Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

burger - (inwoner)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

burger zn. ‘inwoner’
Onl. in de plaatsnaam Burgermede (onbekende locatie in Zeeland) [1181-1210; Künzel 105]; mnl. burgere [1240; Bern.], borghere (mv.) ‘burgers, inwoners’ [1278; CG I, 408], burghere (mv.) ‘id.’ [1293; CG I, 1900].
Oude samenstelling uit de wortel van → burcht ‘versterking, stad’ en een pgm. *warja- ‘verdediger, weerbaar man’ bij het werkwoord → weren ‘verdedigen’.
Mnd. borgere (ozw. borghare, nzw. borgare), ohd. burgari, burgeri [9e eeuw] (nhd. Bürger); nfri. boarger; oe. burgware, -waras; on. borgari ‘burgers’. In oudere Germaanse bronnen worden analoge samenstellingen aangetroffen met hetzelfde tweede lid: oe. ceasterware ‘inwoners’, rōmware ‘Romeinen’; on. skipverjar ‘schepelingen’, rōmverjar ‘Romeinen’; met daarnaast enkele Germaanse naamgevingen uit de klassieke geschiedenis als amsivārii ‘bewoners van de Ems-streek’ en baiovārii ‘Beieren’. De w- van het tweede lid is in het continentale West-Germaans al vroeg weggevallen, mogelijk mede onder invloed van het achtervoegsel pgm. *-ari-, dat zeer vaak gebruikt werd bij de vorming van nomina agentis (> mnl. -ere- als in mnl. lerere ‘leraar’; zie → -aar).
Uit de betekenis ‘vrije inwoner van een stad’ ontwikkelde zich een algemener ‘bewoner of inwoner (ook van een staat)’. Naast burger stond in het Middelnederlands het synonieme → poorter.
Lit.: Debrabandere 2000, 61-62

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

burger znw. m., mnl. borgher, burgher (noordoost. taalgebied), mnd. borgere, ohd. burgari (nhd. bürger), ofri. borger, burger ‘bewoner van een stad’. Het woord is uit het hd. overgenomen en verdrong mnl. poorter.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

burgemeester, burger m., van burg in de bet. van stad.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

burger ‘lid van de middenstand’ (bet. van Frans bourgeois); ‘iemand die aan allen gelijk is’ (bet. van Frans citoyen)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

burger ‘inwoner van stad, lid van een staat’ -> Engels burgher ‘inwoner van een stad, lid van een staat; lidmaat van de Schotse Secession Church’; Deens borger ‘inwoner van stad, lid van een staat’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors borger ‘inwoner van eern stad; staatsburger’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds borgare ‘inwoner van stad, lid van een staat’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins porvari ‘inwoner van stad’ <via Zweeds>; Zuid-Afrikaans-Engels burgher ‘eertijds in Zuid-Afrika: lid van een gemeenschap, een burgerraad of een burgermilitie’; Ambons-Maleis borgor ‘gemeenschap, landbewoners’; Kupang-Maleis borgor ‘de vrije lieden’; Menadonees borgor ‘de vrije lieden’; Ternataans-Maleis borgor ‘de vrije lieden’; Creools-Portugees (Ceylon) berger, burgher ‘iemand van de bevolking’; Creools-Portugees (Malakka) bérger ‘inwoner van stad, lid van een staat’; Amerikaans-Engels burgher, burger ‘vroegere Hollandse inwoner van New York; stedeling’; Negerhollands borger ‘inwoner van een stad, lid van een staat’; Papiaments † birger ‘inwoner van stad’; Sranantongo borgu ‘inwoner van een stad, lid van een staat’.

N. van der Sijs (2009), Yankees, cookies en dollars, Amsterdam

Amerikaans-Engels burgher, inwoner van een stad met alle daaraan verbonden rechten; stedeling (Craigie, Webster).
- Van Nederlands burger ‘inwoner van een stad met alle daaraan verbonden rechten’; overgenomen in de zeventiende eeuw en tegenwoordig een historische term.
* Het Nederlandse woord burger is ook geleend door het Brits-Engels, maar het heeft in de VS een eigen betekenis en gevoelswaarde gekregen. Het woord burgher werd ingevoerd toen de Nederlandse kolonie Nieuw-Amsterdam op 2 februari 1653 stadsrechten kreeg en alle burgers automatisch het burgerschap ontvingen. De rechten en plichten die zij op dat moment tegenover de staat hadden, behielden zij ook nadat de Engelsen het roer hadden overgenomen.
1677 The Court have ordered that the burgers in gennerall bee called together.
1899 This bald, middle-aged young man, not without elegance, yet a prosperous burgher for all that.
Voor het burgerschap en voor de burgerstaat werden nu echter de Engelse begrippen citizen en citizenship ingevoerd ter vervanging van de Nederlandse termen. De naam burgher bleef wel bewaard, maar werd na de machtsovername de benaming voor een Nederlandse kolonist. Dankzij Washington Irvings satirische A History of New York, by Diedrich Knickerbocker uit 1809 verschijnt voor het geestesoog van de meeste Amerikanen bij het horen van het woord burgher een stereotiep beeld: een gezette man met vest en pijp die allerlei karaktereigenschappen bezit die Irving op subtiele wijze heeft geïntroduceerd door in zijn boek het woord burgher steevast te laten voorafgaan door ironisch bedoeld bijvoeglijke naamwoorden zoals ‘adventurous, christian, excellent, fat, good, honest, peaceful, ponderous, respectable, renowned, robustious, self-important, simple, somniferous, worthy’: the adventurous, christian, etc. burgher...
Het Nederlandse burgher is inmiddels in het Amerikaans-Engels een historische term geworden, maar de speciale inhoud ervan is in de VS bewaard gebleven in het woord citizen. Zie ook burgomaster.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

burger inwoner van stad, lid van een staat 1240 [Bern.] <Duits

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal