Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bul - (oorkonde)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

bul 2 zn. ‘oorkonde’
Mnl. Bezeghelt met des paues bulle ‘voorzien van het zegel van de paus’ [1300-25; MNW-R], bulle ‘knop (van een schild)’ [1390-1410; MNW-R], valsche bullen of brieven ‘valse oorkonden of brieven’ [1437; MNW-P], deselve bulle te verduytsschen ‘deze oorkonde te vertalen in het Nederlands’ [ca. 1455; MNW verduutschen].
Ontleend aan Latijn bulla ‘luchtbel, waterblaas, bobbel; rond voorwerp; knop (van bijv. een deur of schild); amulet’; vandaar in het Middelnederlands (en evenzo in het Middelhoogduits) de betekenisontwikkeling van ‘knop’, via ‘bolrond zegel’, naar ‘zegel’ in het algemeen en vandaar naar ‘gezegeld stuk, oorkonde’. Latijn bulla is op analoge wijze ontstaan als → bal 1.
Latere Romaanse woorden die op Latijn bulla zijn gebaseerd zijn o.a.bulletin, → bouillon, en via het Engels → bowlen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bul3 [oorkonde] {bulle [rondzegel van een oorkonde, oorkonde] 1450} < latijn bulla [knop (als versiering), medaillon, en ten slotte zegel], verwant met bel2, bal1. De Gouden bul, edict van Karel IV van 1356, wordt zo genoemd omdat deze in een gouden doos werd bewaard.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bul 2 znw. v. ‘oorkonde’, mnl. bulle v. ‘zegel, oorkonde’ < lat. bulla ‘knop, bolletje, zegel’, eigenlijk ‘waterbel’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bul II (oorkonde), mnl. bulle v. “zegel, oorkonde”. Evenals mhd. (nhd.) bulle v. “id.” uit lat. bulla, oorspr. “waterbel”, dan “knop, bolletje, zegel”. Wsch. direct uit ’t Lat. en niet uit fr. bulle.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bul 2 v. (oorkonde), Mnl. bulle, gelijk Hgd. en Fr. bulle, uit Lat. bullam (-a) = blaas, buil, knop, stempel, muntvorm, zegel van een oorkonde.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2bul s.nw.
1. Grootseël aan 'n oorkonde. 2. Oorkonde, diploma. 3. (minder gebruiklik) Sertifikaat uitgereik by die verwerwing van 'n graad of van 'n lidmaatskap.
Uit Ndl. bul (Mnl. bulle in bet. 1 en 2, 1695 in bet. 3).
Ndl. bul uit Latyn bulla, o.a. 'bolvormige seël wat aan die oorkonde geheg word'.
D. Bulle (14de eeu in die bet. 'pouslike verordening'), Eng. bull (1340 in bet. 1).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

bul II: “oorkonde; seël” (veral Pouslike brief met seël); Ndl. bul (Mnl. bulle, Kil bulle), Hd. bulle, Eng. buil, verb. m. Lat. bulla, “seël”, wu. afl. It. bullettino en hieruit wsk. Fr. bulletin (ook Ndl. en Afr.).

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

bul (Latijn bulla)

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Bul, oorkonde; mnl. bulle. Eigenlijk alleen een zoodanige, waaraan een zegel gehecht was (doctorsbul, pauselijke bul); het woord is ontleend aan ’t lat. bulla, looden zegel aan een oorkonde, welke bet. van zegel het in de middeleeuwen ook bij ons nog veelal had. Het woord bul, in sommige streken van ons land nog gebruikt voor stier is natuurlijk een geheel ander woord, waarvan de afkomst niet vaststaat. Een derde woord bul is in de tegenwoordige spreektaal bekend in den zin van: zaken, dingen, werktuigen, die men noodig heeft als behoorend bij zijn werk, uitrusting enz.: “Een soldaat moet zorgen zijn bullen steeds in orde te hebben”; een werkman, die gereed is, pakt zijn bullen bij elkaar, dus waar men ook zegt “spullen”. Vroeger en in sommige gewesten is bel en bul ook bekend in de bet. van oude lappen, oude kleeren, vodden, en dus ongeveer gelijk rommel, zoodje, dat ook in gelijke bet. als “bullen” en spullen voorkomt. In België vooral is het ook overdrachtelijk in gebruik ongeveer = prullen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bul ‘oorkonde’ -> Papiaments bùl ‘oorkonde’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bul oorkonde 1450 [MNW] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal