Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

cash - (contant)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

cash bw. ‘contant’
Nnl. cash “cassa, baar of gereed geld, ook: met gereed geld (betalen)” [1912; Kramers], Schoenberg eist 50.000 dollars “cash” [1948; WNT transactie].
Van Engels cash ‘contant’ [1980; Webster], bijvoeglijk gebruik van het zn. cash ‘contant geld’ [1596; OED] en ‘geldkist’ [1595; OED], dat wrsch. via Frans caisse ‘kist, geldkist’ [1553; Rey], ouder quecce [1365; Rey], ontleend is aan Italiaans cassa ‘kas’ of Oudprovençaals caissa [13e eeuw; Rey], die beide teruggaan op Latijn capsa ‘bus, doos’, zie → kas, zie ook → kassa.
Lit.: Webster's New World Dictionary of the American Language, New York 1980

EWN: cash bw. 'contant' (1912)
ANTEDATERING: tegen redelijke prijzen voor "cash" [1854; De Sheboygan nieuwsbode (KB) 19/12]
Later: "Cash", P. 5 'contant 5 P's (onbekende munteenheid)' [1861; Nederlandsche staatscourant (KB) 14/3]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

cash [contant] {1901-1925} < engels cash < italiaans cassa [kas].

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

cash (Engels cash)

L. Koenen, R. Smits (1992), Peptalk, De Engelse woordenschat van het Nederlands

cash [kesj] 1. contant; 2. baar geld.

Dateringen of neologismen

F. Bakker, E. van Ruijsendaal, P. Uljé, D. van Zijderveld, Vindpunt.nl – elektronisch doorzoekbare Woordenlijst Overbodig Engels met Nederlandse tegenhangers, uitgebreide en verbeterde voortzetting van de boekuitgaven Funshoppen in het Nederlands (2009) en Op-en-Top Nederlands (2015)

cash bn. Ontleend aan het Engels.
[fin.] = contant, baar. Kan ik hier contant betalen?

cash zn. Ontleend aan het Engels.
[alg.] = contanten, contant geld, baar geld. Zij gireerde niet, maar ze betaalde met baar geld.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

cash bijwoord: contant 1912 [KKU] <Engels

J. Posthumus (1986), A Description of a Corpus of Anglicisms, Groningen

cash, (only in compounds), [kɛʃ] Koenen 1974; Van Dale 1976. Compounds/derivations: hard cash. Loanword from English cash n.

hard cash, [ha:(r)t ʹkɛʃ, hɑrt-] klinkende munt: “Een investering [in Noord-Ierland] wordt gedaan op nuchtere, zakelijke gronden. Hier hebt U er een paar. Royale bijdragen in ‘hard cash’. Bijdragen in kosten van beheer. Tegemoetkomingen in verhuiskosten.” (0510141). Loanword from English hard cash n.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal