Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

camarilla - (hofkliek)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

camarilla [hofkliek] {1847} < spaans camarilla [hofkliek, eig.: kamertje (om discreet met elkaar te spreken)], naar het kamertje waar onder Ferdinand VII van Spanje (1784-1833) geheimen werden besproken, verkleiningsvorm van camara [kamer].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

camarilla znw. v., over fra. in de 19de eeuw uit spa. camarilla, eig. ‘kamertje’, dan in het bijzonder ‘privaatkabinet van de koning’, vandaar ‘hofkliek’.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

kamarilla s.nw.
Kliek wat 'n invloed op staatsake uitoefen.
Uit Ndl. camarilla (1847).
Ndl. camarilla uit Sp. camarilla 'hofkliek', of eintlik 'kamertjie waarin diskreet samesprekings gevoer word', met lg. die verkleinw. van camara 'kamer'. Die kliek word so genoem na die kamertjie waarin geheime onder die bewind van Ferdinand VII van Spanje (1784 - 1833) bespreek is.
Eng. camarilla (1839).

N. van der Sijs (bezorger) (2003), Uit Oost en West. Verklaring van 1000 woorden uit Nederlands-Indië van P.J. Veth (1889), met aanvullingen van H. Kern en F.P.H. Prick van Wely (1910), Amsterdam. Gebaseerd op: Uit Oost en West. Verklaring van eenige uitheemsche woorden van P.J. Veth uit 1889, recensie van het werk van Veth door H. Kern in De Indische Gids van 1889, en ‘Etymologisch aanhangsel’ (p. 297-350) uit het Viertalig aanvullend Hulpwoordenboek voor Groot-Nederland van Prick van Wely uit 1910

camarilla [hofkliek]. Camarilla is in het Spaans een verkleinwoord van camara ‘kamer, zaal’. In het bijzonder is camara een vertrek in het koninklijk paleis, waarin de vorst audintie geeft aan de gezanten van vreemde mogendheden, dat alleen voor zijn voornaamste dienaren en gunstelingen toegankelijk is, en waar de geheime zaken van staat behandeld worden. Camara of camarilla betekent dus ongeveer hetzelfde als ons kabinet, in de zin waarin van ‘het kabinet des konings’ gesproken wordt. En evenals dit met het woord kabinet het geval is, betekent ook camarilla, bij overdracht, de personen die in het aldus genaamde vertrek met de vorst beraadslagen, zijn geheime raden, de consulta, de kabaal, zoals men in Engeland ten tijde van Karel II de geheime raadslieden des konings noemde, de achterraad, zoals Hooft en Stijl de vertrouwde dienaren van Margareta van Parma, in tegenstelling tot de Raad van State, betitelen. In Spanje schijnt de uitdrukking camarilla om de geheime raadslieden van de Kroon, de achterraad, aan te duiden, vooral in zwang te zijn gekomen gedurende de regering van Philips VII, die gewoon was ’s avonds zijn kamerheren en dienaren rondom zich te verzamelen en zich geheel door hen liet leiden. Zie bijvoorbeeld Gervinus, Geschichte des XIXten Jahrhunderts, Band II, p. 163. De listen en kuiperijen van deze partij hebben aan het woord camarilla een slechte betekenis doen hechten. Het is thans in alle talen van het beschaafde Europa, en dus ook in de onze, in gebruik om elke vereniging of club van hovelingen aan te duiden, die de gunst van de vorst exploiteert om een voor henzelf of de belangen van hun stand voordelige, maar voor het algemeen welzijn veelal verderfelijke invloed op de regeringszaken uit te oefenen.

Het is duidelijk dat dit ook bij ons in historische en politieke geschriften somtijds gebruikte woord geen inbreuk maakt op de juistheid van de opmerking, bij kwispedoor gemaakt, dat ons volk tijdens de Spaanse heerschappij geen woorden uit de taal van de gehate vreemdelingen heeft overgenomen. [Zie echter de inleiding van deze heruitgave.] [V]

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

camarilla (Spaans camarilla)

T. Pluim (1922), Wetenswaardig allerlei: bijdragen tot algemeene kennis voor studeerenden bijeenverzameld door T. Pluim, Groningen

Camarilla, verkleinwoord van het Spaansche camara = kamer, dus kamertje. Dezen naam gaf men vroeger in Spanje en later ook in andere landen aan een soort hofkliek, die den regeerenden vorst onder haar invloed brengt ten nadeele van het algemeen belang.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal