Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

brui - (rommel; afstand, opgave)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

brui zn. ‘rommel; afstand, opgave’
Vnnl. Smijt den bruy en den bras al te bersten ‘smijt die rommel en rotzooi kapot’ [1569; WNT], ick heb den bruy van ... ‘ik vertik het verder om’ [1642; WNT], den bruij van ... geven ‘niets meer mee van doen willen hebben’ [1664; WNT], daar heb ick van den bruy ‘daar ben ik niet van gediend, daar wil ik niets (meer) mee te maken hebben’ [1680; WNT], niet een bruy ‘geen zier’ [1692; WNT]; nnl. hij geeft den brui van studeeren ‘hij houdt op met studeren, hij geeft de studie op’ [1861; WNT], er den brui aan geven ‘er minachting voor hebben, er genoeg van hebben’ [1864; WNT prot II].
De betekenis ‘rommel’ is mogelijk een verdere ontwikkeling van Nederlands bruid ‘draf, spoeling, drek’: vnnl. bruyd ‘id.’ [1599; Kil.] bij het bn. bruyt ‘bedorven’ [1485; MNHWS]. Verwant hiermee is ook een aanduiding voor ‘bedorven haring’: vnnl. bruyen [1510; MNHWS], bruyghen [1549; WNT], bruyden [1569; WNT] en ook bruyhering [1533; MNHWS].
Mogelijk hoort brui bij het zn. bru ‘brouwsel, soep, brij’ [1240; Bern.], zie → brij. Eenzelfde betekenisontwikkeling is ook te vinden bij zooi ‘kooksel’ (bij het werkwoord zieden ‘koken’) > ‘rommel’.
Tegenwoordig voornamelijk nog in de uitdrukking er de brui aan geven ‘opgeven’, teruggaand op ouder de brui hebben van ‘opgeven’. Dezelfde uitdrukking ook in Fries earne de brui fan hawwe ‘ergens niet van willen weten’.
Er bestaat ook een vorm vnnl. en nnl. brui ‘slag, klap’ [1701; WNT], ook in de uitdrukking een brui of slag van de meulen ‘een klap van de mallemolen’ [1692; WNT], wrsch. afgeleid van het werkwoord → bruien.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

brui* [stoot] {1654} nog slechts in er de brui aan geven, van bruien [stoten], vgl. zuidnederlands den neuk geven van, van neuken.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

brui in de uitdrukking van ‘de brui geven aan’, is afgeleid van het ww. bruien.

In de betekenis van ‘rommel’ vermoedt FW 96 invloed van bruwe, bruwet, broeye (Kiliaen) ‘saus, jus’, dat hij uit mnd. brüeje afleidt.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

brui znw. Een nnl. verbaalnomen van bruien. Met uitgebreide bet.-sfeer. Met den brui hebben van vgl. zuidndl. den zeerd hebben van, den sjeer, den neuk geven van. De bet. “rommel” kan zich onder invloed van ’t uit het Hd. ingedrongene brühe, mhd. brüeje v. “saus” (Kil. bruwe, bruwet, broeye “jus, jusculum, liquamen, sorbitio”) ontwikkeld hebben; hiermee kan zijn samengevallen mnl. brû, bruy m. “brouwsel” en “brij” (zie brij).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

brui m. (boel, slag), hierin kunnen zijn samengevallen brij met zijn bijvorm brui en het verbaalabstr. van bruien, Mnl. bruden = beslapen, denomin. van bruid. Voor ik geef er den brui van cf. Fr. je men fous.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

brits. Het WNT veronderstelt dat wij hier te maken hebben met een klank br die vroeger gebruikt werd als bastaardvloek. Dit soort verklankingen ontstaat uit de behoefte aan een woord met krachtige medeklinkers, geschikt om als uitdrukking van intensiteit gebruikt te worden. Vgl. afgebliksemd. In de Kluchtighe Tragoedie: of den Hartoog van Pierlepon [1650] van M. Gramsbergen komt voor de brits, al den brits ‘voor de duivel, drommels, bliksems’. Vgl. bras. → brui.

brui. In de 17de en 18de eeuw komt brui voor als uitroep en vloek en is dan gelijk aan het latere bliksem, duivel enz. Zo is als uiting van schrik, spijt enz. overgeleverd dat is van den brui ‘dat is bedonderd’. Ook den brui! komt voor als uitroep van verontwaardiging in de betekenis ‘wel allemachtig; het is mij wat moois’. In Kempenland komt soms de verwensing krijg de vuilen brui! voor. Daarmee is letterlijk bedoeld ‘een in de lucht hangende ziekte onder mensen of vee’. De emotionele betekenis komt meer in de buurt van ‘ik ben woedend, ik veracht je, hoepel op’.

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Brui, van ’t ww. bruien (zie d. w.); doch in sommige bet. misschien van een ander ww. bruien, bruiden = broeden, en dan dikwijls gelijk aan bras. Hier schijnt, zooals met derg. krachtwoorden, dikwijls plaats heeft, een verwarring in de bet. te hebben plaats gehad, zoodat het dikwijls moeilijk uit te maken is, met welk woord men eigenl. te doen heeft. = Slag, klap, mengelmoes, rommel, (al den brui), iets waardeloos (niet een brui), enz. Den brui hebben, geven van iets = er niets om malen. Zie over Brui, bruiden, bruien enz. Ned. Wdb.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

brui ‘slag, klap; rommel’ -> Fries brui ‘boel, rommel’; Zweeds † bry ‘het geheel van zeilen aan boord’.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

374. Den brui hebben (of geven) van iets,

d.w.z. genoeg hebben van iets, er niets meer van willen weten, er een afkeer van hebben; syn. was den bras, den duivel, den hooi, den lieven tijd, den draai, den hippel, den dril, den bru(t)s van iets hebben. Niet onwaarschijnlijk is het, dat we in brui den stam moeten zien van het wkw. bruien in den zin van kwellen, zoodat het eig. ‘kwelling’ beteekent (ook brassen beteekende kwellen, plagen, evenals brutsen en britsen, vanwaar de uitdrukking den bras, den bru(t)s, den brits van iets hebbenVan Helten, Proeven van Woordverklaring, bl. 28 en Taal- en Ltb. III, 179 vlgg. en vandaar ‘tegenzin’, ‘afkeer’, of zooals in het Westvl. gezegd wordt verlee in ‘de verlee krijgen of hebben van iets’. Deze afleiding vindt verder steun in de Zuidnederlandsche uitdrukking ‘den zeerd van iets hebben’, er den brui van hebben (De Bo, 1422 b) en den sjeer, den neuk geven van iets (Schuerm. 406 b; 612 b; Antw. Idiot. 1493), d.i. er den brui, den duivel, den bliksem, den koekoek (Welters, 97), de knoppe (Claes, 116) van geven, welke Zuidnederl. woorden behooren bij de wkw. sjeren, zeerden en neuken, die alle drie ‘stooten’, ‘kwellen’, ‘plagen’ beteekenenIn Limburg: ‘den hachel geven van iets’; Onze Volkstaal II, 219. Is hachel hier = duivel? Ook het bij Rutten, 115 vermelde: van iets of iemand de klooten geven is me onduidelijk. Of moeten we kloot hier opvatten in den zin van iets van geene waarde, zooals in de uitdr. de klooten (of de ballen) van iets weten, d.i. er niets van weten? Het is dan te vergelijken met er de knoppe van geven. Zie no. 145.. Beide uitdrukkingen ‘den brui hebben’ en den ‘brui geven van iets’ zijn sedert de 17de eeuw aangetroffen; zie o.a. Stallaert I, 294 a; Ndl. Wdb. III, 1618, waar gewezen wordt op het hd. (nd.?) die Brühe davon haben en ‘den bras hebben van iets’, die pleiten voor brui in den zin van mengelmoes van allerlei dingen van geringe waarde (fri. brui). Ook in het fri. hy het dêr de brui fen.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal