Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

catarre - (slijmvliesontsteking)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

catarre [slijmvliesontsteking] {catarre, caterre [gevatte kou op één der leden van het lichaam] 1514} < frans catarrhe < grieks katarrōs [het omlaagvloeien], van kata [omlaag] + rōs [stromend water, het uitstromen], van reō [ik vloei, stroom] → kater2.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

katère, zn.: verkoudheid. Ovl. katerre, Wvl. kanterre. Mnl. caterre, catarre ‘zinking, gevatte koude op een der leden van het lichaam’, Vnnl. katarre ‘catharrus, hersenverkoudheid’ (Kiliaan). 1781 katan ‘zinking, katarre’, Meierij (Heeroma). Fr. catarrhe > Ndl. catarre ‘ontsteking van enig slijmvlies, gepaard gaand met veel afscheiding van slijm, in het bijzonder neusverkoudheid’, vooral in Fr. catarrhe du nez. Het woord hoeft niet noodzakelijk uit het Frans te zijn overgenomen, het kan ook rechtstreeks uit de medische vaktaal stammen. Ook in het Beiers heet een verkoudheid Katarrh. Het woord gaat terug op Gr. katarros ‘het omlaagvloeien’, waarin vz. kata en ww. rheein ‘vloeien, stromen’.

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

katar s.nw.
Ontsteking van die slymvliese.
Uit Ndl. catarre (1514).
Ndl. catarre uit Fr. catarrhe uit Grieks katarros 'die na benede vloei van', met lg. gevorm van kata 'na benede' en ros 'stromende water, die uitstroom van'. Die toestand word so genoem omdat dit met 'n erge loopneus gepaard gaan.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

katerre (ZO), zn. v.: verkoudheid. Wvl. kanterre. Mnl. caterre, catarre 'zinking, gevatte koude op een der leden van het lichaam', Vnnl. katarre 'catharrus, hersenverkoudheid' (Kiliaan). Fr. catarrhe > Ndl. catarre 'ontsteking van enig slijmvlies, gepaard gaand met veel afscheiding van slijm, in het bijzonder neusverkoudheid', vooral in Fr. catarrhe du nez. Het woord hoeft niet noodzakelijk uit het Frans te zijn overgenomen, het kan ook rechtstreeks uit de medische vaktaal stammen. Ook in het Beiers heet een verkoudheid Katarrh. Het woord gaat terug op Gr. katarros 'het omlaagvloeien', waarin vz. kata en ww. rheein 'vloeien, stromen'.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

katrien (sjnelle -) diarree (Limburg). Vgl. hgd. schnelle katrine ‘id.’, Oostenrijks laufende catherl ‘id.’, Beiers laufende kattel ‘id.’. Volksetymologisch beïnvloed door de naam van de H. Catharina van Alexandrië, die volgens de legende geradbraakt is, en naar wie ‘gordelroos’ ook katharinawiel heet, ‹ katar « medisch lat. catarrhus « gr. katárrous ‘het omlaag vloeien’. De vochtenleer meende nl. dat slijm uit het hoofd kwam.
Weijnen/Ficq 139.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

kanteer (K), zn. o.; kanteern(e) (DB, D, M, O, P, R, Wingene), kanterre (B, O), zn. v.: verkoudheid. Het woord vertoont een n-epenthesis, die niet voorkomt in het Zovl. katerre. In Menen, Roeselare en Dadizele betekent het woord evenwel ‘oorontsteking’, in Wingene ‘gewrichtsgezwel’. Mnl. caterre, catarre ‘zinking, gevatte koude op een der leden van het lichaam’, Vroegnnl. katarre ‘catharrus, destillatio: humor è capite destillans ad os et fauces’ (Kiliaan). Fr. catarrhe > Ndl. catarre ‘ontsteking van enig slijmvlies, gepaard gaand met veel afscheiding van slijm, in het bijzonder neusverkoudheid’. De bet. ‘neusverkoudheid’ vooral in Fr. catarrhe du nez. Het woord hoeft niet noodzakelijk uit het Frans overgenomen te zijn, het kan ook rechtstreeks uit de medische vaktaal stammen. Ook in het Beiers heet een verkoudheid Katarrh. Het woord gaat terug op Gr. katarros ‘het omlaagvloeien’, waarin vz. kata en ww. rheein ‘vloeien, stromen’.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

catarre (Frans catarrhe)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

catarre ‘slijmvliesontsteking’ -> Saramakkaans katharha ‘slijmvliesontsteking’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

catarre slijmvliesontsteking 1514 [MNW] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal