Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

cluster - (groep, tros)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

cluster zn. ‘groep, tros’
Nnl. cluster ‘reeks gelijktijdig klinkende tonen’ [1963; WNT Aanv.], ‘serie schijnbaar vlak bijelkaar staande sterren’ [1972; WNT Aanv.], ‘verzameling, complex, geheel’ [1974; Koenen].
Recent ontleend aan Engels cluster ‘groep, dichte verzameling’, ontwikkeld uit Middelengels clustre, Oudengels clūstor ‘boei, kluister’, zie → kluister.
Oe. clūstor gaat terug op pgm. *klustra met epenthetische -t- < *klus(s)ra < *klut-tra-. Het woord is verwant met het nog in dialecten voorkomende klot ‘klomp, kluit’; en met: nhd. Klotz ‘blok’; oe. clot(t) ‘klomp, massa’ (ne. clot ‘id.; stommeling’).

EWN: cluster zn. 'groep, tros' (1963)
ANTEDATERING: een zeer groote klomp (Cluster) van zeer zaamgepakte sterren [1827; N.Verh.KNI, 44]
Later: een cluster krachtige gloeilampen [1914; NRC 16/11]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

cluster [tros, groep] {na 1950} < engels cluster, wel verwant met oudengels clot(t) [klomp, kluit], hoogduits Klotz, nederlands klot.

Thematische woordenboeken

L. Koenen, R. Smits (1992), Peptalk, De Engelse woordenschat van het Nederlands

cluster [klustuh] 1. tros of reeks bij elkaar behorende zaken of personen; 2. jaargroep met identiek vakkenpakket in de bovenbouw van het voorbereidend hoger en middelbaar onderwijs.

P.H. van Laer (1964), Vreemde woorden in de sterrenkunde, 2e druk, Groningen

Cluster (Eng.; = tros, groepje, hoop). Sterrenhoop.

Dateringen of neologismen

F. Bakker, E. van Ruijsendaal, P. Uljé, D. van Zijderveld, Vindpunt.nl – elektronisch doorzoekbare Woordenlijst Overbodig Engels met Nederlandse tegenhangers, uitgebreide en verbeterde voortzetting van de boekuitgaven Funshoppen in het Nederlands (2009) en Op-en-Top Nederlands (2015)

cluster zn. Ontleend aan het Engels.
[alg.] = groep, verzameling. De huisjes staan in groepen van vijf over het vakantiepark verspreid.
= vast tarief.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

cluster tros, groep 1963 [Aanv WNT] <Engels

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal