Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

citroen - (soort vrucht (Citrus medica))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

citroen zn. ‘soort vrucht (Citrus medica)’
Vnnl. citroenen (mv.) [1554; Dodonaeus], maar al mnl. appels van citernate (mv.) ‘citroenen’ [1450-1500; MNHWS], siterijnsch ‘als van een citroen?’ [1462; MNW-P], pomeranciën, lemuenen, dattilen, cassyën, citrinen, vighen ende des ghelix ‘granaatappels, limoenen, dadels, kassievruchten, citroenen, vijghen en dergelijke’ [1485; MNW pomerancie], citrijn ‘geel als citroen’ [1485; MNW].
De -oe- in citroen wijst erop dat het woord is ontleend aan Frans citron [13e eeuw; Rey] (waarnaast Italiaans citrone) < Laatlatijn citrum, citron-, bij citrus ‘citrusboom’; Middelnederlandse vormen als citrijn en citrinen zijn al dan niet via Frans citrin, citrine [ca. 1150; Rey] ontleend aan middeleeuws Latijn citrinus ‘met de kleur van een citroen’, bij citrus. De naam betekent oorspr. ‘boom met geurend hout’, waardoor verwantschap met Grieks kédros ‘ceder’ aannemelijk lijkt, zie → ceder. Het woord is in elk geval niet Indo-Europees, daarop wijst bijv. het fluctueren van -i-/-e- en -t-/-d-.
citroentje zn. ‘glaasje citroenbrandewijn’. Nnl. citroentje ‘glaasje op citroenschillen getrokken brandewijn’ [1898; Dale], later ook gebruikt voor ‘citroenjenever’ (Sanders 1997). ♦ citrusvrucht zn. ‘vrucht uit het geslacht Citrus (citroen, sinaasappel enz.)’. Citrus-vruchten (mv.) ‘vruchten uit het geslacht Citrus’ [1954; WNT Aanv.], naast het synonieme Citrussoorten [1934; WNT pompelmoes]. Gevormd uit de wetenschappelijke benaming Citrus en → vrucht.
Lit.: Van der Meulen 1942), 42-43

EWN: ♦ citroentje zn. 'glaasje citroenbrandewijn' (1898)
ANTEDATERING: Ik liet de man ongestoord zijn citroentje drinken [1838; Arnhemsche courant (KB) 5/7]
EWN: ♦ citrusvrucht zn. 'vrucht uit het geslacht Citrus (citroen, sinaasappel enz.)' (1954)
ANTEDATERING: eene groote hoeveelheid "Citrus"-vruchten [1846; Teenstra 1, 34]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

citroen [zure vrucht] {1554} < frans citron < latijn citreum, van citrus [citroenboom] < grieks kedros [ceder]. De n in het fr. is waarschijnlijk ontstaan o.i.v. limon (vgl. ceder).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

citroen znw. m. v., sedert 16de eeuw < fra. citron, in de 14de eeuw in aansluiting aan limon < lat. citrus, dat zelf uit cedrus veranderd is. Naar haar geur heette de vrucht in het Grieks kedrómēlon ‘cederappel’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

citroen znw., sedert begin 17. eeuw. Uit fr. citron. Nhd. zitrone v. (sedert 1. helft 16. eeuw) uit it. citrone. ’t Rom. woord is van lat. citrus (ook: mâlum citreum, citrium) gevormd. Reeds mnl. citrijn “citroengeel”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

citroen m., uit Fr. citron, van Mlat. citronem (-o), afgel. van citrus = citroenboom, door Gr. kítron, kitréa, uit Ar. turundja.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

sintroen, zn.: citroen. Met epenthetische n uit citroen. Ook Kortrijks sentroen.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

sentroen (K), zn. m.: citroen. Door n-epenthesis.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

sitroen: sitruss. (Citrus medica, fam. Auriantaceae); Ndl. citroen (begin 17e eeu), soos Hd. zitrone, Eng. citron, via Fr. citron of It. citrone uit Lat. citrus (bek. as malum citreum, “sitroenappel”).

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

citroen (Frans citron)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

citroen ‘zure vrucht’ -> Indonesisch sitrun ‘zure vrucht’; Javaans sitrun ‘zure vrucht’; Singalees sidaram ‘zure vrucht’ (uit Nederlands of Portugees); Papiaments sitrun ‘vrucht (Citrus limonia of medica); citroenboom’; Sranantongo strun ‘zure vrucht’; Aucaans soetoeoen ‘zure vrucht’; Sarnami sitrun ‘zure vrucht’; Surinaams-Javaans jeruk setrung ‘zure vrucht’ <via Sranantongo>.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

citroen zure vrucht 1554 [Dod.] <Frans

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1200. Iemand knollen voor citroenen verkoopen,

d.w.z. iemand iets van geringe waarde als iets kostbaars in de hand stoppen; hem met ijdele praatjes bedotten, foppen, misleiden; synonieme uitdrukkingen zijn of waren: iemand appelen of eieren voor citroenen, paardekeutels voor vijgen, kladbeeken voor diamanten, britten (of kluiten) voor turven verkoopen (of tellen); zie Campen, 82; Sart. III, 9, 5; Tuinman I, 132 en vgl. verder Gew. Weeuw. III, 26; W. Leevend IV, 237; C. Wildsch. IV, 38; Spaan, 172: Ei lieve! laten we malkander geen knollen voor citroenen, paardekeutelen voor vygen, of pekelharingen voor posten verkoopen; V. Janus III, 200; het Ndl. Wdb. II, 551; III, 2048; M. de Br. 29; Nkr. V, 19 Febr. p. 6; 10 Juni p. 4; Antw. Idiot. 162-163; Joos, 71; Taalgids IV, 286; Afrik. iemand knolle vir sitroene verkoop; fri. immen stront for saffraen forkeapje; in het hd. einem ein X für ein U machen; iem. Mausedreck für Pfeffer verkaufen; fr. faire accroire à qqn que les vessies sont des lanternes; eng. to make one believe that the moon is made of green cheese.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal