Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

confituren - (in suiker ingelegde, gekonfijte vruchten)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

confituren zn. mv. ‘in suiker ingelegde, gekonfijte vruchten’
Vnnl. confituren ‘in suiker ingelegde vruchten’ [1595; WNT victualie], confecturen ‘id.’ [1596; WNT].
De vorm confectuur, confecturen is direct ontleend aan middeleeuws Latijn confectura ‘in suiker ingelegde vruchten’, de vorm confituur ‘jam’, confituren is via Frans confiture ‘in suiker ingelegde vruchten’ overgenomen. Ze gaan allebei, en net als → confetti, terug op middeleeuws Latijn confectum, confectae ‘ingemaakte vruchten die als medicijn dienden’, ook bijv. mnl. confeckt ‘gebakken kruid met suiker’ [1477; Teuthonista]. Zie verder → confectie. Het oudere → konfijten is via het Oudfrans ontstaan.

EWN: confituren zn. mv. 'in suiker ingelegde, gekonfijte vruchten' (1595)
ANTEDATERING: mnl. confiture 'in suiker bereid voedsel (?)' [1331; iMNW hondeken]
Later: Wijn, cruut, was ende confiture 'wijn, groente, was en in suiker bereid voedsel' [1343-45; iMNW voture]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

confituren [jam] {1595} < frans confitures, van oudfrans confire [toebereiden] < latijn conficere [tot stand brengen, afmaken, toebereiden], van com- [samen] + facere (in samenstellingen -ficere) [maken] → confetti.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

confituren znw. m. v., sedert oud-nnl. < fra. confiture (sedert de 13de eeuw) gevormd uit confit, verl. deelw. van confire ‘vruchten inmaken’ < lat. conficere ‘maken, bereiden’. Mnl. staat naast confijt ook confect (vgl. hd. konfekt) < lat. confectus.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

confituur znw. In de tegenw. bet. sedert ’t Oudnnl. (dan ook confecture). Uit fr. confiture. Mnl. komen confect, confijt o. “confituren” voor, uit lat. confectum, de tweede vorm via ’t Fr. Ook mhd. (nhd.) konfekt o. — Misschien heeft een mnl. confitûre “fatsoen” of “zoete artsenij” bestaan.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

konfijt o. (ingelegde vruchten), uit Fr. confit, v.d. van confire, Lat. conficere = opmaken, (z. ge- en doen).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

confituren gekonfijte vruchten 1561 [Secreten van den eerweerdighen heere Alexis Piemontois] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal