Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

buitenissig - (excentriek)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

buitenissig bn. ‘excentriek’
Nnl. buitenïssig [1868; Multatuli], buitenissig [1894; WNT].
Het woord is, net als het zn. buitenissigheid [1868; Multatuli], door de schrijver Multatuli (Eduard Douwes Dekker, 1820-1887) gecreëerd uit → buiten en de werkwoordsvorm is (zie → zijn 1). Het betekent dus ‘wat buiten (het gewone) is’.
Lit.: Multatuli (1868) Ideën XXX

EWN: buitenissig bn. 'excentriek' (1868*)
ANTEDATERING: eerst buitenïssigheden [1863; AHB 6/2]
Later: buitenissig element [1889; Gids 4, 536] (EWN: 1868*)
{* De eerste attestatie in het EWN moet geschrapt worden. Buitenissig komt niet voor in een publicatie van Multatuli uit 1868.}
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

buitenissig* [zonderling] {1894} gevormd door Multatuli van buiten + is, 3e pers. enk. van zijn.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

buitenissig

Nieuwe zaken eisen uiteraard nieuwe namen. Het woord brommer is daarvan een voorbeeld uit de allerlaatste tijd, het woord fiets zelf is er een uit het eind van de vorige eeuw. Zo’n woord is er opeens, omdat er behoefte bestaat aan een naam of omdat de officiële naam – rijwiel in dit geval – niet voldoet. Een zeldzaamheid is dat door een auteur voor een bestaand begrip een nieuw woord wordt geschapen en dat dit dan ingang vindt. Ik ken slechts enkele voorbeelden: Multatuli creëerde het woord buitenissig, Abraham Kuyper het woord kleinzielig. Buitenissig is letterlijk: staande buiten hetgeen vanouds is en Multatuli gebruikte het in de zin van: ongewoon, zonderling, vreemd.

Kleinzielig is hij die een kleine ziel heeft, dus: bekrompen.

Door Jacob van Lennep schijnt het woord: tonelist te zijn gemaakt, waaraan naast toneelspeler eigenlijk geen enkele behoefte bestaat en dat nochtans wordt gebruikt.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

buitenissig bnw. is door Multatuli gevormd van de woorden buiten en is.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

buitenissig bnw. Door Multatuli gevormd — ’t eerst buitenissigheid — van buiten en is (3. pers. enk.).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

buitenissig bijv., van buiten 2 en is, 3e persoon van zijn: “buiten hetgeen van oud is staande”.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

buitenissig* zonderling 1865 [Multatuli-Enc.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal