Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

canvas - (sterk linnen weefsel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

canvas zn. ‘sterk linnen weefsel’
Mnl. kayvaes (lees: kanyvaes) [1299-1356; MNW canevas], canevaetse [1336-39; MNW canevas], canevas [1340-41; MNW canevas], en voorts tot ca. 1430 nog de vormen kenevas, canephas, kannevets, kannewette [MNW], alle met de betekenis ‘(uit hennep vervaardigd) linnen weefsel’; nnl. canvas ‘sterk linnen weefsel’ [1907; Koenen].
De Middelnederlandse vormen zijn ontleend aan Oudfrans canevas; de moderne vorm is wrsch. overgenomen uit Engels canvas ‘weefsel’, Middelengels canevas, canevace [1354] < Oudfrans c(h)anevas, naast Picardisch canevach [1281]. Mogelijk is de Middelengelse vorm beïnvloed door middeleeuws Latijn canavasium, canabacium. Zowel de Oudfranse als de middeleeuws-Latijnse vormen gaan terug op vulgair Latijn *cannapāceus ‘gemaakt van hennep’, een afleiding van cannapus, een variant van Latijn cannabis ‘hennep’, zie → cannabis, zie ook → hennep.
Bij canvas en hennep heeft er een metonymische betekenisontwikkeling plaatsgevonden: het product (het weefsel) is in oorsprong genoemd naar het materiaal hennep waaruit het vervaardigd werd.
Lit.: H. Brok (1973) ‘Van hennep tot historische dialectologie’, in: Mededelingen van het instituut voor dialectologie, volkskunde en naamkunde 25, 7-11; Brok 1993, 100-101

EWN: canvas zn. 'sterk linnen weefsel'; de vorm canvas (1907)
ANTEDATERING: eene boot van Canvas [1863; Ts.Nijverheid 26, 460]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

canvas [sterk weefsel] {canevas 1322} < engels canvas < oudfrans canevas [idem] < latijn cannabis < grieks kannabis [hennep]; vóór de ontlening uit het eng. bestond reeds middelnederlands ca(e)nnefas [grof uit hennep vervaardigd linnen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

canvas znw. o. ‘grof weefsel, vooral voor voering van autobanden’ < ne. canvas, waarvoor zie verder: kanefas.

kanefas znw. o., mnl. canevas, canefas, canevaets < fra. canevas pikard. vorm voor ofra. chenevaz ‘grof zeildoek’ < vulg. lat. *canapaceum bij cannapum ‘hennep’. — > russ. kanifás (sedert begin 18de eeuw, vgl. R. v. d. Meulen, Verh. AW Amsterdam 66, 2, 1959, 39).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kanefas znw. o., mnl. canevas, -fas, -v(a)ets o. Uit fr. canevas (< mlat. canabâcius, van lat. cannabis “hennep”). Ook in andere talen ontleend.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

kanefas. Een hernieuwde, jonge ontl. uit eng. canvas (< fr. canevas) is canvas.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kanefas o., uit Fr. canevas, van Mlat. canavacium = stof van hennep, een afleid. van Mlat. canava, Lat. cannabis = hennep (z.d.w.).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

kanefas (W), zn. m.: deel van vrouwenlijfje. Mnl. canevas, canefas 'grof linnen van hennep', Vnnl. kanefas, kanefasdoeck 'hennepen kledingstuk' (Kiliaan). Ook D. Kanevas, E. canvas < Fr. canevas, contaminatie van Opic. canevach en Ofr. chanevas, chenevas 'hennepen', afl. van chaneve > chanvre 'hennep' < Mlat. canapus of < Lat. cannabis < Gr. kannabis.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

canvas (Engels canvas)

L. Koenen, R. Smits (1992), Peptalk, De Engelse woordenschat van het Nederlands

canvas [*kenvus] zwaar, ongebleekt en zeer dicht geweven doek van hennep, vlas, katoen of linnen, gebruikt voor zaken als zeilen en tentdoek.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Kanefas, van ’t Fr. canevas en dit van ’t Middel-Lat. canava, Lat. canabis = hennip (of kennip); dus: stof van hennep vervaardigd.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

canvas ‘sterk linnen weefsel’ -> Deens kanvas, kannevas ‘grove katoenen stof’ (uit Nederlands of Duits); Indonesisch kampas, kanvas ‘sterk linnen weefsel; vloer van de boksring’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

canvas sterk linnen weefsel 1911 [WNT rubber] <Engels

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal