Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

broodpoot - (jongen die zich met homoprostitutie bezighoudt)

Thematische woordenboeken

E. Sanders (2009), Van Dale Modern Bargoens woordenboek, Utrecht

broodpoot. In 1998 opgetekend in de Penitentiaire Inrichting Over-Amstel (beter bekend als de Bijlmerbajes) door een blanke, hoogopgeleide man die daar toen gevangen zat. Hij gaf als betekenis ‘iemand die voor telefoonkaarten of drugs (in de bajes is geen geld) zijn lichaam in de douche verkoopt’. En als toelichting: ‘Dit komt niet vaak voor, heel soms, vaak ook een gerucht dat een eigen leven leidt.’

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

broodpaal, broodpoot: (homoseksuele) jongen die zich met homoprostitutie bezighoudt.

Ik ken ’n flikker, ’n hele rijke (hij heeft vier sportwagens en een paardenstal) zakenman die op een keer een spastische broodpoot mee naar zijn appartement had gelokt. (Jan Cremer, Ik Jan Cremer, 1964)
… jij vuile gore broodpoot… (Marcus Heeresma, Waarde landgenoten, 1983)
Dateringen of neologismen

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

broodpoot, jongen die zich met homoprostitutie bezighoudt. De term ontstond eind jaren zeventig. Volgens de handwoordenboeken van Van Dale (1994) en Koenen (1996) is de broodpoot zelf homoseksueel; ook Joustra (1978) houdt het hierop. Het citaat weerspreekt dit echter.

De meeste jongens zijn hetero, ‘broodpoten’ in vakjargon. (Nieuwe Revu, 01/07/98)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal