Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

commelina - (tuinsierplantje)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

commelina [tuinsierplantje] {1901-1925} < modern latijn commelina, naar de Nederlandse botanici Johannes (1629-1698) en Casparus Commelin (1667-1731).

Thematische woordenboeken

C.A. Backer (1936), Verklarend woordenboek van wetenschappelijke plantennamen

Commelína L. [C. Linnaeus], - genoemd naar J. Commelin (of Commelijn) (1629, Leiden; 1692, Amsterdam), drogist en koopman te Amsterdam (geen hoogleeraar, zooals vaak verkeerdelijk wordt opgegeven), verdienstelijk plantkundige, in 1682 benoemd tot commissaris van toezicht bij den aanleg van den nieuwen Artsenijhof (Hortus Medicus, tegenwoordig Hortus Botanicus) in de Plantage te Amsterdam, in 1689 benoemd tot houtvester dier stad, in 1690 tot commissaris-practicus van den Hortus op een jaarwedde van f 500, schrijver van bot. publicaties, commentator bij deel II en vgd. van den Hortus Malabarĭcus van Van Rheede (zie rheedĕi), - en tevens naar diens neef (oomzegger), Caspar Commelin (Commelijn) (1667, Amsterdam; 1731, Amsterdam), in 1696 benoemd tot botanicus van den Hortus Medicus, in 1706 tot hoogleeraar in de plantkunde te Amsterdam. - Zij stelden een groot plaatwerk samen over in den hortus gekweekte planten, waarvan de fraaie, gekleurde, oorspronkelijke teekeningen nog in den Amsterdamschen hortus bewaard worden. - Een onbeduidende zoon van Caspar Commelin, eveneens Caspar geheeten, gaf in 1715 een Lat. gedicht uit tot lof der kruidkunde (Oratĭo metrĭca in laudem rĕi herbarĭae). Verhaald wordt wel, dat de naam Commelīna door Linnaeus (zie Linnaea) gekozen werd voor Commelina benghalensis, welke twee groote kroonbladen en één veel kleiner bezit, om te zinspelen op de beide in hun tijd beroemde botanici en den onbeduidenden dichter. Se non è vero! - Linnaeus heeft den naam ontleend aan den in 1704 overleden Plumier (zie Plumerĭa), die mogelijk van den dichter nimmer gehoord had.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

commelina ‘tuinsierplantje, genoemd naar familie Commelyn’ -> Engels Commeline ‘eendagsbloem’ <via Modern Latijn>; Italiaans commelina ‘tuinsierplant’ <via Modern Latijn>.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal