Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

buitenboord - (aan buitenzijde van schip)

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

buitenboord’ (de, -s), 1. buitenboordmotor. Vissers wonen en leven hier vlak aan het water, samen met hun helpers, met in hun onmiddellijke nabijheid ruimte voor het drogen, herstellen en teren van netten, terwijl ze vanuit hun huis een oogje kunnen houden op hun boot met buitenboord en op de barbacot* (Teunissen 1972: 35). - 2. boot met buitenboordmotor. Saint Laurent du Maroni, het einde van het schooljaar, was desondanks niet te versmaden. Je ging erheen met een buitenboord, betaalde twee kwartjes* en hoopte toch maar dat je niet werd opgeslokt door de woelige baren... (Vianen 1979b: 19).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

buitenboord ‘aan buitenzijde van schip’ -> Surinaams-Javaans bètenbor ‘buitenboordmotor’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal