Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bruid - (verloofde)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

bruid zn. ‘verloofde’
Mnl. brut ‘verloofde’ [1240; Bern.], bruut ‘bruid, jonge vrouw’ [1265-70; CG II, Lut.K], ‘bijzit’ [1290; CG II, En.Cod.].
Os. brūd; ohd. brūt ‘pasgehuwde’, vanaf de 16e eeuw ook ‘verloofde’ (nhd. Braut); ofri. breid ‘jonge vrouw, echtgenote’ (nfri. breid); oe. brȳd ‘jonge vrouw, echtgenote’ (ne. bride); on. brúðr ‘de bruid tijdens de huwelijksplechtigheid’ (nzw. brud; nijsl. brúður); got. brūþs ‘jonge vrouw, pasgehuwde; schoondochter’; < pgm. *brūdi-.
De etymologie is hoogst onduidelijk. Meestal wordt gedacht aan herkomst uit pie. *mr-ū-ti- ‘belofte, verloving’. De opbouw van deze gereconstrueerde vorm is echter uiterst duister. Men denkt aan een wortel pie. *mr-, waarvan volgende vormen afkomstig zouden zijn: Kretenzisch britó-martis ‘(de godin) Artemis’; Latijn *mari- (in maritus ‘echtgenoot’); Grieks meĩrax ‘jongen, meisje’; Sanskrit márya ‘(jonge) man, geliefde’; Litouws martì ‘verloofde’, merga ‘meisje’; Bretons merch ‘dochter, vrouw’. De verwantschap tussen deze vormen is een twijfelachtige zaak, maar de andere theorieën die naar voren gebracht zijn, doen nog minder geloofwaardig aan. Misschien gaat het om een substraatwoord *bhrūdh-.
De huidige Nederlandse betekenis ‘vrouw in ondertrouw’ komt vanaf het begin van de 19e eeuw voor; de betekenis ‘jonge vrouw’ is wrsch. de oorspr.
Vanuit het Germaans is het woord overgenomen in Laatlatijn brutis (inscripties uit de 3e eeuw, Dalmatië); Grieks broútides (mv.) ‘(getrouwde) dochters’ (in een glosse uit de 3e eeuw); Noord-Frans bruy, bru; Retoromaans br(e)it ‘schoondochter’. Zie ook → bruidegom.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bruid* [in ondertrouw opgenomen vrouw] {bruut, bruyt [verloofde, jonggehuwde vrouw, bijzit] 1201-1250; de huidige betekenis dateert van de 19e eeuw} oudsaksisch brūd [jonge vrouw], oudhoogduits brūt [jonggehuwde, verloofde], oudfries breid [bruid in de tijd van de huwelijksplechtigheden], oudengels brȳd [jonge vrouw], oudnoors brūðr [vrouw in de tijd van de huwelijksplechtigheden], gotisch brūþs [bruid]; herkomst onzeker (vgl. bruien, verbruien).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bruid [Aanvullingen De Tollenaere 1969]: zie E. Polomé, RBPhH 44, 112 [1966].

bruid znw. v., de huidige bet. sedert Napoleon; in oudernl. ‘verloofde, pasgehuwde vrouw’, mnl. bruut ‘pasgehuwde vrouw, verloofde, bijzit’, os. brūd ‘jonge vrouw’ (in poëzie: ‘echtgenote’), ohd. brūt ‘jonggehuwde, verloofde’, ofri. breid ‘bruid in de tijd der huwelijksplechtigheden’, oe. brȳd (ne. bride) ‘jonge vrouw’ (poët. ook ‘echtgenote’), on. brūðr, ‘vrouw in tijd der huwelijksplechtigheden’ (poëtisch: ‘geliefde, echtgenote’), got. brūþs ‘bruid’. Uit het germ. grieks-latijns inscripties in Dalmatië: brutis, broũtis ‘(getrouwde) dochter’.

De etymologie is onzeker. Weinig aantrekkelijk is de verbinding met lit. martì ‘schoondochter, bruid’ (Wiedemann BB 27, 1902, 205; Wood, MLN 15, 1900, 96 en Torp in Fschr. Unger 1896, 174); nog minder die met lat. Frutis ‘bijnaam van Venus’ (Braune PBB 32, 1906, 58 en Kluge PBB 34, 1909, 561). — Zeer gewaagd is de afleiding uit de wt. *bher (zie: boren) en een oudgerm. auja ‘geluk’ (zie AEW 19), zo G. van Langenhove, Ling. Stud. 2, 1939, 48-64, met verwijzing naar de noorse godennaam Freyr (zie AEW 142). — J. Trier, Zs. der Savigny-Stiftung für Rechtsgesch. 65 Germ. Abt. 1947, 254-5 gaat ook van de wt. *bher uit, maar dan van een betekenis ‘gevlochten omheining’ > ‘dingvergadering’; dan zou de bruid de pasgehuwde zijn, die in de kring der familie intreedt (vgl. broeder). — Geheel anders weer C. C. Uhlenbeck, PBB 22, 1897, 188 die oi. bravimi ‘spreken’ vergelijkt en denkt aan een bet. ‘de vrouw die de man toegezegd is’ of W. Krogmann WS 16, 1934, 80-90 die denkt aan on. brjōta ‘breken’ en dan uit een bet. ‘wetsbreuk’ af te leiden! — Daar het aan het frank. ontleende fra. bru en de uit het alemannisch overgenomen rhaetoromaanse woorden brit, broit, breit, brud ‘schoondochter’ betekenen, kan men vragen, of dit ook de oude bet. geweest kan zijn; daarop zou kunnen wijzen, dat in de taalenclave Zips (in Joego-Slavië) deze bet. inderdaad nog bekend is en wellicht als een relict mag beschouwd worden (vgl. F. Debus, Deutsche Wortforschung in europäischen Bezügen 1, 1958, 37 vlgg.).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bruid znw., in de tegenwoordige bet. sedert Napoleon, in ’t Oudnnl. “verloofde”, ook “jonggehuwde vrouw”, mnl. bruut v. (d) “jonggehuwde vrouw, verloofde, bijzit”. = ohd. brût v. “jonggehuwde, verloofde” (nhd. braut), os. brûd v. “jonge vrouw”, poët. “echtgenoote”, ofri. breid v. “bruid in den tijd van de huwelijksceremoniën”, ags. brŷd v. (eng. bride) “jonge vrouw”, poët. ook “echtgenoote”, on. brûðr v. “jonge vrouw in den tijd van de huwelijksceremoniën”, got. brûþs v.” númphē”. Ontleend uit ’t Germ.: lat. (in soldateninscrr. van de 3. eeuw) brutis “(getrouwde) dochter”, noordfr. bruy, bru, rhaet. brit, breit “schoondochter”. De oudste bet. was wsch. “jonge vrouw”, de oergerm. gespecialiseerde bet. wellicht “heimgeführte braut, adoptiefdochter der schoonouders” (vgl. de samenst. bruiloft). Wellicht uit * mr-û-ti- en hoogerop verwant met kret. Britó-martis “Artemis”, lit. martì “jonkvrouw, verloofde”, met andere dan t-formantia o.a. krimgot. marzus “verloofde”, kymr. bret. merch “dochter, vrouw”, lat. *marî (marî-tus “echtgenoot”), gr. meĩrax “jongen, meisje”, lit. mergà “meisje”, oi. márya- “(jonge) man, geliefde”. Identiteit van bruid met lat. Frûtis “bijnaam van Venus” is aannemelijk, als we ook dit met de oorspr. bet. “jonkvrouw” bij de besproken woordfamilie brengen.

[Aanvullingen en Verbeteringen] bruid. Ohd. brût = “jonggehuwde vrouw, maagdelijke bruid op ’t huwelijksfeest”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

bruid. Of lat. Frutis (ŭ? û?) hierbij hoort, is onzeker.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bruid v., Mnl. bruut, Os. brûd + Ohd. brût (Nhd. braut), Ags. brýd (Eng. bride), Ofri. bríd. On. brúđr (Zw. en De. brud), Go. brûþs; blijkens Krimgo. marzus = verloofde, met br uit mr + Skr. maryas = verloofde. Gr. meîrax = jongen, meisje. Lat. maritus = echtgenoot, Frutis = bijnaam van Venus, We.. merch = dochter. Lit. marti = bruid. Het woord ging in ’t Rom. over: Mlat. bruta, Fr. bru, bruman.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

broet (zn.) bruid; Vreugmiddelnederlands brut <1240>.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

broed, zn.: bruid. Heterofoon van bruid, met onverschoven oe: Os. brûd, Ohd. brût.

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

bruid s.nw.
Vrou op haar troudag.
Uit Ndl. bruid (al Mnl.). Die herkoms van Ndl. bruid is onseker. Ndl. bruid het aanvanklik 'n ruimer bet. gehad as wat vandag die geval is. Die huidige bet. dateer uit die 19de eeu. Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
D. Braut, Eng. bride.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bruid ‘in ondertrouw opgenomen vrouw’ -> Frans dialect brûte ‘huwelijk; (kaartspel) koning en dame van dezelfde kleur’; Ambons-Maleis broit, bruid ‘in ondertrouw opgenomen vrouw’; Kupang-Maleis broid ‘in ondertrouw opgenomen vrouw’; Menadonees broid ‘in ondertrouw opgenomen vrouw’; Ternataans-Maleis broid ‘in ondertrouw opgenomen vrouw’; Negerhollands bruid ‘in ondertrouw opgenomen vrouw’; Papiaments brùit, breit (ouder: breid) ‘in ondertrouw opgenomen vrouw; communicantje; (op Aruba) ook: huwelijksfeest’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bruid* in ondertrouw opgenomen vrouw 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1499. Menistenbruiloft.

Hieronder verstond en verstaat men het ledigen der beerputten, den druivenwingerd snoeienN. Taalgids XIII, 139., dat bij nacht geschiedt, met woordspel tusschen bruid, sponsa, en het nu verouderde bruid, stercora liquida, drek, welke gelijkheid in vorm aanleiding gaf tot allerlei uitdrukkingen als de vuile bruid (drek); de bruid uitdragen, - trouwen, - leiden, den beerput ledigen; bruidleider, beersteker, nachtwerker (Mnl. Wdb. I, 1471; Stallaert I, 294 b; Tuinman I, 129). Daar nu de menisten vroeger, in de 17de eeuwIn de 18de eeuw waren de Menisten niet meer zoo eenvoudig. Van Effen, Spect. I, 200, zegt o.a.: Hunne Bruiloften verslinden Kapitalen, daar deftige Familien van zouden kunnen bestaan., als stemmige menschen bekend stonden en hunne bruiloften zonder veel rumoer vierden, evenals de nachtwerkers des nachts stil hun werk verrichtten, zoo werd schertsender wijze deze werkzaamheid, deze stille bruiloft (woordspel met stille, geheim gemak?) een menistenbruiloft genoemdHarreb. I, 100, beweert, dat de naam menistenbruiloft aan die werkzaamheid gegeven werd, wanneer de tonnetjes met dekseltjes toegedekt waren, ‘omdat de Menisten bijzonder piëus en zindelijk zijn’.. In de 17de eeuw zeide men ook hiervoor zonder speulman bruiloft houden (zie Asselijn, Jan Kl. vs. 723Zwolsche Herdrukken 12-13, bl. 93.); thans in sommige streken ook bruiloft houden of bruiloften. Zie Bergsma, 32: bruloften, op bruloft gaon (Assen), den beerput leegen; Draaijer, 6 b: 't is hier van nacht menisten brülfte, de beerput wordt geruimd; in het Friesch: minniste bruiloft hâlde naast brulloftsje in denzelfden zin. In Ostende wordt een optrekkende beerwagen (-wagens) de bruiloft van Cana genoemd (De Cock1, 276). Merkwaardig is ook het door Prick, 1297 vermelde ‘wedding, emptying a necessary house in and about London; Irish wedding, the emptying of a cess-pool.’ Vgl. nog Ndl. Wdb. III, 1635; 1657.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal