampelen, damfelen (zie i.v.).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

deps: – debs (WAT) – , “iets by wyse v. grap steel/wegvat”, met ausl. -s soos by gaps e.a.; wsk. uit Eng. dab (veral in kindt.).

Thematische woordenboeken

J. van de Kamp en J. van der Wijk (2006), Koosjer Nederlands: Joodse woorden in de Nederlandse taal, Amsterdam; inclusief ongepubliceerde aanvullingen door de auteurs

dabberen [dab’beren] (mv.: gedabberd): praten | < Jidd. medabberen (medibberen) < Hebr. medabbeer, tegenw.deelw. van dovar (davar): zeggen, spreken (vgl. dibber).

— Alleen echter van horen zeggen weet ik, dat vader, moeder en grootmoeder blaren op hun tong hebben gekregen van de pogingen om die pop [het beeld van Melchizedek dat de achterkant van de Mozes en Aäronkerk siert] uit mijn hersentjes te dabberen. (MEYER SLUYSER, 1962)

Zie ook reiden, smoezen

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

dabbelen, dabberen, dabben ‘(Zuid-Nederlands) strompelen, ploeteren, wroeten’ -> Engels dabble ‘spetteren, spatten; liefhebberen’; Frans dialect radabler ‘opknappen’; Frans dialect dabous ‘arbeider die een muur met een grote kwast verft’; Frans dialect daborer ‘slordig schilderen’.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

dhā̆bh-1, nasaliert dhamb(h)- ‘staunen, betreten, sprachlos sein’, vermutlich als ‘geschlagen, betroffen sein’ aus einer Grundbed. ‘schlagen’

Gr. τάφος n. ‘Staunen, Verwunderung’, Perf. ep. ion. τέθηπα, Partiz. Aor. ταφών ‘erstaunen’, θώπτω, θώπεύω (‘staune an =) schmeichle’ (s. Boisacq s. v. θώψ), nasaliert θάμβος n. ‘Staunen, Verwunderung, Schrecken’, θαμβέω ‘staune, erstaune, erschrecke’; zum β vgl. Schwyzer Gr. Gr. I 333, 833;
got. afdōbn ‘verstumme!’.
Unter Voraussetzung einer Grundbed. ‘schlagen’ kann folgende germ. Sippe angereiht werden: anord. dafla ‘im Wasser plätschern’, norw. dial. dabba ‘stampfen, festklopfen’, anord. an(d)dø̄fa ‘ein Boot gegen Wind und Strom festhalten’, mengl. dabben, nengl. dab ‘leise schlagen’, ostfries. dafen ‘schlagen, klopfen, stoßen’, mhd. beteben ‘hinfahren über, drücken’, ndd. bedebbert ‘betreten, verlegen’, nhd. tappen, Tapp ‘Klaps’, mhd. tāpe ‘Pfote’ (germ. ē, aber nicht für Feststellung des idg. Vokalismus zu verwerten), mndl. dabben ‘tappen, plätschern’ u. dgl. Doch s. auch Persson IF. 35, 202 f., der mehrere dieser Worte samt mhd. tappe ‘ungeschickter, täppischer Mensch’ usw. auf eine germ. Wz. dabb-, dēb(b)-, daƀ-, dap- ‘dick, klumpig’ bezieht, woraus ‘plump, dumm, tölpelhaft’, unter Vergleich mit lett. depis Schimpfwort, etwa ‘Tölpel’, depe ‘Kröte’ (‘*die plumpe’), depsis ‘kleiner, fetter Knabe’ und germ. Worten, wie schwed. mdartl. dabb ‘zäher Klumpen von Schleim’, dave ‘Lache, Pfütze’ (: an. dafla ‘plätschern’?) usw. (lett.dep- sei vielleicht eine Wechselform zu *dheb- in aksl. debelъ ‘dick’ usw., vgl. Mühlenbach-Endzelin I 455); es ist mit Zusammenschluß verschiedener Wortsippen im Germ. zu rechnen (s. auch unter dāi-, dāp- ‘teilen’);
nach Endzelin (KZ. 51, 290) stellt sich engl. dab zu lit. dóbiu, dóbti ‘zu Tode prügeln’, lett. dābiu, dābt ‘schlagen’.

WP. I 824.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal