Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

coherent - (onderling logisch samenhangend)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

coherent bn. ‘onderling logisch samenhangend’
Nnl. coherent “samenhangend” [1669; Meijer], cohaerent ‘id.’ [1938; WNT Aanv.], ‘in fase (van lichtgolven)’ [1948; WNT Aanv.].
Al dan niet via Frans cohérent ‘logisch samenhangend, consistent’ [1798; Rey] ontleend aan Latijn cohaerēns, teg.deelw. van cohaerēre. In de natuurwetenschappelijke betekenis mogelijk ook uit Engels coherent ‘in fase’ [1902; OED], eveneens uit het Frans.
coherentie ‘samenhang’. Nnl. cohaerentie ‘cohesie (in de natuurwetenschappelijke betekenis)’ [1847; Kramers], ‘het coherent (in fase) zijn (van lichtgolven)’ [1948; WNT Aanv.], ‘logische innerlijke samenhang, consistentie’ [1955; WNT Aanv.]. Ontleend aan Latijn cohaerentia ‘samenhang’, een afleiding van cohaerēns. Binnen de natuurwetenschappen worden de begrippen coherentie (in de optica) en → cohesie (van materialen) inmiddels duidelijk van elkaar gescheiden. In het algemeen taalgebruik worden beide nog wel eens door elkaar gebruikt, maar in het algemeen wordt bij een goed samenhangend (coherent) betoog e.d. gesproken van coherentie. Bij cohesie is er meer sprake van homogeniteit, zoals in het hedendaagse begrip sociale cohesie.

EWN: ♦ coherentie 'samenhang' (1847)
ANTEDATERING: vnnl. coherentie [1666; Consideratien, 14]
Later: het begrip cohaerentie (i.v.m. lichtgolven) [1939; Nieuwsblad van het Noorden (KB) 18/9] (EWN: 1948)
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

coherent [samenhangend] {1669} < frans cohérent < latijn cohaerens (2e nv. cohaerentis), teg. deelw. van cohaerēre [samenhangen], van com- [samen] + haerēre [aan iets vastzitten, blijven steken, samenhangen].

Thematische woordenboeken

P.H. van Laer (1949), Vreemde woorden in de natuurkunde, Groningen/Batavia.

Cohaerent (Lat. cohaérens, gen. -éntis = samenhangend; part. praes. v. cohaerére = samenhangen; < → com- (1), + haerére = vastgehecht zijn, vastzitten). Samenhangend; b.v. cohaerent. systeem, cohaerente lichtbundels.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

coherent ‘samenhangend’ -> Indonesisch kohérén ‘samenhangend’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

coherent samenhangend 1669 [MEY] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal