Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

cohabitatie - (het (ongehuwd of buitenechtelijk) samenwonen; bijslaap)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

cohabitatie zn. ‘het (ongehuwd of buitenechtelijk) samenwonen; bijslaap’
Vnnl. cohabitacie ‘concubinaat’ [1548; Stall.], cohabitatie ‘id.’ [1570; Stall.], cohabitatie “bywoninge” [1650; Hofman]; nnl. cohabitatie ‘het samenwerken van politieke tegenstanders’ [1986; Coster 1999].
Al dan niet via Frans cohabitation ‘het samenleven, het samenwonen; concubinaat’ [13e eeuw; Rey] < Laatlatijn cohabitatio ‘id.’, een afleiding van Latijn cohabitāre, gevormd uit → com- ‘samen’ en het werkwoord habitāre ‘wonen’, een frequentatief van Latijn habēre ‘hebben’, verwant met → geven.
In de recente Franse geschiedenis (5e Republiek) betekent cohabitation ook dat president en premier tot verschillende politieke partijen behoren, bepaaldelijk sinds François Mitterrand (1981-95).
cohabiteren ww. ‘bijslapen’. Vnnl. cohabiteren ‘ongehuwd samenwonen’ [1513-19; Wielant]. Ontleend aan Frans cohabiter ‘samenwonen, -leven’ [eind 14e eeuw; Rey] < Latijn cohabitāre.

EWN: cohabitatie zn. 'het (ongehuwd of buitenechtelijk) samenwonen; bijslaap'; de betekenis 'politieke samenwerking' (1986)
ANTEDATERING: in 'cohabitatie' met de socialisten [1985; Nieuwsblad van het Noorden (KB) 24/4]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

cohabitatie [paring] {1650} < latijn cohabitatio [het samenwonen (van God en de mensen)], van cohabitare (verl. deelw. cohabitatum), van com- [samen] + habitare [(be)wonen], iteratief van habēre [hebben].

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

cohabitatie ‘paring’ (Latijn cohabitatio); ‘samenwerking van twee politieke tegenstanders’ (Frans cohabitation)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

cohabitatie paring 1650 [MEY] <Latijn

cohabitatie samenwerking van twee politieke tegenstanders 1986 [De Coster 1999] <Frans

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

cohabitatie; cohabitation, het delen van de macht tussen twee ideologisch verschillende personen of tussen twee verschillende politieke partijen. Voornamelijk van toepassing op Frankrijk, waar de socialistische president Mitterand zich gedwongen zag samen te regeren met de neogaullist Chirac. → samenwonen*.

Realiteitszin dwingt Warschau nu eenmaal tot ‘kohabitatie’ met de kerk. (De Standaard, 13/09/86)
Een klein ogenblik van zichtbare haat tijdens het televisiedebat gisteren tussen de twee Franse presidentskandidaten, de socialist François Mitterand en de gaullist Jacques Chirac, gaf twintig miljoen kijkers opeens inzicht in de beproevingen van de ‘cohabitation’. (NRC Handelsblad, 29/04/88)
Hoewel de cohabitatie naar buiten toe redelijk goed verloopt — en dat is geen sinecure in een land waar links en rechts elkaar al sinds de Franse Revolutie naar de keel vliegen — blijft de verstandhouding tussen de president en zijn premier koeltjes. (Trouw, 07/05/88)
Maar links komt uit een diep dal en maakt nu een serieuze kans op een parlementaire meerderheid. En dat betekent een ‘cohabitation’ van een rechtse president met een linkse regering. (De Volkskrant, 07/05/97)
Minstens gedurende dat jaar is Chirac nu dus gehouden aan ‘cohabitation’ met een linkse premier. (HP/De Tijd, 06/06/97)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal